Keizer Admiraal?

Wat vind ik nu de beste Nederlandse schrijver? Dat is een rijkelijk onnozele vraag, al was het maar omdat ik geen auteur ken van wie ik alles, zonder voorbehoud, waardeer. Maar bij de bespreking van een boek van Bert Keizer viel me op dat hij wel erg hoog scoort op mijn persoonlijke ranglijst.

Waarom is dat dan? En waar mankeert het anderen dan aan?

Laat ik eerst wat tegenvoorbeelden geven. De meest besproken auteurs op mijn boeklog zijn Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy. Bijvoorbeeld van Komrij waardeer ik zijn zakelijke teksten en columns enorm, terwijl het me niet eens lukt om zijn romans zelfs maar uit te lezen. En nog geldt bij het werk dat ik wel hogelijk waardeer dat het vooral de stijl is waar ik voor val. Zelden de inhoud. Omdat die meestal inhoud mist.

Kousbroek is wat hors concours, moest ik hem beoordelen. Bijna alles van hem waardeer ik hoog, maar zijn boeken hebben hun werk twintig jaar geleden al gedaan. De opwinding die er toen was bij het lezen, zal me nu niet meer overkomen.

In de categorie Kousbroek kan ik overigens meer schrijvers noemen, die me ooit veel brachten, maar nu eerder bevestiging bieden bij het lezen dan heel nieuwe inzichten tonen. Karel van het Reve onder meer, W.F. Hermans, Bob den Uyl.

Renate Rubinstein.

Ethel Portnoy, waarvan ik dit jaar veel heb gelezen, is dan weer geen Nederlandse schrijver, op de keper beschouwd. Ook al verschenen haar boeken alleen in het Nederlands, altijd waren ze vertaald uit haar moedertaal Engels. Maar met dit voorbehoud geldt wel dat ik haar enorm bewonder; al was het maar omdat ze enige intelligentie veronderstelt in mij als lezer. Veel ongezegd laat, en dan toch aanbiedt door erover te zwijgen.

De afgelopen anderhalf jaar las ik twee romans van Bert Keizer, een boekenweekessaytje, en een bundel columns. Die boden mij veel. Heel veel.

Maar een vraag moet toch zijn of dat zo is omdat hij éen vast onderwerp heeft waar ik misschien wel te weinig vanaf weet.

Een Vincent Icke, of bijvoorbeeld een Karel Knip, waardeer ik mede zo hoog omdat ze met een getrainder wetenschappelijk oog naar de werkelijkheid kijken dan ik kan.

Maar behalve over leven en dood, schrijft Bert Keizer ook erg goed over geneeskunst. Heeft hij humor, en weet hij uit de filosofie ook net die vragen te pikken die mij interesseren. En zijn romans zijn ook als boek heel erg rijk.

Toch maar de beste schrijver dan?

Ik heb alleen niet zo’n zin die opera over Alzheimer te gaan bezoeken, waarvan hij het libretto schreef.

En een Jaap van Heerden scoort ook erg hoog, bij mij.

boeklog 500: Alles wordt niets
boeklog 134: Het refrein is Hein
boeklog 071: Koud liggen
boeklog 070: Tijdelijk feest


Onbescheiden gedachten over het korte verhaal | 2



Heeft de cultuur van een land invloed op welke literaire genres er succesvol beoefend worden? Dit is een rijkelijk pretentieuze vraag. Maar ik zou hem niet stellen als er geen duidelijk aanwijsbare reden voor was.

Zo viel me ineens op dat ik op het moment vrijwel alleen Canadese schrijvers aan het lezen ben. Alice Munro. Guy Vanderhaeghe. Mavis Gallant. En zo ik iets gemeenschappelijks over deze auteurs kan zeggen, dan toch dat ze de vitaliteit uit de Amerikaanse verhaalcultuur combineren met een grotere wereldwijsheid. En heel moeilijk is het niet om aan te tonen dat in Canada zowel de VS als de Europa invloed hebben.

