Maar daarmee weet ik nog altijd niet wat dat is: ziel.

Ik denk je dat je dat aan dichters moet vragen. Dat kan raar lijken, omdat er juist uit die hoek nogal wat kritiek komt op het bestaan van zoiets als een ik. Er is geen waarheid meer, tenzij een versplinterde. Er is geen persoonlijkheid meer, tenzij een versplinterde. Geen visie meer, behalve vele tegenstrijdige. Postmoderne literatuurreguleerders zeggen dat. En het klopt natuurlijk ook wel: ik weet niet wie ik ben. Maar mijn vrouw weet het wel. Dat is niet zo simplistisch als het lijkt: het gaat over de paradox dat je bestaat uit vreselijk vele ikken waar je nauwelijks een overzicht over hebt — maar een buitenstaander heeft dat wel.

Je schrijft met al je tegenstrijdigheden een opstel — en de kritiek vindt dat je in herhaling valt. Je twijfelt aan jezelf, je weet totaal niet meer wie je bent, en je vrouw zegt: dat is ’m helemáál.

Herman de Coninck, De Flaptekstlezer, 215.