Frederick Schiller Faust

Dit jaar vier ik een soort leesjubileum. Zo meteen is het vijfentwintig jaar geleden dat ik in de bieb voor het eerst boeken mocht lenen van de volwassenenafdeling. Dat was nog een strijd, want ik had de jeugdafdeling al zo veel jaar eerder uit.

Maar toen begon het lezen dan eindelijk echt.

Toch is dit idee van een leesjubileum niet helemaal eerlijk. Natuurlijk was de gewoonte al veel eerder gevestigd, zelfs al was het daarvoor veel moeilijker om aan leuke boeken te komen.

Laatst linkte ik naar een prachtverhaal van Clive James, waarin die vertelt welke pulp hij allemaal las voor hij serieuzere boeken leerde waarderen. Daarbij ging het hem erom uit te leggen hoe nodig al die flutboekjes zijn geweest om van het lezen te leren houden.

Ik had steeds in mijn gedachten ook eens zo’n verhaal te schrijven. Over wat ik allemaal aan boeken verslond voor het echt lezen werd. Wat me weerhield was dat het niet zo’n heel interessante geschiedenis opleverde. Wat had ik nu meer gelezen dan leeftijdgenoten ook al deden, behalve dan simpelweg misschien wat meer?

Tot er een herinnering kwam, via de RSS-feed van een Gutenberg-website.

Frederick Schiller Faust. Had ik mijn jeugd niet verlezen aan boeken van hem? Toegegeven, toen kende ik die bijna pathetisch literaire naam van de schrijver niet. Mij was alleen het pseudoniem Max Brand bekend. Van de kojbojboekjes.

Nu verbaast het me dat oerteksten van die boekjes zo oud blijken te zijn. Tachtig jaar is niets. Geen wonder dat ze inmiddels deels tot het publiek domein zijn gaan behoren.

Eigenlijk moet ik er nu éen gaan herlezen, om te zien wat me toen boeide. Behalve dan dat er naast alle voorspelbare elementen van het genre kojbojboek er ook altijd iets echts was aan de verhalen.

Moet een herinnering onderzocht worden om na te gaan of het de moeite waard is die te blijven koesteren?

Van Max Brand onder meer online:
Alcatraz;
Trailin’ ;
Bull Hunter;
Gunman’s Reckoning;

* update september 2007: en toen las ik toch De schrik van het westen.


Zoals lezen het leven voedt, verrijkt leven het lezen

Karel van het Reve heeft in zijn boeken veel op te merken over critici en literatuurtheoreten. En met éen opmerking ben ik het wel bijzonder eens. Van het Reve vond het vreemd dat als gekeken werd wie er invloed hadden gehad op een schrijver daarbij alleen de heel groten worden genoemd. Kafka mag dan wel, of Joyce. En Proust natuurlijk. Maar dat een schrijver ooit beslissend beïnvloed kan zijn door de albums van Suske en Wiske is uitgesloten binnen zo’n wereldbeeld.

Elitarisme is vaak gewoon een vorm van bekrompenheid. Of gemakzucht.

En het is mede door dit gegeven dat ik meld geen goed antwoord te kunnen geven op een vraag van Achille van den Branden, naar mijn autobiografie in bepalende boeken. Omdat mijn leven invloed heeft op mijn lezen, en andersom. Zoals boeken me ooit anders naar de wereld konden laten kijken — eventjes — zo bepaalt de wereld vaak weer welke boeken ik kies om te lezen. En ook hoe ik die lees.

Maar wat was er dan eerst?

Kafka heeft in elk geval geen bepalende invloed gehad op mij. Joyce al evenmin. Of Proust. Maar de gisteren overleden schrijver J.G. Ballard is wellicht toch iemand die aanwijsbaar effect heeft gehad. Net als vele andere schrijvers van science fiction die ik in mijn tienerjaren las overigens — of ‘speculatieve fictie’ zoals Ballard’s genre tegenwoordig heet. Al die auteurs tezamen hebben iets teweeg gebracht. De pulpisten, sexmaniakken, en imitatoren even goed als de echt originele auteurs onder hen.