In elk geval vind ik het anders moeilijk te begrijpen dat de verhalenschrijvers die mij bevallen vaak uit dezelfde culturen stammen; in taalgebied en tijd.

Duidelijk is dat in Nederland de roman de hoogste status heeft, als schrijversschepping. Maar dat verklaart mij niet geheel waarom er maar zo weinig goede verhalen zijn geschreven in onze literatuur.

Goed, Joost Zwagerman bracht een grote bloemlezing in 2005, om aan te tonen hoe rijk onze verhaalcultuur wel niet is. Alleen mislukte die poging alleen al omdat hij daarin niet het beste verzamelde, maar de verhalen waarmee auteurs zich voor het eerst lieten zien. Terwijl debuut en top toch vrij zelden samenvallen.

En het is ook niet dat ik sommige Nederlandse schrijvers al te lang ken; dat daarom alle verrassing ontbreekt. De verhalen van J.D. Salinger ken ik minstens zo lang als die van Hotz, Hermans, of Biesheuvel. Maar de Amerikaan kan ik wel om de paar jaar herlezen, en daarbij dan dezelfde emotie voelen als de allereerste keer. Zijn Nederlandse collega’s niet.

Alleen Bob den Uyl blijft bij herlezing even sterk. Maar bij hem interesseren me de apart staande verhalen het minst. Hij moet bezig zijn aan dat ene grote verhaal, waarin hij commentaar op zijn leven geeft. Dan is het goed, voor even.


Met John Hancock

Bob den Uyl schreef in De illusie van gisteren over aspecten van boeken waaraan ik eigenlijk nooit aandacht schenk op boeklog. Terwijl er vaak wel meer te zeggen is over wat ik lees, dan alleen wat er in staat.

Begint het boek met een goede eerste zin, bijvoorbeeld?


 

 
 

 

 

Mij zal het echt worst wezen. Zo’n eerste zin zal toch zelden als eerste zijn bedacht, en alle moeite daaraan besteed, komt mij wat merkwaardig voor. Een sportwedstrijd begint bijvoorbeeld ook pas nadat het startschot gevallen is, en dat is dan tenminste nog een echte knal.

Nee. Maar toevallig dwong de post van vrijdag mij wel om na te denken over een andere vraag. Doet het er iets toe dat een auteur zijn of haar handtekening in het boek heeft gezet?

Ik kreeg namelijk een boek binnen, uit de nieuwjaarsuitverkoop, waarop met een zwart stickertje staat vermeld:

Signed
by the author

En inderdaad was er op het titelblad met blauwe balpen onder de naam van de auteur een krabbeltje gezet.

Dat deed me niets. Hoogstens gingen daardoor mijn gedachten even uit naar de schrijver, en de uren die hij bezig moet zijn geweest om als een domme automaat zijn John Hancockje te zetten.

Nu heb ik wel meer boeken met een handtekening van de schrijver daarin. Maar net als met die aankoop vandaag heb ik daar nooit een moment moeite voor gedaan. Het onderwerp interesseert me werkelijk niet.

Er is hoogstens éen exemplaar in mijn collectie waaraan nog wel een aardig verhaal kleeft. Al was het maar omdat het aantoont dat ik ook ooit de groeten heb gekregen van ene Joost Zwagerman. En ondankbare hond dat ik er ben, desondanks schrijf ik alleen zuinige boeklogjes over zijn werk.

In 1996 bracht warenhuis De Bijenkorf namelijk, zoals toen gebruikelijk was, tijdens de Boekenweek een eigen actieboekje uit. Dit was een verhaal van Zwagerman, dat later opgenomen zou worden in de bundel Het jongensmeisje.

Nu was er toentertijd geen filiaal van De Bijenkorf bij mij de buurt, zoals eerder al eens gememoreerd. Maar het trof. Mijn toenmalige moest toevallig in een stad zijn waar er wel zo éen stond. En op mijn verzoek wilde ze best zo’n actieboekje meenemen.

