Veel te benieuwd naar wat hier komt te staan
Overwegingen | week 01

In de achttiende jaargang van eamelje.net moest er nog altijd wat met deze website. Omdat me nog steeds niet duidelijk is waarom ik er ooit mee begon, laat staan wat het nut is om er nu nog altijd mee door te gaan. Behalve dan om de vooral zakelijke reden dat me indertijd ging interesseren wat er technisch mogelijk werd in het publiceren online;

Toendertijd was er geen mens die begreep waarom je een weblog zou bijhouden. Dat onbegrip werd toen ook luid en veroordelend uitgesproken. Waarop dezelfden een dozijn jaren later hun hele hebben en houwen op Facebook zouden gooien. Om toen verslaafd te raken aan de prikkels die een bedrijf hen gaf om toch vooral op de website te blijven van dat ene bedrijf;

Zo veel onbenul over hun eigen privacy hadden ze niet gehad als ze eerder eens wat geprobeerd hadden online. Met een eigen weblog desnoods, bijvoorbeeld;

Punt is nu dat het mij niet erg interesseert om me online te profileren. ‘Likes’ hebben nul waarde voor mij. Anders zou ik een website als boeklog heel anders hebben opgezet, boeken uitkiezen waar meer praat over is, en mijn werk voortdurend overal hebben gepromoot;

Wat me wel boeit, is dat ik nu een heleboel dingen weet die ik over enkele jaren niet meer weet. En waarvan het dán spijtig kan zijn dat er nooit iets over werd aangetekend;

Wat me verder intrigeert, is hoe er altijd zinnen komen die ik anders nooit geschreven had, laat staan gedacht zou hebben, als er enige dwang bestaat om me ergens over uit te spreken. Zoals een slechts even actuele kwestie;

Zelfs al zijn de actuele kwesties op het moment schijnbaar krankzinniger dan ooit;

Dus zal ik, ondanks dat mijn positie hierover niet wezenlijk veranderde sinds medio 2013, paradoxaal genoeg hier toch weer eens opinies gaan poneren iedere week.


Fire & Fury
Overwegingen | week 02

Probleem voor mij om het eens goed over Donald Trump te hebben, die nu éen jaar de president is van de VS, blijft dat ik me daarmee aan precies dezelfde fout schuldig zou maken als ik de nieuwsmedia vrijwel dagelijks verwijt. Het gaat namelijk niet echt om die man. Niet eens om wat hij nu weer voor schokkends of onnozels gezegd heeft, of via Twitter de wereld meende te moeten meedelen.

Zulke mannen zijn relatief onbelangrijk, omdat het voorbijgangers zijn. Een politieke cultuur verandert niet binnen een regeringstermijn van acht jaar, laat staan van vier. Zelfs niet als ineens weer een racist president wordt, die volgens velen zelfs duidelijk aan Alzheimer lijdt.

Het duurt doorgaans decennia voor structurele politieke veranderingen zich doorzetten. lees verder…


Lees:Tijd
Overwegingen | week 03

Mijn boeklog heeft een tellertje, rechtsboven, dat bijhoudt hoeveel boeken ik uit las en vervolgens nog eens besproken heb sinds 2004. Nu begin ik in veel meer uitgaven dan er ooit uitgelezen worden. Laat staan dat boeken mijn enige lectuur zouden zijn op een dag. Dus is dat tellertje niet meer dan een wel heel ruwe indicatie van mijn belezenheid.

Anders dan voor menigeen geldt, zal de tijd besteed aan lezen voor mij niet heel veel veranderd zijn over de afgelopen decennia. Die is ook niet vreselijk groot — vergeleken met de tijd die anderen dagelijks aan TV-kijken besteden, tenminste. Voornaamste verandering die wel plaatsvond, is dat ik al mijn krantenabonnementen heb opgezegd, en inmiddels de hysterie van de actualiteit in de media zo veel mogelijk mijd.

Ook ben ik veel meer gaan fietsen. Waarmee een constatering kan luiden dat ik mijn ontspanning meer ben gaan zoeken in een actieve bezigheid, in plaats mijn tijd passief te besteden aan de consumptie van wat anderen zoal hebben bedacht.

Op dat tellertje van boeklog heb ik nogal wat laatdunkende reacties gehad — je hebt toch niet echt al die drieduizend boeken gelezen?!? — wat me enkel bevestigd heeft in een besef dat er als jong lezertje al was. Lezen wordt hier ter lande, anno nu, gezien als een behoorlijke inspanning. Zelden of nooit als een prettige ontspanning.

Toegegeven: het helpt bij het lezen voor het genot doorgaans wel degelijk om al te kunnen lezen. [1]

En school heeft er nooit aan bijgedragen om van dat lezen iets te maken dat de meeste kinderen en jongeren uit zichzelf leuk vinden om te doen.

Alleen steekt de cultuur op het moment ook nog zo in elkaar dat leraren en andere opvoeders wel het belang van dat lezen benadrukken. Je wereld kan daar namelijk nogal wat groter van worden. Guus Kuijer beschreef in zijn zelfhulpboek Hoe word ik gelukkig? ook dat kinderen die al jong veel lezen wat ouwelijker zijn dan hun leeftijdgenoten. Die weten al meer.

Alleen wordt dat dan weer te vaak als een probleem gezien, paradoxaal genoeg.

En dat is dus zo merkwaardig aan dat lezen. Vrijwel mijn hele leven lang merk ik dat vrijwel niemand het normaal acht om iedere week een boek te lezen, laat staan éen per dag. Want waar haal je de tijd vandaan? Terwijl de samenleving nog altijd zo is ingericht dat lezen heel belangrijk wordt geacht. In naam. Wat dan weer lichte paniek oplevert als het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) meet dat de Nederlander weer minder is gaan lezen sinds 2006.

Niet dat ik zulke cijfers voetstoots geloof. Pessimistisch ingeschat kan het domweg ook zijn dat mijn landgenoten eindelijk wat eerlijker durven te zijn over hoe weinig ze nu werkelijk lezen.

  1. Maak alleen niet mijn fout, door te veel te gaan lezen, want dan valt het gemiddelde boek gauw eens behoorlijk tegen. [ ]

LF2018
Overwegingen | week 04

Om in te luiden dat Leeuwarden voor éen jaar een culturele hoofdstad is van Europa was er dit weekend een festijn. En ik viel van de week in een publieke repetitie. Toen werden er stroboscopisch lichteffecten geprojecteerd op een stellage bij de Oldehove — de plaatselijke scheve toren.

Eerder was me bij bezoeken al opgevallen hoe de provinciestad zijn best aan het doen was om iets netter voor de dag te komen in 2018. De werkzaamheden om het plein voor het treinstation mooier te maken, en zo de stad een entree te geven, hebben in mijn herinnering zelfs langer geduurd dan een jaar. Al kan de overlast die daarmee ontstond mijn tijdsbesef vertekenen.

Bewoners en forensen hebben altijd even in te schikken als er iets staat te gebeuren.

En dus had ik me nu simpel in het koor van criticasters kunnen voegen, om ook uit te kraaien dat er weinig deugt aan alle gedoe met die culturele hoofdstad. Omdat er in Friesland zo vaak al overdreven trots is dat er eens iets gebeurt; maakt niet uit of dit kwaliteit heeft of niet. Terwijl de officieuze stadsspreuk van Leeuwarden toch luidt: ‘Het het nooit wat weest, en et zal nooit wat wurde’ [1].

Alleen gingen mijn gedachten ditmaal een heel andere richting uit.

‘Veel plezier’, dacht ik van de week. Blij dat ik hier verder niets van hoef mee te krijgen als dat niet moet.

