Het is niet de mierenachtige bedrijvigheid die het bestaan wettigt, het gebogen zitten over een werk dat voordeel afwerpt en overmorgen is vergaan; het naarstig ploeteren met de rug naar het raam, naar het licht, in het geloof dat nuttigheid het bewijs kan leveren waar niets te bewijzen valt, niets dan dat men zich zelf bedriegt en zijn eigen leegte tracht te verbergen. Wie werkelijk leeft is lui in het oog van zijn medemensen. Hij verdoet oneindig veel tijd in werkeloosheid, ogenschijnlijke, met de vraag misschien naar het doel van ons bestaan, zonder haar op te lossen. Er is geen antwoord te vinden, maar de vraag voortdurend stellen is leven, het enige waarachtige. Hij heeft uren nodig, dagen van eenzaamheid, om zijn verwondering te laten groeien, en hij verdedigt zijn eenzaamheid met de ijverzucht van een minnaar. Wie niet alleen kan zijn, vindt den weg nooit tot de diepste voldoening die het leven kan schenken, en die bezinning is, niets anders.

F.C. Terborgh, uit: ‘Willem Berchem’, in: De Turkenoorlog