Natuurlijk was die toezegging makkelijker gedaan dan uitgevoerd. Mopperend op mij, en mijn rare gewoonte om maar door te blijven lezen, betrad ze met tegenzin het warenhuis. Alwaar op de boekenafdeling de toen toch al hogelijk beroemde Joost Zwagerman triest alleen zat te zijn, omgeven door immense stapels van zijn boekje.

Het bleek haar in die situatie onmogelijk om ongezien een boekje af te rekenen. Dus legde ze haar aankoop toch maar voor aan de auteur, die, eventjes uit zijn trieste isolement verlost, daarin vlot zijn krabbel zette. En me daarbij dus groette.

Dit boekje is voor mij dus aardig, om dit verhaal. En omdat die handtekening het product is van twee mensen, die op het moment van schrijven liever niet op die plek waren geweest.

Meer niet.


Bloedende trein
Bob den Uyl

[…] Jeroen Brouwers meldt nog in De schemer daalt dat Den Uyl waarschijnlijk de eerste was die de naam euro gebruikte voor een betaalmiddel. Dit deed die in het verhaal ‘De grote klap’. Daarin komt de hoofdpersoon tot zijn verbazing bij in het jaar 2080, na bewusteloos te zijn geraakt in het jaar 1980. Helaas klopt de logica van dit verhaal niet voor mij, en die heeft dat ook nooit gedaan. […]

boeklog 878


Boeklog, en de wens tot opinies

Toen ik het eerste aanbod kreeg om advertenties te plaatsen op mijn boeklog, dacht ik nog met oplichters te maken te hebben. Eamelje.net werd al vaker met die wens benaderd, waarschijnlijk omdat de domeinnaam voor internetbegrippen erg lang bestaat. Maar zo’n advertentieverkoper eist van mij dan dat ik zijn php-scripts plaats, om banners of teksten op te roepen. En dat maakt me wantrouwig. Wie op script-niveau opdrachten aan de webserver kan geven, zet zo’n server daarmee misschien wel helemaal open voor controle van buiten.

Met boeklog ligt het iets anders. Dat merkte ik toen de advertentieverkopers bleven aandringen. Of toen ik door uitgevers benaderd werd, die me vroegen recensies te plaatsen. Zelf schrijven hoefde niet eens, en de boeken lezen was dus ook al niet nodig.

Het is merkwaardig met die webcultuur. Al ruim een decennium hoor ik dat de consument de macht gaat overnemen. Internet biedt uitgebreide mogelijkheden voor kritische klanten om zich te verzamelen. Is het niet om gezamenlijk een inkoopkorting te kunnen bedingen, dan wel om oplossingen voor problemen te vinden, of om heldere opinies te vernemen van anderen.

Bedrijven spelen daar op in. Bedrijven zijn blijkbaar angstig. Bedrijven bezoeken daarom dezelfde fora. Waardoor de onpartijdige meningen — voor zover teleurgestelde mensen ooit onpartijdige meningen hebben — een tegengeluid krijgen van al dan niet daarvoor betaalde professionals.

Is het daarmee verbazingwekkend dat PR-functionarissen sommige lezersrecensies schrijven bij boekhandel Amazon? Nee, dat is zelfs voorspelbaar. Zo voorspelbaar dat er op EU-niveau al gedacht wordt om het bedrijven te verbieden om opinies over de eigen producten te plaatsen op openbare internetfora. Dat zijn namelijk ‘oneerlijke handelspraktijken.’

Voor veelbezochte opinieweblogs als Geenstijl.nl blijkt dit overigens geen probleem te zijn. Dat is al herhaaldelijk te koop gebleken.

Maar voor boeklog is het niet alleen een onzindelijke gedachte om op aanvraag PR te plaatsen. Het is ook een totaal onzinnig idee. Boeklog is een strikt persoonlijk overzicht van wat ik lees, en wat daar zo mijn gedachten bij zijn. Ik schrijf het puur voor mijzelf, en ben zo vriendelijk om anderen mee te laten lezen.

Doe ik er iets meer moeite voor.

