The Unknown Citizen

(To JS/07 M 378

This Marble Monument
Is Erected by the State)

He was found by the Bureau of Statistics to be
One against whom there was no official complaint,
And all the reports on his conduct agree
That, in the modern sense of an old-fashioned word, he was a saint,
For in everything he did he served the Greater Community.
Except for the War till the day he retired
He worked in a factory and never got fired,
But satisfied his employers, Fudge Motors Inc.
Yet he wasn’t a scab or odd in his views,
For his Union reports that he paid his dues,
(Our report on his Union shows it was sound)
And our Social Psychology workers found
That he was popular with his mates and liked a drink.
The Press are convinced that he bought a paper every day
And that his reactions to advertisements were normal in every way.
Policies taken out in his name prove that he was fully insured,
And his Health-card shows he was once in a hospital but left it cured.
Both Producers Research and High-Grade Living declare
He was fully sensible to the advantages of the Instalment Plan
And had everything necessary to the Modern Man,
A phonograph, a radio, a car and a frigidaire.
Our researchers into Public Opinion are content
That he held the proper opinions for the time of year;
When there was peace, he was for peace: when there was war, he went.
He was married and added five children to the population,
Which our Eugenist says was the right number for a parent of his generation.
And our teachers report that he never interfered with their education.
Was he free? Was he happy? The question is absurd:
Had anything been wrong, we should certainly have heard.

W.H. Auden


Learning to read well

To read is to translate, for no two persons’ experiences are the same. A bad reader is a like a bad translator: he interprets literally when he ought to paraphrase and paraphrases when he ought to interpret literally. In learning to read well, scholarship, valuable as it is, is less important than instinct; some great scholars have been bad translators.

W.H. Auden, The Dyer’s hand and other Essays, 4.


The Corruption of Language

There is one evil that concerns literature which should never be passed over in silence but be continually publicly attacked, and that is corruption of the language, for writers cannot invent their own language and are dependent upon the language the inherit so that, if it is corrupt, they must be corrupted. But the critic who concerns himself with this evil must attack it at its source, which is not in works of literature but in the misuse of language by the man-in-the-street, journalists, politicians, etc. Furthermore, he must be able to practice what he preaches. How many critics in England or America today are masters of their native tongue as Karl Kraus was a master of German?

W.H. Auden, The Dyer’s hand and other Essays, 11.


Indications

The degree of excitement which a writer feels during the process of composition is as much an indication of the value of the final result as the excitement felt by a worshipper is an indication of the value of his devotions, that is to say, very little indication.

W.H. Auden, The Dyer’s hand and other Essays, 15.


On Reviews

If, when a reviewer whose taste I trust condemns a book, I feel a certain relief, this is only because so many books are published that it is a relief to think – ‘Well, here, at least, is one I do not have to bother about.’ But had he kept silent, the effect would have been the same.

W.H. Auden, The Dyer’s hand and other Essays, 11.


The Dyer’s Hand

British writers often use phrases from well known poems as titles for their book. So well known are those poems in fact, it is assumed that any literate person will spot the reference immediately. These book titles are never explained, even if they’re a bit weird.

So, even though The Dyer’s Hand by Auden has been one of my favourite books for many years, I never understood the title.

But, sometimes it is a bliss Americans know as little about those references as any non-native speaker of the English language does.

[Shakespeare’s] duties as playwright and player are deplored as “public means” in Sonnet 111, a lament at Fortune, the “guilty goddess” who did not “better for my life provide / Than public means which public manners breeds” so that “my nature is subdued / To what it works in, like the dyer’s hand.”

Dirty work, in other words, though lucrative. […]

John Updike, in the New Yorker


Dode dichters | W.H. Auden


click image to play. 0.37 minutes

Volgende week woensdag is het honderd jaar geleden dat de dichter Wystan Hugh Auden werd geboren. En onder Britse litterati heerst nogal wat onvrede dat hier nauwelijks aandacht voor bestaat. Zelfs Auden’s uitgever brengt niet eens iets speciaals uit.