Ik ben toevallig Ballard blijven lezen na mijn puberteit. Tegelijk is er geen boek van hem dat ik tot mijn favorieten zou rekenen. Hij was vaak zo donker. Zelfs al hanteerde Ballard een prettig sardonisch soort humor bij alle beschreven ellende.

Maar het is door schrijvers als hem — maar ook weer niet hen alleen — dat ik voor het eerst ging twijfelen aan de status quo die mij voorgespiegeld werd in de media en de meeste romans. Wat weer tot keuzes heeft geleid in mijn studie en werkzame leven.

En het is door schrijvers als Ballard dat ik slecht tegen geliteratureluur kan. Tegen l’art pour l’art. Tegen zo iemand als Jeroen Brouwers bijvoorbeeld, die voor zichzelf een uitzonderingspositie claimt als literator, en vindt dat de samenleving hem zo veel meer verschuldigd is om de boeken die hij schrijft, dan hem nu toegedacht wordt.

Ik zal nooit de invloed ontkennen die Brouwers op mij heeft gehad met het levendige Nederlands in zijn brieven, of de scherpte waarmee hij polemiseert. En tegelijk willen diens romans zo graag kunstwerkjes zijn dat ze alleen al onder die pretentie bezwijken. Bovendien missen ze duidelijk iets. Ik vind die boeken heel matig, en Brouwers’ poging tot zelfverheffing pathetische borstklopperij.

Literatuur staat voor mij op drie pijlers: taal, verhaal, en een derde factor, die ik bij gebrek aan een beter woord nu maar even wijsheid noem. In vrijwel alle romans, van wie dan ook, mist er altijd wel wat aan éen van de drie. Maar aan wijsheid, of inzicht, mankeert het mij toch het vaakst.

Toch gaat het altijd het minst over deze factor in de discussies over literatuur. Hoogstens dat een literatuurperfesser eens oppert straatrumoer te missen — waarop auteurs dan prompt weer verontwaardigd doen. Die gymlerares in hun boek was toch een zwarte vrouw?

Nee, taal staat het hoogst. Verhaal doet er al minder toe; plot is al verdacht. En de rest hoort blijkbaar tot de non-fictie.

In dat opzicht heeft een Jeroen Brouwers me absoluut geleerd dat zelfs een drol nog een taartje kan lijken, als die maar in goede stijl beschreven wordt.

J.G. Ballard heeft me daarentegen geleerd dat er schrijvers bestaan die kijken en doorzien, en het angstwekkende dat ze daarbij aantreffen ook over weten te brengen.

Door Ballard valt me de zo selectieve blindheid van andere auteurs op. Ik acht dat een grotere verdienste dan wat Brouwers me heeft bijgebracht. Maar tegelijk moet ik toegeven dat J.G. Ballard en zijn collega’s me in dit aspect mede hebben gevormd.

En waarschijnlijk niet met éen boek. Kwam het leven er vervolgens ook nog eens over heen.

Toen Brouwers onder mijn ogen kwam, was ik al bedorven.


Boeken die wat deden [1/4]

Dat ik lees, en blijf lezen, komt ergens weg. Al gaat het mij te ver om de uitgaven die iets in mij aanraakten beslissende boeken te noemen, of boeken die mijn leven veranderden. [1]

De komende tijd op eamelje.net: een dozijn dat wat deed.
 

1] Hans Andreus, Meester Pompelmoes en de mompelmoes

Jeugdtrauma. De precieze titel van het boek weet ik niet meer. Hans Andreus schreef dan ook een hele reeks over de dikke schoolmeester, en zijn sprekende huisdieren. Maar ik weet vrij zeker dat ik het kaft van het betreffende boek nog herkennen zou. Online staat het niet. Mijn moeder las me ooit verhalen voor uit een dik boek over meester Pompelmoes. En terwijl dit boek nog lang niet uit was, verdween het toch ineens uit huis. Ik begreep niet waarom — het zal niet zijn geweest omdat mijn ouders ontdekt hadden dat Andreus onder zijn eigen naam had gediend bij de Waffen-SS. Maar sindsdien is het moeilijk van een boek te houden als ik het niet bezit. Mijn moeder ontkent overigens dat er ook maar iets gebeurd is.
 