Want om welke cultuur gaat het in zo’n jaar dat een stad culturele hoofdstad is? Niet om gebeurtenissen of evenementen die mij ooit een tel hebben geïnteresseerd. Er moet dit jaar vooral volk naar de stad komen, van heinde en verre liefst, en zulk volk komt toch allereerst af op spektakel, en ander massaal vermaak. Op hap-slik-weg-cultuur waar geen enkel benul voor nodig is om er van te kunnen genieten.

Dus moest ik nadenken over wat me zo tegenstaat aan het leven in een 21e-eeuwse spektakelmaatschappij.

Is het dat het gebrachte vermaak daarin vooral passief beleefd moet worden? Dat de cultuur, zo die er is, je door een ander lepeltje voor lepeltje gevoed wordt, als was je een klein kind? En dat er vooral geen klontjes in moeten zitten, of stukjes om op te kauwen?

De treiterige onnozelheid van alles?

Of is het misschien het totale gebrek aan stilte, omdat er dan altijd anderen om me heen zullen staan, wat nooit meehelpt om me volledig op de cultuur te kunnen concentreren?

Vanzelfsprekend ben ik een brommende solitair, met een afschuw van alles dat neigt enige massaliteit.

Zet mij met een boekje in een hoekje, en het is me al gauw goed. Alleen zijn er daarmee voor mensen als ik bijna geen activiteiten te organiseren. Want spektakel maken wij zelf wel. Iedere dag. Stil spektakel. In ons hoofd. En zolang de infrastructuren blijven bestaan waarin boeken gepubliceerd worden en gedistribueerd, zal ik waarschijnlijk geen drukte maken ook.

Misschien.

  1. Het is nooit iets geweest, en het zal nooit wat worden [ ]

Restschade
Overwegingen | week 05

Soms komt de uitkomst van wetenschappelijk onderzoek zo met mijn intuïtie overeen, dat zulk onderzoek haast overbodig lijkt.

Deze week was daar bijvoorbeeld de Keele University, die meldde te hebben aangetoond dat als spieren ooit verbeterd zijn met de hulp van doping, daarmee ook de DNA verandert. Zulke spieren zijn daarom later, ook zonder dopinggebruik, nog in staat opnieuw zo groot te groeien.

In theorie heeft dit onderzoek behoorlijk wat ethische consequenties. Want ineens geldt dat je iemand die ooit op dopinggebruik werd betrapt, niet dient te schorsen voor een paar jaar, maar domweg moet uitsluiten voor het leven. Als het om het misbruik gaat van spierversterkende middelen tenminste. Want éen voordeel van het dopinggebruik zal zo’n sporter eeuwig blijven houden, ook zonder nieuwe doping.

Is het ook nog zo dat al wie op enig niveau sport daarmee niet alleen hun spieren krachtiger maakt. Ook het skelet verandert, de pezenboel, tot zelfs de hoeveelheid bloed in iemands lichaam — topsporters hebben daar aanzienlijk meer van.

En dat had ik mijzelf lang geleden al bedacht zonder daar persberichten van universiteiten voor nodig te hebben.

Dus wie met hulp van wat chemie sterker wordt gemaakt dan er van nature had ingezeten, waardoor het lijf zwaarder te belasten is met training, heeft daarmee zijn of haar hele lichaam voor altijd op een hoger plan gebracht.

In de praktijk speelt alleen ook dat als je toevallig in een land woont waar het een staatsbelang is om gouden medailles te oogsten — zoals Rusland, Kenia, of Jamaica — je doorgaans betrekkelijk ongehinderd doping zult kunnen gebruiken. Geen sportbond of -koepel kan dan namelijk eerlijke controles afdwingen.

Verhalen over de wens tot een eerlijke sport blijven allereerst verhalen.

Overal waar financiële belangen spelen, of de grandeur van een staat, zal vals worden gespeeld.


Olympyske spullen
Overwegingen | week 06

Als iets je vrijwel onverschillig laat, dat anderen interesseert, en jou vroeger toch ook ergens wel, roept dit de vraag op: hoezo?

Hoe komt het bijvoorbeeld dat ik nog tot in detail weet wie er in 1984 voor Nederland deelnamen aan de Olympische Winterspelen in Sarajevo? Die het Vaderland geen enkele medaille bracht, nauwelijks verhalen opleverde, en 34 jaar geleden plaatsvonden in een land dat niet eens meer bestaat? Terwijl ik nu al gauw begin te stotteren als het er op aankomt om ook andere namen te noemen van de huidige deelnemers onder de snelschaatsers dan die van de veteranen met al meerdere titels op hun palmares.

Langebaanschaatsen komt natuurlijk met het grote nadeel van de abstractie. Deelnemers rijden hun rit met slechts éen directe tegenstander, terwijl de grootste concurrentie komt van zoiets kil mechanisch als de lopende klok.

Om zo’n sport spannend te krijgen, is vereist dat je zelf ook tijd investeert en meerdere ritten bekijkt, om zo’n rit dan goed te kunnen vergelijken met de belangrijkste die al geweest zijn.

Helpt het bovendien nogal om je helden te maken, en daarmee in hun wederwaardigheden te investeren.

Snelschaatsen is zo bezien een nogal geconstrueerd iets. En blijkbaar was mijn liefde daarvoor vroeger ook al nooit spontaan. Alleen bestond er toen nog de spanning dat mijn medevaderlanders zo zelden iets wonnen, dat elke veroverde medaille nog een gebeurtenis was.

Sinds de verregaande professionalisering van de sport, in Nederland alleen, is het inmiddels eerder bijzonder als een Nederlander eens niet wint — Sven Kramer op de 10 kilometer — dan wanneer er wel goud wordt veroverd.

Maar misschien is het allemaal nog simpeler, en houd ik er gewoon niet meer van als een evenement nogal gepusht wordt; als zou het vreselijk belangrijk zijn. Want sport is nu eenmaal vrijwel nooit belangrijk. Behalve voor de betrokken sporters, hun familie, wat sponsoren, en voor de media die advertentieruimte willen verkopen.


Lewd Rubbers
Overwegingen | week 07

Van de doden niets dan goeds, zo leek het van de week, bij het overlijden van oud-premier Ruud Lubbers [1939 — 2018] — die bij leven ook altijd al zo’n opvallend onkritische pers had genoten. Terwijl hij het toch was die er bijvoorbeeld mee begon om staatsbedrijven te privatiseren; wat de dienstverlening van zulke ondernemingen aanzienlijk duurder en slechter maakte, en minder goed controleerbaar bovendien.

Och arm, wat een staatsman was er met hem heen gegaan.

Dat hij weleens sjoemelde; zelfs als minister-president van Nederland; alleen al om bijvoorbeeld het bedrijf van zijn familie, Hollandia-Kloos, te helpen, is dan zo’n detail dat vrijwel onbenoemd bleef. [1] [2]

Waren er ook de vrouwengeschiedenissen nog in en rond Het Binnenhof, die hem de bijnaam Lewd Rubbers opleverde; bedacht door een buitenlandse correspondent.

Alleen werd daarover zelfs al collectief gezwegen in het openbaar toen die affaires nog speelden. Mijn eigenste weblog is met een postje uit 2004 tegenwoordig zelfs de eerste vindplaats online voor ‘Lewd Rubbers’. Toch heb ik niets hierover verzonnen.

Lubbers kreeg geen leuk erebaantje ergens na zijn periode als minister-president, anders dan zo veel oud-premiers. Wel werd hij uiteindelijk nog VN Hoge Commissaris voor de vluchtelingen (UNHCR). Waar er weer een vrouwengeschiedenis was, die hem op den duur tot aftreden dwong.