De enige concessie die ik sinds het begin in 2005 heb gemaakt, is namelijk dat ik iets meer aan het lezerspubliek denk bij het schrijven van de logjes. Ze zijn langer geworden. Maar nog steeds staat er vooral in wat ik aan een boek overhoud, zodat me over een paar jaar duidelijk is of ik er dan nog iets aan heb.

Tuurlijk, het is vleiend dat boeklog inmiddels verreweg mijn best bezochte weblog is. Al komt 90% van het bezoek via Google binnen, en is het aantal vaste lezers dus relatief veel kleiner.

Toch blijft het merkwaardig dat de vorm en de inhoud van boeklog blijkbaar onbegrijpelijk is; dat men er niet aan wil dat ik ook zo goed mogelijk werk om een hobbyhoekje te vullen.


Vliegende fiets
Bob den Uyl

[…] Den Uyl fietste zelf veel. Hij heeft in zijn boeken ook uitgebreid verslag gedaan van de reizen die hij zo maakte. En zoals vrij normaal is bij fietsreizigers, trad dat voertuig ook in zijn dromen op. Ik ken dat verschijnsel goed. […]
 

boeklog 887


Vreemde verschijnselen
Bob den Uyl

[…] Tegelijk ben ik het steeds vaker eens met Den Uyl. Las ik hem vijfentwintig jaar geleden zeker nog om zijn gemopper, tegenwoordig denk ik vrijwel altijd dat hij het juist heeft gezien. Er is niets zo goed in de wereld of het deugt niet. […]
 

boeklog 888


Schrijvers worden misbruikt
Bob den Uyl

[…] Hoogtepunt vond ik ditmaal de beschouwing ‘De terreur van de boekenbijlagen’. Daarin verbaast Den Uyl zich erover dat critici zo opvallend weinig te melden hebben, maar er dan toch al die pagina’s ruimte voor claimen. Geen recensie hoeft langer te zijn dan vijfhonderd woorden, volgens hem. […]
 

boeklog 999


Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam
Bob den Uyl

[…] Dit boek begint gelukkig heel erg sterk, met ‘Het rechtzetten van een misvatting’. Daarin gebeurt niets meer dan dat Den Uyl op reis in Duitsland een nieuwe trapper moet hebben voor zijn fiets. Tegelijk doet dit er niet toe, omdat Den Uyl’s zoektocht naar een fietsenmaker als de levensreis zelve is. […]
 

boeklog 11 v 2009


Een zeker onbehagen
Nico Keuning

[…] Deze biografie van Nico Keuning brengt een wat curieuse verzameling aan feiten en meningen over zijn onderwerp. Enerzijds is hij merkwaardig compleet. De biograaf geeft soms zelfs tot achter de komma inzicht in het jaarinkomen van Bob den Uyl. Tegelijkertijd verdwijnt deze auteur vrijwel geheel achter alle beschrijvingen, omdat die elkaar weleens uitsluiten. […]

boeklog 17 v 2009


Hoe en waarom Edgar Allen Poe The Raven schreef
Bob den Uyl

[…] En toch is dit in minstens éen opzicht een interessant boekje, omdat het niet éen maar drie Nederlandse vertalingen biedt. Deze dateren dan ook nog van heel verschillende momenten. De eerste vertaling van John F. Malta verscheen in 1887, de tweede van Gerard den Brabander in 1944 — in een illegaal blad — en de derde van Bob den Uyl in 1982. Opvallend aan deze versies is dat ze nogal van elkaar verschillen; de vertalers hebben los van elkaar heel verschillende oplossingen bedacht bij de voorkomende problemen. […]

boeklog 28 v 2009


De ontwikkeling van een woede
Bob den Uyl

[…] Hij speelde trompet, in verschillende vrij succesvolle jazzorkestjes, en hield daar van het ene op het andere moment mee op.

In het laatste verhaal uit dit boek laat hij een verlopen straatmuzikant vertellen over diens voorbije muziekcarrière, en wat hem in dat métier tegenstond. En om éen of andere reden lazen die passages ditmaal of Den Uyl rechtstreeks tot me sprak, over een beslissing uit zijn eigen leven. […]

boeklog 19 vi 2009


Met een voet in het graf
Bob den Uyl

[…] In een wereld vol van grote verhalenschrijvers doen de eerste pogingen van Den Uyl er gewoon te weinig toe.