2] R. Feenstra, de ‘Echo der eeuwen’-reeks

Voor elk boek dat je uitkiest om te lezen, worden nog veel meer genegeerd. En waarom iets aantrekkelijk lijkt, kan vaak nog wel worden uitgelegd. Waarom iets bij voorbaat al niets is, zonder er iets van te weten, blijft vaak onverklaarbaar. Boeken die werden uitgegeven in reeksen hebben me over vele angsten en vooroordelen heen geholpen. Had een schrijver iets gemaakt dat beviel, dan waren ook zijn of haar andere titels te proberen. Bracht een uitgever boeken in een serie uit, dan was de kwaliteit van de ene titel een garantie voor de andere. De oerserie in mijn lezende leven was de ‘Echo der eeuwen’, van Ruurd Feenstra. Dat waren gewoon wat verhalen over kinderen, maar dan geplaatst in een historische setting. Oer aan deze reeks was dat ik zelf op de lagere school besloot al de boeken te willen lezen. Niemand had op me het bestaan gewezen. Niemand had de boeken voor mij mee naar huis gebracht.
 

3] Franquin, De Flater-bende [1976]

De oudste stripalbums in mijn bezit zijn van Asterix. Die kosten indertijd ƒ 2,50, volgens een plakkertje achterop — dat is zoiets als € 1,15 in nieuw geld. Maar het was toch alleen Franquin waardoor ik striptekenaar wilde worden, als ik groot zou zijn. Een wens die nog altijd leeft. Franquin tekende, of beter penseelde, een lijn die leefde. Ik heb vaker over mijn bewondering geschreven.Vergeleken met hem zetten vrijwel alle andere tekenaars stijve poppetjes op papier. Stripalbums zijn bovendien boeken die herlezen moeten worden. En ik ken de albums van Guust Flater zo goed, door het eeuwige herbekijken, dat ik bij de Franstalige gag du jour, op de officiële site, doorgaans nog altijd weet hoe de Nederlandse tekst luidde.
 

  1. Hoewel Achille van den Branden voorzette, was het idee om hier over te schrijven er al [ ]

Boeken die wat deden [2/4]

De komende tijd op eamelje.net: een dozijn dat wat deed. [ziet ook deel 1]
 

4] Nevil Shute, Finale als voorspel [A Town Like Alice]

Er was een tijd voor dit boek van Nevil Shute, en éen erna. Voordien las ik jongensboeken, maar daarna toch veel minder. En, omdat er heel weinig van de auteur in het Nederlands vertaald was, werd ik wel gedwongen om hem in het Engels te lezen; om zo ineens een taal erbij op te pikken. Zo goed vond ik hem vertellen. Allemaal door een ietwat liefdeloos uitgegeven paperback, met een stijve vertaling uit de jaren vijftig, opgepikt tijdens een moment op vakantie dat er echt helemaal niets anders meer te lezen was.
 

5] Kijk [populair wetenschappelijk maandblad]

Tegenwoordig haal ik mijn kennis liever uit boeken, omdat tijdschriftartikelen die me intrigeren van alles net te weinig bieden. Maar de nieuwsgierigheid om te weten is gebleven. En het tijdschrift Kijk was de eerste publicatie die structureel deze vraag van mij antwoordde. Waarbij vooral het abonnement belangrijk was dat ik een tijd had; omdat het bezit van de afleveringen herlezen mogelijk maakte; en nazoeken. En toen dit blad te vaak over militair tuig begon te schrijven, was er De jonge onderzoeker nog, en zo veel bladen meer.
 

6] John Canning (sam.), Vijftig vreemde verhalen [1980]

Wat er belangrijk is in mijn leesgeschiedenis, gebeurde haast vrijwel allemaal op of ruim voor mijn vijftiende. Slechts weinig dat van belang was, eindigde kort daarna. Op mijn intensieve belangstelling voor Science Fiction na dan. Die was hevig, even, en duurde hoogstens een paar jaar. Waarbij bloemlezingen en verzamelbundels met SF-verhalen erg belangrijk waren om schrijvers te ontdekken.