In mijn herinnering werd er in de Nederlandse media nogal lacherig gedaan over de aanklacht van Cynthia Brzak. Zo’n preuts Amerikaans wijf…

Maar goed, tijden hebben tijden. Sinds vorig jaar moet iedereen toch duidelijk zijn dat vrouwen zich gemiddeld genomen heel wat moeten laten aanleunen van mannen; helemaal als zo’n man denkt zo machtig te zijn dat hij met bijna alles weg kan komen.

#MeToo zette mij eerder al eens tot gedachten aan over het sexuele wangedrag van die andere oud-premier, de lul met vingers Jan Peter Balkenende. Ook van hem is bekend dat hij zijn handen niet thuis kon houden. Werd alleen de journalist die dit beschreef door zijn collega’s melaats verklaard, niet de toenmalige minister-president.

Benieuwd kortom of er nog eens een #MeToo-zaak tegen Balkenende komt — ook al omdat het de tijd zou tekenen als dat gedrag bijvoorbeeld wel tot strafvervolging zou kunnen leiden, en zijn oorlogsmisdaad niet om de illegale inval in Irak te steunen.

  1. men noeme onder meer: de R3-affaire, de Mercon-affaire met koppelbazen, de Koeweit-zaak met de achterstallige betalingen aan Hollandia-Kloos [ ]
  2. update: RTL-Z had er wel summier aandacht voor. [ ]

Gemeten
Overwegingen | week 09

Helemaal routine is de handeling nog niet. Ik denk er niet altijd aan om de WiFi op mijn telefoon uit te zetten voor ik de deur uit stap. Terwijl dat wel zou moeten.

De WiFi-chip van mijn telefoon verandert namelijk in een zendertje buiten het bereik van het vertrouwde netwerk thuis. Een zendertje dat voortdurend peilt of er WiFi-netten in de omgeving zijn. Het modem in mijn telefoon wil daar dan verbinding mee maken, als dit kan. En bij het zoeken naar zo’n nieuwe verbinding wordt ook informatie uitgezonden. Kijk, dit is het hardware-adres van mijn WiFi-modem zegt mijn telefoon daarbij, onder meer.

En die uitgestraalde informatie wordt inmiddels gretig geoogst. En daarbij wordt niet eens alleen het unieke MAC-adres van het WiFi-modem vastgelegd. [1]

Het is namelijk geen toeval dat supermarkten als Albert Heyn gratis WiFi aanbieden in hun filialen. Dezelfde techniek kan ook gebruikt worden om te meten hoe klanten zich door de winkel bewegen. En hoe lang ze daar bij ieder schap staan. Hoeven die klanten niet eens die gratis WiFi te gebruiken. Het volstaat daarbij al dat de WiFi op hun telefoons aanstaat, omdat deze dan peilt of er misschien ook WiFi-netten in de buurt zijn.

En nergens in welke Albert Heyn ook heb ik mogen lezen dat deze supermarkt het hardware-adres van de telefoons van bezoekers niet koppelt aan de kassabonnen van zo’n klant.

Albert Heyn zal vast ook aangeven enkel goede bedoelingen te hebben met dat meten. Of het excuus klaar hebben liggen alleen aanbiedingen naar de telefoons van klanten te pushen die in de winkels én automatisch inloggen op het WiFi-net, én toestemming hebben gegeven om zo’n lokale dienst te ontvangen.

Punt is ondertussen dat niet alleen grote supermarkten bezoekersgedrag meten. Gratis WiFi is overal. In de bus. In de trein. Op de stations. In menige publieke ruimte, zoals in de ziekenhuizen.

En zelfs op straat.

Waar menige gemeente, in de wens een ‘smart city’ te zijn, tegenwoordig peilt hoe bezoekers zich er door het centrum bewegen.

Dat wordt allemaal wat veel. Bovendien is er bedroevend weinig wetgeving om te garanderen dat ik me nog altijd anoniem door de wereld kan bewegen als ik dat verkies. Zonder dat er profielen worden aangelegd over mijn gedrag. Verder bezitten gemeenten helemaal de kennis niet om zelf hun smart city-ideeën uit te voeren; dat doen almaar groter wordende bedrijven, die heus niet op éen enkele plaats actief zijn.

En al die Little Brothers samen, vormen inmiddels een behoorlijk intimiderende Big Brother. Helemaal als per vergissing blijkt dat er weleens bestanden worden gekoppeld.

  1. Bluetooth, als dat aanstaat, zendt overigens vergelijkbare informatie uit, buiten de vertrouwde omgeving thuis of op het werk. [ ]

Opruiming
Overwegingen | week 10

Dat een auto op het Wad daar weg moet worden gehaald, is nog wel te begrijpen. Er zit olie en benzine in zo’n ding. En de Waddenzee is een natuurgebied.

Wonderlijk overigens dat Stan [19] meende dat hij op het strand aan het rijden was toen hij bij Sint Jabik bij eb de Waddenzee op ging. Daar moet je misschien een Brabander voor zijn.

Dat zijn auto niet al meteen vastliep in het slik, kwam doordat het al een week aardig gevroren had. De vorst zat in de grond.

Dus werkte Murphy’s Law pas toen er aan twee voorwaarden was voldaan: Man kende de omgeving niet, en de omgeving had voor éen keer andere eigenschappen dan normaal, waardoor de stunt niet meteen al strandde.

Maar van de week had ik het vaker over de gruwelijke opruimlust van de Nederlanders. Teken waarschijnlijk dat dit land ontiegelijk rijk is; als het geld uitgeven wil.

Zo bestaan mijn kleuterschool noch mijn lagere school al enige tijd niet meer, behalve dan in de herinnering. En voor mijn zus bestaat er fysiek zelfs geen enkele onderwijsinstelling meer waar ze ooit zo veel jaren van haar leven heeft doorgebracht.

Wat diploma’s zijn daarmee nog het enige tastbare bewijs dat die scholen ooit hebben bestaan. Want ja, die gebouwen dateerden allemaal van na de oorlog, en zouden nooit tot monument worden uitgeroepen. Dat kon allemaal wel weg. Opdat er andere goedkope bouw voor in de plaats kon komen, wel met isolatie deze keer, of wat de nieuwe eisen ook maar waren.


Stemming
Overwegingen | week 11

Er bestaat online een stemwijzer voor mijn woongemeente. Dat scheelt. Want ik had werkelijk geen idee waarover men zich hier ter plaatse in het bijzonder druk maakt. Wat zou er ook kunnen spelen, aan ruimtelijke ordening, of aan subsidies voor cultuur?

Nu ja, de Koopzondag. Die kwestie sleept al even aan. Alleen al omdat in alle omringende gemeenten ondertussen de supermarkten gewoon alle dagen van de week open zijn, en de andere winkels ook nog éen zondag in de maand.

Al te schokkende of principiële keuzes legde de stemwijzer me evenwel niet voor. Het is niet heel moeilijk om als fietser wat meer vrij liggende fietspaden te wensen. Al zou aanzienlijk strengere handhaving van de maximumsnelheid, helemaal in 30 km/uur-zones, me heel wat liever zijn.

Alleen gaat de gemeente daar nu net niet over.

Toen ik een journalistje in opleiding was, diende ik nogal wat te schrijven over de toen ras naderende Provinciale Staten-verkiezingen. Doel was heel basale voorlichting. Het lezerspubliek hoorde meer te weten over wat de Provincie precies allemaal deed dan er waarschijnlijk was aan algemene kennis.

Daartoe praatte ik dan met een reeks mannen, en een enkele vrouw, die bij de provincie in dienst waren, over wat zij zoal deden van dag tot dag.