Nu kan ik vrij makkelijk Auden zelf gaan gedenken. Helemaal op orde is mijn digitale archief nog niet, maar ik bezit zo al drie documentaires over de man. En dan zijn er nog tal van uitzendingen van de ‘Dode dichters almanak’ aan hem gewijd, die ik ook verzamelde. Om nog maar te zwijgen over de boeken die ik van hem heb, of de herinneringen van tijdgenoten in hun boeken weer.

En toch is er wel wat te zeggen voor die onvrede onder Auden-liefhebbers. Soms vraagt het een klein zetje om eens wat meer met iemand’s werk te doen.

Zo ben ik een onvoorwaardelijke liefhebber van Auden’s essaybundel “The Dyer’s Hand“. En tegelijkertijd vrees ik nooit verder met zijn gedichten te komen dan ik nu ben. Meestal moet ik hem eerst een vers hebben horen voorlezen, om het enigszins ontsloten te krijgen.

wordt mogelijk vervolgd

voor de tekst van het hele gedicht uit de clip: lees verder »»


Dode dichters | Auden & Brodsky


click image to play. 1.47 minutes

VPRO’s onvolprezen ‘Dode dichters almanak’ zond al het eerste seizoen twee onvergetelijke fragmenten uit over W.H. Auden. De kans is klein dat die uitzendingen uit 1998 ooit nog ergens te zien zijn, zelfs met de YouTubes van dit moment. Daarom ben ik heel blij ze te hebben.

In het ene fragment heeft Auden het, in een nogal volle caféruimte, met Stevie Smith over poëzie en muziek. En alleen al door de voorbeelden die ze daarbij kiezen, om elkaar te amuseren, is het prachtig.

Van een heel andere aard is de clip hierboven. Waarin een geëmotioneerde Joseph Brodsky iets uitlegt van wat het betekende om met zijn grote voorbeeld ooit nog eens op éen podium te hebben gestaan.

Tegelijk toont dat fragment ook aan op welke beperkingen ik hier stuit. Mijn emoties over Auden zijn nog geen schaduw van wat Brodsky laat zien.

Bovendien wil ik nu ook weer weten hoe het zat met Brodksy. Wanneer hij uit de USSR verbannen werd, vanwege ‘parasitisme’. En wat hij geschreven had over Auden. Nu kan ik ook dat redelijk eenvoudig nakijken, want ik heb zijn boeken wel. Maar Brodsky’s essays lezen, is vrij verslavend.

En zo gaat het maar door.


Dode dichters | W.H. Auden 3


click image to play. 1.05 minutes

Vandaag dan, nu het werkelijk honderd jaar geleden is dat W.H. Auden geboren werd, kijk ik naar een documentaire die begint met zijn begrafenis. Met als voice-over zijn gedicht dat inmiddels een cliché geworden is, door het gebruik in ‘Four Weddings and a Funeral'; sterker nog, het is de versie uit die film.

Ach ja.

Art makes you smart,
Kitsch is what makes you rich

En dan komt de dichter zelf nogal moeizaam van zo’n lullige showbizz-trap afgelopen, om dan zijn interviewer uit te moeten leggen dat het leven van schrijvers er vooral uit bestaat op een stoel te zitten, om te schrijven. Dat maakt hun autobiografieën enigszins voorspelbaar. Alleen heeft die vanzelfsprekende constatering dan weer nog nooit een biograaf afgeschrokken niet toch naar het geheim achter het genie te zoeken. De documentaire met deze scene is daar het bewijs van.

Mijn gezicht is als een bruidstaart die te lang buiten in de regen werd gelaten, zei Auden.

Dus nee, er zijn ook daarom betere manieren om hem te herdenken dan naar een documentaire te kijken.