Vraag ik me nu wel af of ik boeken zocht die mijn exacte kant konden voeden; of dat mijn liefde voor wetenschap mede ontstaan is door boeken als deze.

[wordt vervolgd]


Boeken die wat deden [3/4]

De komende tijd op eamelje.net: een dozijn dat wat deed. [ziet ook deel 1, deel 2]
 

7] Saki, ‘The Open Window’

Het eerste kortverhaal dat ik ooit bewust met plezier las, was ‘The Open Window’ van Saki. Hij was er opeens, gewoon tijdens de Engelse les. Net als Edgar Allen Poe, een paar jaar later. Klaag ik altijd wel niets geleerd te hebben tijdens mijn middelbare schooltijd, is dit toch niet helemaal waar.

Tegelijk ging die Engelse les met hoogstens een paar verhalen per jaar, terwijl mijn honger gewekt was. Dus las ik Saki, en Poe, en O Henry, en Dahl – bijna allemaal schrijvers van verhalen met een pointe. Allemaal schrijvers die meehielpen om me beter Engels te leren lezen. [1]
 

8] Gerrit Komrij, Papieren tijgers [1978]

Begin dertig was Gerrit Komrij, toen hij de stukken schreef die in deze bundel mengelwerk zijn opgenomen. Half zijn leeftijd was ik toen het boek voor de eerste keer las. En daarmee ontdekte ik toen meer dan alleen een schrijver. Duidelijk werd ineens dat literatuur niet alleen bestond uit pseudo-gewichtig imponeergebasel. Maar dat een schrijver diens meningen ook helder uitdrukken kon, in prachtige volzinnen, vol spot nog daarbij.

Alleen die ontdekking al maakte dit tot een boek dat een leven tekende. Helemaal serieus zijn grootheden als Mulisch, Wolkers, of Claus nooit meer te lezen, als hun schrijfkwaliteiten door iemand al eens volkomen terecht in twijfel zijn getrokken. [2]
 

9] J.J. Slauerhoff, Alleen in mijn gedichten kan ik wonen [1984]

Voor iemand die zegt van slechts heel weinig gedichten te houden, heb ik wel bizar veel poëzie in huis. Maar geen van die bundels verklaart me waarom zo weinig wat daarin staat me iets doet. Misschien is het omdat ik een fase in mijn leven ben overgeslagen — toen anderen hun hart uitstorten in versjes, tekende ik strips, of schreef ik lachverhaaltjes. Misschien is het omdat in poëzie vorm, klank, en idee elkaar zo zelden versterken tot een indrukwekkende verheviging in taal.

Ooit had ik even altijd éen dichtbundel op zak. Dat was een goedkoop bloemlezinkje met werk van Slauerhoff. Sturm und Drang mag dit heten, tijdens de enige periode in een leven dat dit niet belachelijk is. Ruim vijfentwintig jaar later durf ik dat oeuvre niet meer terug te lezen.
 

[wordt vervolgd]

  1. gerecycled uit het boeklogje over Saki [ ]
  2. deels gerecycled uit het boeklogje over Papieren tijgers [ ]

Boeken die wat deden [4/4]

De afgelopen tijd op eamelje.net: een dozijn dat wat deed. [ziet ook deel 1, deel 2, deel 3]
 

10] Trinus Riemersma, De reade bwarre [1992]

Veel lezen brengt grote rijkdommen binnen bereik, maar heeft ook een nadeel. Er groeit daardoor een besef over wat een goed boek hoort te doen, zelfs zonder daarover na te denken. Boeken zijn dan ineens tegen elkaar af te wegen. Die titel bracht me wel wat, die is niets. En vrijwel altijd vielen Friese boeken tegen, omdat ik weiger ze als aparte categorie te beoordelen, maar gewoon afzet tegen wat er in de rest van de wereld geschreven wordt.