Zo’n serie verhalen zou ik eigenlijk ook weleens over de gemeente willen lezen — hoeft dat niet eens mijn gemeente te zijn. Want weliswaar heb ik als pril journalistje ook raadsvergaderingen verslagen, heel veel sjoege van wat lokale overheden nu precies doen, is er niet — helemaal niet als het gaat om de onderwerpen waar de plaatselijke politiek niets over te zeggen heeft; de taken die vanuit het Rijk zijn opgelegd.

Marcel van Roosmalen ging eens in zijn gemeente met de lijsttrekkers praten, en ontdekte daarbij dat iedereen eigenlijk hetzelfde vond. Ongetwijfeld zullen de raadsvergaderingen er eindeloos duren; het narcisme van het kleine verschil is in zulke gevallen groot.

Toch, pas als democratie zo tergend saai is, deugt deze.


Sleepnetwet
Overwegingen | week 12

Het beste aan die onverwacht gunstige uitslag van het referendum woensdag zal zijn dat er voor het eerst iets van bewustzijn lijkt te bestaan over privacy in Nederland. Helemaal bij de jongeren; die stemden massaal tegen.

Voor het eerst weer sinds de protesten tegen de volkstelling begin jaren zeventig dan.

Privacy is geen simpel onderwerp. En mij intrigeert het toch, al vijfentwintig jaar inmiddels. Niet eens alleen uit de elementaire wens gewoon met rust gelaten te willen worden. Door wie dan ook. Maar inmiddels juist omdat privacy-vraagstukken nogal principiële kanten hebben.

Want, is dit de samenleving waarin wij willen leven? Waarin bedrijven online momenteel ons gedrag zo goed in data hebben weten te vangen, dat ze in staat zijn om dat gedrag stiekem bij te sturen — door ons enkel gekleurde informatie voor te zetten online?

Bescherming tegen de gulzigheid waarmee de Facebooks van deze wereld ons in kaart brengen, en manipuleren, moet dan van de overheid komen. Alleen heeft die er zelf ook zo’n vervelend handje van om databases aan te leggen over ons; zonder zich te bekommeren over de kwaliteit van de opgenomen informatie.

Ik schreef daar al zo veel vaker over.

Dus zie ik ook dat de machtsgreep in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv), die het de geheime diensten mogelijk maakt het internetverkeer van iedereen op te slaan, past in een patroon; en daarmee eerder een symptoom is, dan een nu even bestreden kwaal.

Toen in 2005 werd aangekondigd dat de vingerafdrukken die iedereen moest afstaan voor een nieuw paspoort, of een ID-kaart, ook centraal zouden worden gaan opgeslagen, duurde het wel erg lang voor anderen dan ik daar het probleem van inzagen. Alleen al omdat geen publiek medium er over berichtte.

Zo zou het ook tien jaar duren voordat duidelijk werd dat zeker een kwart van de afgenomen vingerafdrukken nooit correct was vastgelegd.

Was er ondertussen ook de verplichte dataretentie nog, die het de telecombedrijven en internetproviders verplichtte om alle metadata vast te leggen over ons communicatiegedrag. Het Europees Hof moest er aan te pas komen om uit te leggen dat dit tegen alle privacy-regels inging. Onze politici was dat tien jaar lang niet aan het verstand te peuteren geweest.

In de aanloop naar het referendum zag ik op TV zowel onze minister-president als de minister van Binnenlandse Zaken aantoonbaar liegen over de Wiv — anders dan zij beweerden hadden de geheime diensten de bevoegdheid al om kabels af te tappen; voorwaarde was alleen dat dit gericht moest gebeuren, en niet willekeurig zoals nu ineens mag.

En als politici zeggen: vertrouw ons toch vooral. De Nederlandse overheid heeft het beste met u voor. Dan moeten ze zeker niet zo makkelijk aantoonbaar gaan liegen. Want dan kan ik dezulken echt geen tel meer serieus nemen. Dan zijn het domweg bullshitters.

Geen is trouwens ooit in staat gebleken om uit te leggen waarom grondrechten er zo weinig toe doen. Of om te verklaren hoe de Nederlandse overheid als enige in de wereld in staat is om eenvoudige statistische wetten te weerleggen. De wereld wordt er niet veiliger van door zonder benul nog meer data vast te leggen. Daar neemt het tal valse positieve meldingen hoogstens sterker van toe.

Dus weet je ook: omdat basale kennis over dataverzamelingen er nooit toe heeft gedaan, er zal niets met de uitslag van dit referendum gaan gebeuren.

Ziet ook het dossier privacy op boeklog.


Hij hangt weer
Overwegingen | week 13

Het Vaticaan zette de afgelopen week nog een publiciteitsoffensiefje in, met als strekking: ‘de hel bestaat wel’. En de paus had echt het tegendeel niet beweerd. Anders dan éen of andere pipo zei na een gesprek met de Heilige Vader.

Er was anders ook een wel heel fundamenteel deel van dat hele christelijke geloof weggevallen.

Nu is die hel voor mij éen van de meest onbegrijpelijke elementen van georganiseerde religies. Of erger nog: dat het normaal schijnt te zijn om kleine kindjes al te hersenspoelen met de idee dat a] het leven eindig is, b] en dat de voortzetting daarop plaatsvindt in óf de hemel óf de hel. Voor alle eeuwigheid. Waarbij er dan ook nog streng protestantse gezindten bestaan die heel zeker weten dat van tevoren al bepaald is voor wie de hel wacht en wie niet — die dubbele predestinatie van het calvinisme.

Depressie komt ook nogal wat vaker voor dan gemiddeld in de regio’s waarin mensen worden opgevoed in het besef dat het allemaal niet uitmaakt wat ze doen, want zondaars zijn ze toch al.

Katholieken hadden tenminste de biecht nog, waarmee ze vergeving konden krijgen voor begane zonden.

Niettemin. Vrijdag werd herdacht dat Hij stierf aan het kruis, zo plaatsvervangend boete doend voor al onze zonden, en vandaag wordt gevierd dat Hij drie dagen later verrees. In Nederland komt daar nog de traditie bij dat in de weken vooraf in menige kerk die hele kruisgang van Jezus de Christus wordt bezongen in éen van de passies die Bach daar over schreef.

De Matteüspassie (BWV 244) is daarbij het meest geliefd. Dit jaar was er zelfs een Friese versie in omloop, met een nieuwe vertaling.

Mij is de iets oudere Johannespassie (BWV 245) liever. Die duurt slechts anderhalf uur, en dus niet meer dan drie zoals de Matteüs.

Want uiteindelijk gaat het me in beide passies om de aria’s, en een enkele koorzang, en zo gerekend heeft de Mattheüs niet veel meer te bieden dan de Johannes.

Al zijn inmiddels de jaren voorbij dat ik per se éen van beide live moest meemaken.

Zo veel hangt altijd bij beide passies bijvoorbeeld af van de kwaliteit van de evangelist — als de zingzang waarmee deze het verhaal vertelt te veel opvalt, duurt zelfs de Johannes erg lang. En echt aangename evangelisten heb ik helaas te zelden meegemaakt.


Lelylijn
Overwegingen | week 14

En toen bleken er toch weer stemmen op te gaan om een zombie in beweging te zetten. Er wordt namelijk weer hardop gedacht, in het openbaar, over een rechtstreekse spoorverbinding tussen Amsterdam en Groningen, via Emmeloord en Drachten.

Ditmaal mag deze spoorlijn alleen niet de Zuiderzeelijn heten. Die naam is te besmet geraakt door alle politieke gekrakeel van ruim een decennium terug.

Werktitel is daarom nu even: Lelylijn. Voor een noordelijk Statenlid van de VVD tenminste.