Zelfs in vergelijking met wat hij later kon. […]
 

boeklog 26 vi 2009


Opkomst & Ondergang van de Zwarte Trui
Bob den Uyl

[…] En Den Uyl was even op Schier, waar hij een vos zag. Wat niet kon volgens de lokale bevolking, want er zijn geen vossen op de Waddeneilanden.

Maar merkwaardig genoeg was er, toen ik dit las, net sprake van een kleine vossenplaag op Vlieland; die uitgeroeid zou worden. […]

boeklog 25 vii 2009


Het land is niet ondankbaar
Bob den Uyl

[…] Wordt er dus misschien te weinig gefietst in dit boek om het de volmaakte Den Uyl te laten zijn. […]
 
 
 

boeklog 1 ix 2009


Een uitzinnige liefde
Bob den Uyl

[…] vervelend wordt het nooit. Zelfs al worden vondsten van bijna niets opgeklopt tot ze nog wat lijken. […]
 
 
 

boeklog 3 ix 2009


Sentiment over goedkope paperbacks

Interessant overzicht van bijna alle Salamander-pockets, bij Lenoirschuring [via]. Interessant, omdat zo’n reeks aan boekomslagen allerlei ideeën en opinies oproept.

Zo vond ik de kaften die na 1989 geproduceerd zijn voor de reeks bijna altijd vreselijk. En niet eens omdat dan ineens vooral foto’s gebruikt worden, in plaats van illustraties. Maar het is of die omslagen op de computer ontworpen zijn toen daar nog niet zo veel mee kon. Of dat ze nog te kort geleden op de markt waren om al vertedering op te roepen, door de onhandigheid van toen.

Nu is de Salamander-reeks maar éen van verschillende goedkope series waarin Nederlandse uitgevers hun ervaren titels opnieuw uitbrengen. Deze hield bovendien in 1996 op. En ik bezit ook maar relatief weinig van die boeken. De Multatuli‘s. Wat Bob den Uyl‘s. Piet Grijs. Tegelijk heb ik meer titels dan verwacht in een Salamander-uitgave gelezen.


The Maple Stories
John Updike

[…] toch wilde ik per se dit mooie kleine gebonden boekje hebben. Omdat de verhalen over de Maples samen misschien wel de mooiste roman opleveren die John Updike ooit geschreven heeft. Om de woorden van Bob den Uyl maar weer eens te gedenken, deze verhalenbundel is als een roman zonder de vervelende stukken. […]

boeklog 29 x 2009


Bij internetverkiezingen wint de populairste, en het meest algemene

Criticus Jeroen Vullings hield een bliksemenquête onder de Twitteraars die hem volgen. Wat waren volgens hen de beste vijf Nederlandse romans?

Enfin, ik ben nieuw op dat schoolplein. En stuur braaf mijn lijstje op. Onder het voorbehoud dat een roman een boek is waar iets niet aan deugt.

  1. Het refrein is Hein / Bert Keizer
  2. Lijmen-Het been / Willem Elsschot
  3. Picknick op de wenteltrap / Esther Jansma
  4. Een zwervend bestaan / Bob den Uyl
  5. Avonturen van Hillebillie Veen / Nanne Tepper

En natuurlijk is mijn lijstje vreemd. Alleen al omdat ik morgen weer wat anders vind. En het boek van Esther Jansma heette later ineens een dichtbundel in een verzameld werk. De Den Uyl is een verzameling verhalen die alleen hijzelf een autobiografische roman heeft genoemd. De Tepper is een novelle.

Maar, deze boeken kunnen goed nogmaals gelezen worden. En dat mankeert er bij de boeken uit de gebruikelijke canon nogal eens aan. Als daarop niet al volkomen overschatte boeken prijken; die in hun tijd misschien iets te zeggen hebben, maar inmiddels verouderd zijn.