Tot ik De reade bwarre [De rode kater] las, van Trinus Riemersma. Een geweldig speels boek is dit: fictie, geschiedenis, levensverhaal, parodie, en cultuurkritiek ineen, geschreven in een eigen fonetisch Fries — wat op zich alweer een commentaar was. Als ik nog iets met die taal doe, is het door dit boek. Ik durf het dan ook niet te herlezen. [1]
 

11] Fernando Pessoa, Het boek der rusteloosheid [1990]

Ik leende dit boek uit de bibliotheek, zonder ooit van de schrijver Pessoa gehoord te hebben. Maar die vertaling was net in de reeks privé-Domein verschenen, en op dat autobiografische lezen was ik toen nogal verzot. Vijf minuten nadat ik erin begonnen was, ging ik het huis weer uit om het boek in de boekhandel te kopen. Ik moest het per se hebben. Maakte niet uit hoeveel het zou kosten.

Deze versie van Het boek der rusteloosheid bracht me éen van de meest intense leeservaringen die ik ooit heb gehad. Het is een melancholiek meesterwerkje. Op bijna elke pagina stond wel iets dat me raakte. Geheel tegen mijn natuur in moest ik dat boek constant wegleggen bij het lezen, om niet overvoerd te worden. Wat trouwens goed kon ook, omdat het uit tientallen losse fragmenten is opgebouwd. [2]
 

12] Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation [1939]

Toen ik uiteindelijk geschiedenis ging studeren, was dit niet omdat de geschiedenisles op school zo leuk was geweest. Niet dat mijn herinneringen slecht waren daaraan, voor zo ver er nog herinneringen waren tien jaar later. Maar de geschiedenisles vroeg niet zo veel. Ik heb een goed geheugen voor nutteloze informatie, en kan een zin formuleren; en veel meer werd er ook niet geëist op de middelbare school.

Dat ik die studie koos, kwam mede door dit boek. Omdat het me leerde dat er ook op een andere manier naar het verleden te kijken was, dan door jaartallen te memoreren, of grote mannen te herdenken. Bovendien vertelde Elias in zijn beschouwingen over het verleden ook heel wat over het nu.

Daarbij kwam dat ik dit in sommige opzichten een heel geestig boek vond. Gek dat er nu zo zelden op dat aspect gewezen wordt. Nu ja, de geestigheid staat ook soms wel erg verborgen tussen alle academische tekst. [3]
 

[volgt nog: een epiloog]

  1. De reade bwarre staat overigens geheel online [ ]
  2. deels gerecycled uit een zomerserietje over het boek op boeklog [ ]
  3. gerecycled uit het boeklogje over Über den Prozeß der Zivilisation [ ]

Boeken die wat deden [epiloog]

Zoals het lezen het leven voedt, verrijkt leven het lezen, schreef ik in 2009. Het is vaak te simpel om beslissingen aan éen boek op te hangen. Als de titel van dat boek dan nog geweten wordt; want dat is weer een ander probleem.

Zo was er ooit een eerste keer dat ik het verdomde om verder te lezen in een boek van een hoog aangeschreven auteur. En dan niet door het een volgende keer gewoon niet meer op te pikken, en vervolgens te vergeten. Maar doelbewust. Door het boek dicht te slaan. En dat was toch een daad toen. Boeken waren ooit heilig.

Net zo is er een eerste keer geweest moet zijn dat ik ging twijfelen aan het nut van canons, leeslijsten, en andere verzamelingen om anderen te vertellen welke boeken goed voor hen zijn. Zelfs in het onderwijs zijn zulke lijsten te gauw een dwangbuis om anderen in vast te zetten.

Er was een eerste keer dat ik een boek aangeboden kreeg, maar het niet bliefde.

Er was een eerste keer dat ik boeken wegdeed, in plaats van nog meer in huis te halen.

En schrijvers die geen uitgever weten te vinden, kunnen het niet, zo heet het vaak. Maar twijfelde ik nu al aan de kwaliteit van veel wat er wel wordt uitgegeven voor ik zelf voor het eerst aan de totstandkoming van een boek had meegewerkt, of kwam die wetenschap daarna?