De VVD. Normaliter toch dé kritiekloze auto-partij.

Het werd ook wel weer tijd voor dit idee. Eerder signaleerde ik al eens dat het om de tien, vijftien jaar opnieuw opduikt. Om dan soms zelfs even een breed draagvlak onder politici te vinden in het noorden van Nederland. Waarop deze vervolgens steevast merken dat zij in Den Haag, waar de echte beslissingen worden genomen over zulke infrastructurele projecten, geen enkele invloed blijken te hebben.

Tien à vijftien jaar, dat zal zo ongeveer de periode zijn waarin iemand gemiddeld echt politiek actief is, en dus de overtuiging heeft iets te moeten betekenen.

Het probleem bij de laatste pogingen om de Zuiderzeelijn aan te leggen, was vooral dat zo veel andere grote openbaar vervoer-projecten zo tergend knullig zijn uitgevoerd. Van de Betuwelijn tot de HSL, of noem de verbinding maar op, altijd duurde de aanleg langer dan verwacht, tegen veel te hoge kosten, waarop er vervolgens steevast nog weer andere problemen opdoken.

Hoe Nederland ooit toch die Deltawerken voor elkaar heeft weten te krijgen, dat blijft me een raadsel. Dat zoiets als visie over ruimtelijke ordening heel nuttig kan zijn, is allang geen gegeven meer.

Gezien de groeiende mobiliteitsproblemen in de Randstad, en het gegeven ook dat kabinetsbeleid zich altijd allereerst op dat gebied richt, geef ik de Lelylijn weinig kans van slagen. Willen er al nieuwe spoorwegverbindingen komen, dan zullen die bijvoorbeeld de files rond de grote steden moeten helpen verlichten.

Of er gebeurt helemaal niets, en wordt stiekem gewacht tot de zelfrijdende auto er ooit is, waarmee de bestaande wegen aanzienlijk efficiënter gebruikt kunnen worden. Dat zou al evenmin uitzonderlijk zijn.

Graag had ik het heel anders gezien. Dat dan weer wel.


Sociaal
Overwegingen | week 15

Mocht vrijdagnacht toch de Derde Wereldoorlog zijn begonnen, met de bombardementen op Syrië, dan wordt alles wat ik sindsdien geschreven met terugwerkende kracht onnozel.

Nu ja, nog wat onnozeler dan normaal.

Nieuws van de week was voor mij evenwel toch de ondervraging van Mark Zuckerberg in het Amerikaanse Congress, twee dagen lang, over het beleid van zijn Facebook. Enkel omdat er ineens een wat algemener bewustzijn lijkt te ontstaan over wat voor vies bedrijf dit eigenlijk is.

Toch, die ondervragingen stelden niets voor. Politici zijn nergens expert in, en oude politici weten al helemaal niets van technologie. Er was eentje bij die al niet begreep hoe een bedrijf ogenschijnlijk gratis diensten aan kon bieden. En de vragen die er wel toe deden beantwoordde Zuckerberg niet. Hij stond nu eenmaal onder ede.

Nu heeft Facebook me nooit een tel geïnteresseerd, vanwege alle restricties. Facebook is als een vol gepist pierebadje online, waar ik al zo veel langer vrij zwemmen kon in de woeste oceaan die internet heet.

En dan kan ik het waarschijnlijk niemand kwalijk nemen lever voor de zekerheid van het pierebadje te kiezen, en enkel internet te gebruiken met zwembandjes om; met de hoop zo nooit kopje onder te gaan. Denkend zelfs dat alle gespartel daar helemaal gratis is. Alleen ga ik al zolang online met adblockers als die er zijn. Trackers van bedrijven worden geblokkeerd, of anders gewist als ik mijn webbrowser sluit. Mijn anonimiteit op internet is me lief.

Helaas maken al die voorzorgsmaatregelen dus in het geheel niet uit. Want de grote internetbedrijven, als Facebook, als Google, leggen ook gedragsprofielen vast van degenen die er geen account hebben aangemaakt. Dat kunnen ze ook makkelijk doen, door de onnozelheid van hun vaste gebruikers.

Kan ik nog zo zorgvuldig willen omgaan met mijn e-mailadres; door iedereen die me iets post van een Gmail-account is dat toch bekend geraakt bij Google.

Mag ik nog zo proberen om dat hele Facebook te negeren. Iedereen met mijn mailadres, of telefoonnummer in de contactenlijst op hun telefoon heeft Facebook allang vertelt dat ze mij kennen.

En nee, Zuckerberg ging niet in op de vraag in het Congress of Facebook schaduw-profielen aanlegt van niet-leden. Alleen is het vrijwel uitgesloten dat dit bedrijf dat niet zou doen. Dus bemoeit zo’n onderneming zich toch ook met mij. Tegen mijn zin. En daar vind ik wel iets van.


Lees:Tijd ii
Overwegingen | week 16

Nogmaals trok dat lezen mijn voornaamste aandacht de afgelopen week. Eerst om de publieke protesten van taalkundige Marc van Oostendorp over de staat van het literatuuronderwijs — tweedegraads docenten krijgen in hun opleiding niets meer mee aan literatuur van voor 1880. En een paar dagen later bracht de Raad voor Cultuur (RvC) een adviesrapport uit, met de waarschuwing dat te veel jongeren niets aan lezen meekrijgen thuis; en dat bestaande initiatieven voor leesbevordering niet goed aanslaan.

Vooral de uitspraak van de Raad dat men om het lezen te bevorderen meer moet uitgaan van wat niet-lezers interesseert, leverde nogal wat hoon op in de sociale media.

Voor mij blijft dan staan dat weliswaar overal met de mond beleden wordt hoe vreselijk belangrijk lezen is, en dat ik daar in praktijk niets van merk. Zolang als mijn boeklog blijft worden gezien als de Sisyfusarbeid van een halfidioot, zolang bestaat er hier in Nederland geen leescultuur.

Die is er ook nooit geweest.

En het lijkt me niet dat zo’n cultuur van bovenaf is op te leggen.

Van Oostendorp is al jaren kritisch over de manier waarop Nederlands wordt gegeven in het middelbaar onderwijs. En dan vooral op welke manier dat vak geëxamineerd wordt. Daar speelt ook bij mee dat hij aan een universiteit werkt, aan een Letterenfaculteit, en het tal studenten dat voor een Letterenstudie kiest enorm gedaald is.

Ik ben al decennia kritisch op de manier waarop in Nederland het middelbaar onderwijs georganiseerd is. Wat vanzelfsprekend komt omdat klassikaal lesgeven nooit heeft gewerkt voor mij. En als de premisse is dat school een leerling in elk geval moet leren wat hij of zij kàn, en waar hun interesse van nature zit, dan heeft mijn opleiding op werkelijk alle fronten gefaald.

Dus plaats ik automatisch grote vraagtekens bij iedere aanklacht over wat er verkeerd gaat in het onderwijs als daarbij voor het gemak het industriële karakter van de instellingen genegeerd wordt. Met zijn mallen, waarin iedereen misvormd wordt.

Het literatuuronderwijs op school, dat van een kwaliteit zou zijn geweest waar nu dus hevig naar wordt terug verlangd, drong aan mij op dat Harry Mulisch een groot schrijver zou zijn — wat ik toen al niet geloofde. Pas later lukte het me om de argumenten te vinden waarom; omdat gelukkig niet alle eigenzin kapot was onderwezen. Mulisch is weliswaar handig met taal, alleen toch ook een oplichter; iemand die niet denken kan.

Dat maakt het nu wel heel makkelijk om alle pretenties van literatuuronderwijs verdacht te vinden.

