Het leven lijkt steeds sneller te gaan na je twintigste. In uw boek geeft u daar meerdere verklaringen voor, maar welke is voor u de meest plausibele?

‘Eigenlijk de combinatie van twee hypothesen. Iemand die bij zichzelf merkt dat het leven sneller gaat, vergelijkt het huidige leven met het leven van toen hij twintig was. En dat is nou precies de periode waarin de meeste herinneringen liggen opgeslagen.

Voor je tijdsbeleving lijkt een periode waarin je veel beleeft langer te duren. Dat is op het niveau van vakanties al zo. Die twee of drie weken lijken veel langer te hebben geduurd dan als je thuis zou zijn gebleven. ‘De andere factor is dat er allerlei klokken in je lijf tikken, waarvan sommige beginnen te vertragen. Daardoor kan de subjectieve indruk ontstaan dat de buitenwereld sneller gaat. Oudere mensen waarvan reactievermogen terugloopt, hebben bijvoorbeeld de indruk dat het verkeer drukker wordt. Dat wordt natuurlijk ook drukker, maar ze worden zelf ook steeds trager.’

Douwe Draaisma, in: Intermediair