Zoals lezen het schrijven voedt, verrijkt ook schrijven het lezen. Sinds mijn eerste journalistieke producten tot publicatie leiden, is mijn inzicht gegroeid in hoe teksten werken. Mijn bewondering voor de vakmensen en kunstenaars is daardoor alleen maar toegenomen. Net als dat ik ook steeds beter zie wie maar wat doet, of wanneer iemand voor het gemak maar eens schmiert.

Kwam door de afgelopen zes jaar, bijna, boeklog nog bij. Omdat het behoorlijk vormend werkt om over vrijwel elk uitgelezen boek iets te moeten schrijven.

Is er nog het meelezen met de manuscripten van anderen. Of het redigeren en soms zelfs het herstructureren van hun werk.

Enfin.

De titel van het allereerste boek dat ik ooit in opdracht recenseerde weet ik dan wel weer. Brieven van een aardappeleter, van Gerard Reve was dit. En daar nu is eigenlijk niets bijzonders over op te merken.
 

De afgelopen tijd op eamelje.net: een dozijn dat wat deed: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4.


Opgroeien
week 31

De dood houdt ineens nogal huis onder mijn favoriete mopperaars. Christopher Hitchens stierf in december. Gerrit Komrij begin juli. En nu is Gore Vidal ook al kasjewijle.

Bovendien zie ik zo éen twee drie geen opvolgers voor hen. Terwijl deze tijden als geen andere om fel commentaar vragen.

Opvallend bij al deze drie auteurs is dat mijn liefdesaffaire met hen verliep volgens eenzelfde patroon. In het begin genoot ik vooral van hun oneerbiedigheid. Daarop raakte ik verslaafd aan hun woordkunst. En altijd ook volgde er een moment van verwijdering. Of misschien was het slechts ikzelf die een draai maakte.

Toen Hitchens de illegale inval in Irak begon te verkopen als een noodzakelijke ingreep heb ik hem nooit meer geheel serieus kunnen nemen.

Komrij ontmaskerde zichzelf toen hij makkelijke columns over de actualiteit ging schrijven voor de achterpagina van NRC-Handelsblad. Werk dat verzameld werd in de bundels Gouden woorden en Meer gouden woorden¸ maar dat behoudens een enkele geslaagde formulering doorgaans binnen een maand na publicatie in de krant al overleden was. De analyse ontbrak. En geschimp lezen, is toch leuker als je daardoor beter gaat kijken.

Vidal was zichzelf niet meer toen zijn partner Howard Austen stierf begin deze eeuw, waardoor er blijkbaar niemand meer was die hem kon temperen in zijn rol als narrige oude man. Zelfs al had hij doorgaans gelijk in zijn kritiek op het bewind van de zo matige Amerikaanse president George Bush jr.. Alleen ware die kritiek zo veel sterker geweest als deze uit meer had bestaan dan enkel gescheld.

Toch zit er ook wel iets moois in deze ontwikkeling. En in zekere zin denk ik zelfs dat onderwijs altijd zo hoort te werken. Eerst leert de leraar zijn pupil zien, daardoor gaat deze leerling zelfstandig denken. Om dan te merken dat veel van wat hem als waarheden zijn voorgespiegeld op zijn best grove generalisaties zijn, en op zijn slechtst zelfs helemaal niet waar.

Tot er een punt komt dat ook de waarheden van de leraar niet maar vanzelf spreken. Waarna ook afstand tot de leraar wordt genomen. En er misschien wel vadermoord plaatsvindt.

En vervolgens neemt het tijd voor er eerlijk gekeken kan worden naar wat ooit zo veel invloed had.


Tom Sharpe [1928 — 2013]

in memoriam bbc, the guardian

Sharpe’s werk had ik kunnen noemen in het rijtje ‘bepalende boeken’. Hem vond ik verschrikkelijk grappig schrijven, als puber. Van hem was veel minder vertaald dan beschikbaar in Engels. Dus hoort hij in het rijtje schrijvers dat me die andere taal heeft binnengesleept.

Alleen is hij ook een auteur die ik niet durf te herlezen. Weinig veroudert zo snel als humor.