Forewords and Afterwords

[…] Ondertussen blijft Auden, anders dan ik, eendachtig zijn achtergrond als dichter, een vaak prachtig stilist. Dus zo me iets zal bijblijven van dit enorme mozaïek van een boek, waar ik tijden in heb gelezen, dan zullen dit vooral zinnetjes zijn, en iets van een idee over de man die deze zinnen opschreef. […]

 

boeklog 1000


The Novelist

Encased in talent like a uniform,
The rank of every poet is well known;
They can amaze us like a thunderstorm,
Or die so young, or live for years alone.
They can dash forward like hussars: but he
Must struggle out of his boyish gift and learn
How to be plain and awkward, how to be
One after whom none think it worth to turn.

For, to achieve his lightest wish, he must
Become the whole of boredom, subject to
Vulgar complaints like love, among the Just

Be just, among the Filthy filthy too,
And in his own weak person, if he can,
Must suffer dully all the wrongs of Man.

W. H. Auden, [c. 1939]

Auden op eamelje.net
Auden op boeklog


Quote of the Day | 0408

We are all on earth to help others. What on earth the others are here for, I can’t imagine.

Altijd dacht ik dat deze uitspraak van W.H. Auden was, maar die had hem geleend bij de vaudeville-artiest John Foster Hall. En de rijkdom van internet is dan weer dat iemand de bron met geluidsfragment en al online zet.


Als de bloem tot een groter oordeel dwingt








Wie achter elkaar vier poëziebloemlezingen leest, en bespreekt, weegt daarmee onbedoeld ook de rijkdom van een taalgebied. En daarbij bestaan er maar twee mogelijkheden. Of de verscheidenheid aan poëzie in de bloemlezingen overdondert, of die valt tegen.

Dit laatste was helaas het geval, voor mij. En dit kon weleens zijn omdat de samenstellers van de bloemlezingen er veel striktere ideeën op na houden over wat poëzie is dan ik.

Zo komt er maar heel enkel een gedicht in de bundels voor dat oorspronkelijk bedoeld was voor kinderen.

Erger nog is dat ik de grote volksdichter Anonymus zo deerlijk miste in de anthologieën. Want, het wil mij niet aan dat er geen volkspoëzie zou zijn overgeleverd in Friesland, waar vooral in de Friese Wouden nu juist een ongekend rijke traditie aan volksverhalen bestond.

Goed, dan was er misschien geen poëzie, en dan waren het liedjes. Punt is al dat ik geen principieel onderscheid wens te maken tussen beide, Willem Wilmink indachtig, omdat éen van de belangrijkste aspecten van poëzie voor mij is dat deze regels oplevert die bijblijven.

Aftelrijmpjes en touwspringversjes ook hebben voor mij veel een interessanter patina dan een willekeurig sonnet van een vaak bekroond dichter. Die woorden zijn tenminste volop in gebruik geweest, terwijl het sonnet vaak zulke gewrongen regels oplevert, dat de poëzie daarin al overlijdt voor die op een boekenpagina belandt.

En, poëzie is dat wat onthouden wordt, zoals de dichter W.H. Auden zei.

Daarop in aanvulling, het heeft groot nut om gedichten uit het hoofd te leren. Ik schreef daar zondag al over. En alsof ik daarmee iets had aangeraakt, publiceerde Achille van den Branden’s alter ego een passend lang citaat, en viel me op dat Jim Holt die dag over hetzelfde had geschreven in the New York Times.

De enige Friese poëzie die ik zo kon opzeggen, bestond tot voor een paar jaar uit wat kindergedichten van Diet Huber. Of Waling Dijkstra’s ‘Simmermoarn-sankje’.

Daar kwam maar spaarzaam wat bij. De eerste strofe van Abe de Vries’ ‘Twangbefel’ onthield ik spontaan. En ook Cornelis van der Wal schrijft weleens een regel die zich onmiddellijk met weerhaakjes in het geheugen vastzet. Vergeet ik vast nog wel een dichter of wat.

Maar blijkbaar levert de communicatieve kracht van individuele regels geen criterium op om poëzie mee te beoordelen. Geen van de vier bloemlezingen bracht mij opvallend in kennis met gedichten die uit het hoofd geleerd willen worden. Waardoor ik vooral denk: houden die dichters er allemaal wel erg particuliere universumpjes op na.

Kijk ik toch elders.