Tegelijk begrijp ik Van Oostendorp’s wens dat onderwijs context moet bieden. Dat Nederlands van ons komt ergens vandaan. Alleen komt die biologie van ons ook ergens vandaan, net als de wiskunde, en de economie.

Constante bij de talloze malen dat ik mensen bijles gaf in mijn leven, was ook altijd dat het benul ontbrak waarom ze leren moesten wat ze moesten leren. Dat al de aangeboden kennis ergens in wortelde, had geen ooit meegekregen. Bijles bestond daarmee ook doorgaans meer uit het wijzer maken over de wereld, dan uit het domweg drillen van weer een trucje om een examen te kunnen halen.

Onderzoeken naar de staat van het onderwijs leren steevast dat het sterk van de kwaliteit van een individuele leraar afhangt of er iets overkomt en blijft hangen, of niet. Nooit van de school, of het type school. Laat staan van de directieven vanuit het ministerie.

Het geluk om een leraar te treffen die het verschil maakte, mocht me nooit overkomen. Godezijdank had ik in dat lezen lol.


Per ongeluk
Overwegingen | week 17

Interessantste grafiek deze week kwam toch van Datagraver, die de ontwikkeling van het tal verkeersdoden afzette tegen de tijd. Waarbij de piek duidelijk lag in het begin van de jaren zeventig. Sindsdien is vooral het tal gedode mensen in auto’s sterk afgenomen.

Redenen daarvoor zijn overigens niet enkel dat de autogordel verplicht werd. Auto’s kregen kreukelzones, veel betere remmen, en airbags. En tal van wegen werden beter — en vooral prikkelarmer. Tegenwoordig vallen de meeste verkeersdoden op provinciale en gemeentelijke wegen, waarvan de meeste een snelheidslimiet hebben van 80 km/uur.

Och, als die limiet toch eens gehandhaafd werd.

Door het dalende tal doden in auto’s waren de fietsers in 2017 voor het eerst de groep verkeersdeelnemers met het grootste tal slachtoffers — de aantallen waren overigens 206 om 201. Een te verwaarlozen verschil.

Voegde het CBS daar als informatie nog aan toe: tweederde van de fietsdoden was ouder dan 65 jaar oud. En dat een kwart van de dode fietsers op een e-bike reed.

Nu vielen er in 2017 ook 25 doden te betreuren onder de bestuurders van scootmobiels. Grote vraag voor mij bij het bekijken van al zulke statistieken is daarmee: hoeveel slachtoffers hadden alleen zichzelf wat te verwijten — er rijdt inderdaad weleens een scootmobiel een sloot of vaart in — en hoeveel vielen er daadwerkelijk door deelname aan het verkeer?

Ofwel: er is ook die andere ontwikkeling aan auto’s geweest, de afgelopen decennia. Dat het publiek almaar grotere en zwaardere exemplaren ging rijden, en dat de buitenwereld steeds beter uit zulke spamblikken weg te houden viel; wat de rijsnelheid veel moeilijker in te schatten maakt. Is er ook de opmars nog van alle draagbare apparatuur waarmee de eigenaren denken de hele tijd contact met de wereld te moeten onderhouden.

Bij hoeveel ongelukken kortom was een auto betrokken vorig jaar? En bij welk percentage daarvan viel de bestuurder iets te verwijten? Dat zouden nu eens cijfers zijn die me echt interesseerden.


AVG | GDPR
Overwegingen | week 18

Later deze maand, op 25 mei, worden in de EU nieuwe regels van kracht die de bescherming moeten verbeteren van persoonlijke gegevens. Deze richtlijn heet de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), of op zijn Engels de General Data Protection Regulation (GDPR).

Crux van deze scherpere regels is dat elke instantie die persoonlijke informatie verwerkt daar ook verantwoordelijk voor te houden is. En dit betekent onder meer dat iedereen van wie gegevens worden vastgelegd de informatie moet krijgen dat dit gebeurt — opdat zij daarop hun toestemming kunnen weigeren.

Wetten komen alleen altijd met onbedoelde consequenties. Zo ben ik, enkel omdat ik twee weblogs heb, ineens zo’n dataverwerkende instantie geworden als bedoeld onder de AVG/GDPR. Want achter deze weblogs draaien wat simpele statistiekenscripts, die bijvoorbeeld tellen hoeveel mensen er langskomen op een dag, en welke pagina’s zij daarbij bekijken. Ik doe verder niets met deze informatie. Die is vooral aardig om te weten.

Wel wordt er automatisch ook van alles vastgelegd dat me helemaal niet interesseert. Zoals wat het besturingssysteem van de computers van zo’n bezoeker was, en de grootte van zijn of haar scherm.

Significant bij dit alles is vooral dat ook het IP-adres van bezoekers wordt opgeslagen, en volgens de huidige jurisprudentie geldt dat als een persoonsgegeven. Zelfs al kunnen er in de praktijk hele universiteiten schuil gaan achter éen enkel gebruikt internet-protocoladres, een persoonsgegeven blijft het.

Nu had ik dit allemaal ook kunnen negeren. Zowel boeklog als eamelje.net zijn altijd gehost in de VS; daar geldt die hele GDPR niet. Alleen drong zich daarmee de vraag op: heb ik dan niet aan nog weer andere wetten te voldoen, nu er data over EU-burgers geëxporteerd wordt naar Amerika — het meeste bezoek aan mijn sites komt nu eenmaal uit Nederland en Vlaanderen?

Gelukkig bleek me uiteindelijk dat er een ontheffing van alle verplichtingen bestaat voor websites zonder commercieel doel. Maar het duurde wel lang voor me dat duidelijk werd. En enkel de Duitse wetgeving is hier trouwens echt helder over.

Het was ook wel raar geweest als mijn gewoonte om zo af toe publiek wat aantekeningen online te plaatsen, mij nu ineens met allerhande bizarre plichten had opgescheept. Of dat een politiek besluit me gedwongen zou hebben om de vrijheid op te geven wat eigen websites te onderhouden; en me verplicht naar de grote commerciële weblogplatforms had gedreven; die ongetwijfeld wel de mankracht hebben om goed met die GDPR om te gaan.


Ik denk nog na
Overwegingen | week 19

Toen ik, lang geleden alweer, met dit weblog begon, en wat later boeklog erbij ging doen, was dat allereerst omdat het kon. Niet omdat er iets moest.

Sindsdien heeft vooral boeklog zijn nut bewezen, als extern geheugen. Eamelje.net is altijd te vormloos gebleven om makkelijk nog te kunnen weten wat hier allemaal vastgelegd werd, zoal.

Mooi aan de weblogs is vooral dat er niets mee hoeft. Er zijn daarom ook jaren geweest dat er amper iets op deze website verscheen. Iets online zetten, moet vreugde brengen, en iets een spel blijven houden; anders wordt zo’n website werk.

Nadeel van de totale vrijheid hier is wel dat ik iets aan ambitie verloren ben. Want ooit, helemaal in mijn beginjaren als journalistje, leek het mij fantastisch om ergens een vaste column te krijgen. Alleen hebben columns aan een hele reeks strikte eisen te voldoen, die ernstig kunnen gaan kwellen. Anders dan voor mijn weblogjes geldt.

Alle vrijheid hier contrasteert zo met de gebondenheid elders.

Zo ligt de lengte van een column doorgaans vast, terwijl in mijn ervaring een tekst slechts zo lang moet zijn als deze toevallig is. En snijden in te lang materiaal is al vervelend, weinig pakt vervelender uit dan om een tekst aan te moeten lengen om aan het geëiste formaat te komen.

En zelfs onder de schaarse columnisten die ik liefheb, zijn er nogal wat verdunners. Helemaal als op zulke schrijvers de plicht rust om een opinie te verkondigen.

