Sinds de provincies hier concessies uitgeven voor het openbaar vervoer, en daarbij altijd de goedkoopste inschrijving uitkiezen, is vooral het busvervoer ernstig in kwaliteit gedaald. Op trajecten waar voorheen drie bussen per uur reden, zal dat er niet zelden nu nog maar éen zijn. Ook de technische kwaliteit van de bussen nam af.

Maar waarom is de overheid gaan geloven dat marktwerking een beter openbaar vervoer zou opleveren? Dat de markt zou verbeteren waar voorheen altijd geld bij moest?

Dit is voor mij éen van de grote raadsels van de laatste decennia — dat haast religieuze geloof in de positieve effecten van marktwerking. Of het onnozele idee dat de overheid meer controle krijgt door vooral de taken af te stoten waar nu wel direct controle en zeggingskracht over is.

Doe dan niets, als er niets te verbeteren is! Hypocrates wist dit al.

Marktwerking in het openbaar vervoer is helemaal niet verplicht. Maar het immer veel te brave Nederland liep al vast een decennium vooruit op de eventuele invoering van Europese verplichtingen. Met zulke politici hier leef je ook onder een dictatuur: de allesverpletterende dwang van de visieloze middelmaat, die voor alle problemen maar éen oplossing kent.