Op de dag dat Samir A. zeven jaar tegen zich hoort eisen, zendt het TV-journaal bewegende beelden van hem uit. Weliswaar worden daarin zijn gezicht onherkenbaar gemaakt, zijn kleding en houding vertellen ook veel. Ik heb zoiets nog niet eerder meegemaakt.

Maar als ik zijn zaak lees, heeft het Openbaar ministerie niet zo heel veel om deze media-exposure te rechtvaardigen. Er zijn bij een huiszoeking wapens gevonden, dat is nog het meest concrete. Verder zijn er “contacten” geweest, is er mogelijk een verband met Hofstadgroep dat moeilijk te bewijzen zal zijn, en waren er wellicht plannen voor aanslagen of andere terreur.

Maar plannen maken, is niet hetzelfde als de daad voltrekken. En volgens mij is de wet nog altijd zo dat niemand op enkel voornemens veroordeeld kan worden.

Tenzij.

Tenzij dit een showproces is. Waarin een voorbeeld gesteld zal worden. En waarin de media mee moeten helpen te suggereren dat Justitie daadkrachtig is.

Uitspraak volgt waarschijnlijk over veertien dagen. Zo schreef ik het indertijd als rechtbankverslaggever altijd op. Maar de symbolische waarde van die uitspraak zal groter zijn dan de betekenis van die enkele verdwaalde Islamist Samir A.. Want, gaat ook de rechterlijke macht mee in de paniekzaaierij?