Toegegeven, andermans opinies kunnen heel nuttig zijn, om een beter begrip te krijgen van zaken. Al geldt dat doorgaans pas als die meningen gebaseerd zijn op feiten die nieuw zijn voor mij. Maar aan nieuwe feiten ontbreekt het doorgaans zeer.

Oftewel, het is niet aan mij om andermans werk als overbodig te verklaren. Toch had aan menig opiniestuk enkel de maker misschien nog wat, en de rest van de wereld aanzienlijk minder. Als zo iemand mij al niet toespreekt alsof ik verregaand onnozel zou zijn.


Kunst
Overwegingen | week 20

Drie gedachten had ik, tijdens het media-offensiefje deze week over het nieuw ontdekte schilderij van Rembrandt.

Waarvan de eerste toch was: wat een in-en-in Nederlands hoofd heeft dat afgebeelde joch. Typisch zo’n iets te volgevreten arrogante kop als je tegen zult komen op een moment dat het eigenlijk niet uitkomt.

Moest ik iemand met dit hoofd typecasten voor een film, dan werd hij een dronken gast in een uitgaansstraat die knokken wil, of zo eentje die ’s avonds laat in een bijna leeg treinstation vrouwen blijft lastigvallen.

Mijn tweede gedachte was éen van verbazing. Merkwaardig dat van dit schilderij eeuwenlang niet geweten is dat Rembrandt het maakte. Kijk alleen naar de manier waarop dat haar is geschilderd, met de krassen in de verf altijd die van een afstandje krulletjes worden.

Ontdekker Jan Six viel direct op hoe de geportretteerde kijkt — omdat die blik zo direct is, vergeleken met hoe andere 17-eeuwers schilderden.

Mij is bij Rembrandt enkel opgevallen dat hij al dat vlees om het oog van de oogleden vrijwel altijd op eenzelfde manier doet.

Waarop mijn derde gedachte wel éen van relativering moest zijn. Rembrandt is voor Nederlanders de belangrijkste schilder uit de Gouden Eeuw. Dus ken ik zijn werk nogal wat beter dan wie van zijn tijdgenoten of navolgers ook.

Maar er werden miljoenen schilderijen vervaardigd tijdens die bloeiperiode. En de meeste daarvan zijn verdwenen. Dus kan bij mogelijke schilderijen van Rembrandt de wens zo makkelijk vader worden van de gedachte.

Aan de man worden vierhonderd nog bekende schilderijen toegeschreven. Van honderdvijftig is die toeschrijving omstreden.
 


Philip Roth [1933 — 2018]
Overwegingen | week 21

Als er geen werk van een schrijver voorkomt onder de ruim 3400 boeken die ik uit las sinds 31 december 2004 dan kan dat twee dingen beteken. Of ik ken hem of haar niet. Of hun werk was voor mij niet te lezen.

Voor Philip Roth geldt alleen nog iets veel ergers. Ooit las ik hem wel, en soms zelfs met graagte. Alleen bleek vervolgens geen van die boeken herleesbaar te zijn — terwijl herlezen voor mij de grote betekenis heeft het ware lezen te zijn.

Roth was daarmee voor mij een cultureel verschijnsel geworden, zoals er wel meer van dat slag schrijvers zijn. Iedereen, al waren dat dan immer mannen, deed altijd geweldig druk over zijn boeken. Elk jaar oktober weer was er die roep om Philip Roth nu eindelijk de zo verdiende Nobelprijs te geven; en daarop de teleurstelling dat een ander daar mee weg was gelopen.

Onder vele in memoriams die ik zag, waren ook wel erg weinig van vrouwen. En die ik daarop las gingen dan gauw eens slechts in op de betekenis van éen boek voor hen persoonlijk; nooit het oeuvre.

Wat dan precies mijn probleem werd met dat werk? Ik kan daar moeilijk een vinger achter krijgen.

Weinig schrijvers hebben nog iets nieuws te vertellen als je meer dan tien boeken van ze hebt gelezen. Dan is bekend wat zij in hun werk verkennen. Dit gegeven zal zeker op gaan. En onder de boeken van Roth die ik las waren ook nogal wat matige romans achteraf gezien. Vrijwel al die Zuckerman-boeken bijvoorbeeld, en hun vervelende spel met het doppelgängermotief, dat alleen spannend is voor Letterenfaculteiten.

Kwam daar de verzadiging bij die een ervaren lezer gauw eens kwellen kan, zeker bij romans, dat als iets nu nog indruk maakt, dat toch onvergelijkbaar veel minder indruk is dan toen alle lezen nog een echte ontdekkingstocht was.

Roth was op een gegeven moment voor mij gewoon een Amerikaanse schrijver geworden, met de nogal vrouwonvriendelijke trekjes die bij mannen van zijn leeftijd scheen te horen. Bellow wordt om eenzelfde reden oninteressant, en zelfs Updike. En ja, ik weet dat Roth zich tegen het etiket verweerd heeft misogyn te zijn, en zelfs een roman schreef waarin hij zich verdedigde tegen die beschuldiging: The Counterlife.

Maar ooit las ik dus wel Portnoy’s Complaint, op precies de goede leeftijd; toen masturbatie voor mij nog een taboe-onderwerp was. En ruim tien jaar later maakte Sabbath’s Theater van Philip Roth nog eens grote indruk door de humor, vaart, en schrijfstijl. Twee keer was dus er wel een sterke click, bij eerste lezing — en dat is wel nog altijd meer dan de meeste schrijvers lukt.


Aanwakkerende krachten
Overwegingen | week 22

Ik moet toegeven als journalistje weleens mensen gecensureerd te hebben. Die zeiden dan zulke puur racistische dingen dat het me beter leek hun woorden niet in de krant te zetten, of hoogstens sterk geparafraseerd. Dit was overigens allereerst bedoeld om deze mensen tegen zichzelf te beschermen. Media-aandacht stelde toen nog wat voor. Openlijke discriminatie was nog een groot taboe. Vrijwel iedereen die zich al te stevig uitdrukte in het vuur van het moment, zou daar last van kunnen krijgen, maatschappelijk gezien.

Dat was vijfentwintig jaar geleden. En meestal gingen zulke conflicten indertijd om een centrum voor asielzoekers dat ergens moest komen — of juist op de nominatie stond om te verdwijnen.

De geluiden waarmee later Pim Fortuyn, of later Geert Wilders, electoraal zouden gaan oogsten, waren ook toen al te horen. Zij het enkel op lokaal niveau. In een gemeenteraad, hier of daar, hoogstens vertegenwoordigd door een partij met een plaatselijk belang.

Meest intrigerend aan de opkomst van Fortuyn was daarom ook niet wát hij zei, maar hoe gesettelde partijen zich met de landelijke journalistiek aaneensloten tot een massaverbond om toch vooral dat vreemde insluipsel buiten te houden. Zelden zo veel mensen ooit in zo korte tijd zo pijnlijk door de mand zien vallen om hun vooringenomenheid — en vooral door hun gebrek aan goede argumenten.

Nederland is een uitermate rijk en goed georganiseerd land, waarin zelfs plotselinge natuurrampen als een lokale wolkbreuk doorgaans tot opvallend weinig overlast leiden. De politiek hier was daarom altijd saai, en zo hoorde dat ook. Waardoor het me altijd in hoge mate bevreemd heeft dat een positie in de parlementaire pers in Den Haag voor veel journalisten het hoogste scheen dat ze in het vak konden bereiken.

Komt daar bij dat de enige manier om goed over politiek te berichten er voor mij uit bestaat om juist niet met politici te praten, en enkel te schrijven over wat hun beleid heeft uitgehaald.

Helaas is dat mooie ideaal volstrekt onmogelijk, zoals zo vaak eerder beschreven, omdat de Algemene Rekenkamer elk jaar weer moet melden dat geen ministerieel departement het eigen beleid ooit schijnt te wegen op uitkomsten.

Dus zijn er al heel lang andere manieren van politieke verslaggeving nodig dan nu nog altijd worden ingezet. En het bevreemdt me dat ik daar toch zelden goede beschouwingen over lees. Goed, vorige week kwam er dan eens éen op mijn pad. Waarin Whitney Phillips antropologisch beschrijft hoe de Amerikaanse pers de afgelopen jaren extreem-rechtse standpunten is gaan rondtoeteren; mede omdat er bewuste campagnes waren om dat geluid gehoord te krijgen; waarmee de nieuwsmedia een stevige factor werden in de polarisering van het land.

Er zijn dus lessen te leren uit de fouten die Amerikaanse journalisten hebben gemaakt. Net als er lessen getrokken hadden kunnen worden uit de hetze tegen Fortuyn, en de moord daarvan het gevolg.

Maar zijn die ook getrokken? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Wilders werd allereerst groot gemaakt door potsierlijk veel media-aandacht van doorgaans sterk subjectieve aard, en met Baudet is precies dezelfde fout weer gemaakt.


Infrastructuur
Overwegingen | week 24

Bij de haaietanden aan de overkant van de weg stopte vrijdagmiddag een fietser op leeftijd. Deze stapte daarbij zo onhandig af, dat hij viel. Naar rechts. Waar gelukkig voor hem de gemeente al tijden niets aan het hoge gras had gedaan, zodat hij relatief zacht landde. Op zijn rug.

Niettemin zat de schrik er stevig in bij de man.

En zoals altijd bij ongelukken kwelde me daarna de vraag: had ook mij dit kunnen overkomen? Waarop het antwoord in dit geval nee is, voor de verandering. Ik heb een hekel aan afstappen. Als het ergens niet mogelijk is om meteen over te steken, rol ik heel langzaam naar de weg toe, om desnoods nog een sur place aan te nemen. Afstappen onderweg gebeurt normaal vrijwel alleen als ik ergens in colonne fiets, en met de groep voor een verkeerslicht moet wachten.

Grootste kans op een ongeluk, of een val, heb ik naar mijn gevoel op de plaatselijke rotonden. Alwaar de wetgever bedacht heeft dat auto’s voorrang moeten geven aan fietsers, en zo een vertrouwen in automobilisten heeft gesteld dat een wel heel groot deel nogal eens beschaamt.

Zij kunnen de verantwoordelijkheid slecht aan.

Ze kunnen de snelheid al niet eens inschatten van een fietser op een rotonde. En ik op mijn beurt weet echt niet of een auto die veel te hard op het rondpunt komt aanrijden nog zal remmen of niet, op het allerlaatst.

De ANWB hield een enquête onder zijn leden, naar wat zij meenden dat de oorzaken waren geweest van hun ongelukken met de fiets. 435 mensen namen de moeite die vraag te beantwoorden. En een kwart van hen meldde dat dit kwam door problemen met het wegdek. Van gaten in de weg, tot en met losliggende tegels.

52 waren onverwacht tegen een paaltje gereden.

62 keer had een rand van de weg tot een ongeluk geleid.

In meerderheid werden er door deze zelf geselecteerde groep dus oorzaken aangewezen buiten henzelf. Infrastructurele problemen.

Daar kunnen ze gelijk in hebben, of niet, ik kan dat niet inschatten. Want om een voorbeeld te geven. Mijn laatste nare val, ruim tweeënhalf jaar geleden, vond plaats omdat het voorwiel van mijn fiets plots onderuit gleed in een bocht die veel gladder was dan normaal door natte wegrottende bladertroep.

Is dat een fout van de infrastructuur? Had de wegbeheerder dat fietspad niet moeten schoonvegen, omdat rottende bladeren het wegdek in zeep veranderen? Of kwam de val door mijn eigen onnozelheid, door net iets te hard, al was dat niet hard, die onverwacht gladde bocht te nemen?

Voor beide is veel te zeggen. Maar naar de gemeente bellen met een klacht heb ik toch echt niet gedaan.


Tender age care facilities
Overwegingen | week 25

Toen ik laatst het boek van Femke Halsema las, over de vluchtelingenproblematiek, was een opvallende constatering dat ik me daar vroeger drukker over maakte dan op het moment. En zo’n verschuiving is op zich wel interessant. Want hoe kan zoiets? Het is niet alsof de toen al bestaande problemen inmiddels opgelost zouden zijn, of minder urgent werden.

En dan denk ik dat er twee zaken spelen. De eerste is de verruwing van het politieke debat, en de verregaande verrechtsing van alle middenpartijen sinds de moord op Pim Fortuyn, die me ergert. Want eerst heeft iedereen toegelaten dat Geert Wilders het onderwerp immigratie mocht domineren. En vervolgens heeft menigeen zijn retoriek overgenomen. Tot en met de gekleurde en vaak zelfs fascistoïde woordkeuze aan toe.

Ook de minister-president sprak gisteren na een EU-top als vanzelfsprekend over de ‘stroom vluchtelingen’ die onze kant op wil komen.

Alleen denk ik allang niet meer dat immigratie dé belangrijkste moeilijkheid is waarvoor ons land, of de EU, nu zou staan. Al de kabinetten met CDA en VVD erin hebben de rechtstaat hier bijvoorbeeld aanzienlijk verzwakt — wat daarmee telkens de tendens heeft versterkt dat overheden hier altijd gelijk krijgen; zelfs al hebben ze het grootste ongelijk. Dat is een stille machtsgreep waar het mij veel te weinig over gaat.

Is er dat andere zo blinde en kritiekloze geloof nog, in de zegeningen van de markt, en de opvallende politieke keuzes die daardoor gemaakt worden. Waardoor zelfs iets basaals als iemands woonruimte ineens onderdeel is geworden van het casinokapitalisme. Want koop nu toch vooral een huis, zelfs al zijn ze nog nooit zo duur geweest, dat kan enkel meer waard worden.

Speelt er nog dat milieu, en de opwarming van de aarde — over een decennium of wat zal er daardoor echt een vluchtelingenprobleem ontstaan, als er miljarden nieuwe huisvesting moeten vinden — en immigratie staat voor mij niet eens in de top tien van echt dringende problemen.

Waardoor mij dus ook bevreemdt dat immigratie voor zovelen wel het allerbelangrijkste onderwerp denkbaar lijkt te zijn. Wie zo slecht analyseren kan, of zich zo makkelijk laat ophitsen door machtsgeile demagogen, is mijn aandacht nimmer waard.

Neemt niet weg dat er terecht een massaal protest werd aangeheven toen bleek dat de Amerikaanse overheid sinds april bij iedere illegale grenspassage de betrokken kleine kinderen, tot en met baby’s aan toe, meteen van hun ouders afpakt; en desnoods duizenden mijlen verderop opvangt in ‘tender age’ facilities.

Viel alleen ook op dat onder de Nederlandse proteststemmen wel erg weinig kennis leek te bestaan over de Vreemdelingenwet 2000, die dus nog dateert van voor de moord op Fortuyn, en dat Nederland tot 2014 menigmaal berispt is omdat kinderen, met hun ouders weliswaar, van buiten ook hier in detentie werden gehouden — terwijl het toch echt geratificeerde VN-verdrag over de rechten van het kind opsluiting nu net verbiedt. Dat is te traumatisch.

Dat is martelen, ook.