Dus schreef ik Vullings ook nog dat een top3 van de meest overschatte romans geen verkeerd idee zou zijn. Maar, dit bleek dom van mij te zijn. Natuurlijk is een publieksenquête naar de beste roman, direct al een goede weergave van wat ik sterk overschatte boeken vond. Toegegeven, die Grunberg las ik nog niet; maar gezien mijn oordeel over een andere roman van hem komt dat er evenmin nog van.

Vullings eindlijst is:

  1. De ontdekking van de hemel / Harry Mulisch
  2. De donkere kamer van Damokles | Nooit meer slapen / W.F. Hermans
  3. Het bureau / J.J. Voskuil
  4. De avonden / Simon van het Reve
  5. Tirza / Arnon Grunberg

Wat ook nog eens aantoont dat jongeren Twitter inderdaad met reden een medium voor oude zakken vinden.


Te fietsen | week 48
100 Watt

Sommige wielrenners trainen met meters in hun fiets die rechtstreeks het geproduceerde vermogen tonen. Robert Gesink is zo’n renner. Vandaar dat hij altijd zo’n belachelijk klein versnellinkje trapt als de weg omhoog loopt. Dat kost dan het minste kracht.

Anderen trainen met een hartslagmeter om, en zorgen ervoor nooit boven een bepaalde hartfrequentie te komen.

Nog weer anderen doen het op hun gevoel. Omdat een mens heel wel in staat is om te voelen dat een inspanning te veel inspanning kost. Maar dit is dan weer niet wetenschappelijk, dus daar hebben trainers en coaches een hekel aan.

In mijn tijd als atleet heb ik nog net de opkomst van de hartslagmeter meegemaakt. En de ervaringen die anderen daar mee hadden, zetten me niet aan om naar zo’n ding te verlangen. Al was het wel grappig op training om de lopers met een meter te dwingen om zich iets te forceren; zodat de meter piepte dat hun hartslag te hoog was; en ze meteen hun tempo een heel eind moesten laten zakken.

Maar met zo’n onmogelijk dure vermogensmeter zou ik weleens willen fietsen. Al was het maar om te zien hoeveel Watt ik er toch nog in stop als het fietsen vanzelf gaat, snel voor de wind. Want dat vermoeit meer dan het lijkt.

TestKees van de Fietsersbond legde ooit vast hoe snel verschillende typen fietsen gaan als de man of vrouw daarop 100 Watt aan energie produceerde. Waarbij een constatering was dat de meeste fietsers in Nederland luie fietsers zijn — niet ten onrechte overigens, op de standaard fiets zit je zo rechtop dat een grotere inspanning je amper sneller laat rijden. De luchtweerstand is veel te groot.

Bob den Uyl kon zich daar begin de jaren zeventig nog vreselijk kwaad om maken.

Overigens gaat een fietser in een velomobiel met diezelfde 100 Watt inspanning bijna twee keer zo snel als op een omafiets.

In een terzijde meldde TestKees hoe bevreemdend het was om telkens die 100 Watt op een elektrische fiets te rijden. Omdat het motortje daarbij zo ongemerkt meehielp.

Bij tegenwind was de accu wel leeg na een uur. En dat staat er in de foldertjes toch zelden bij.


At Swim-Two-Birds
Flann O'Brien

Langzaamlees-project voor februari wordt de roman At Swim-Two-Birds van de Ierse auteur Flann O’Brien/Brian O’Nolan, uit 1939. Mede omdat ik niet denk dat het boek snel te lezen is.

Deze roman is een wat pesterig geval. Zo hergebruikt O’Brien slechts personages uit bestaande boeken en verhalen; omdat er volgens hem al veel te veel bedachte romanfiguren waren.

Bovendien vertelt de roman niet éen verhaal, maar drie tegelijk. Waarbij de personages bovendien tegen hun schepper ingaan op een gegeven moment. En daarmee ging dit boek vele postmodernistische experimenten van decennia later vooraf.

Ik las de roman eerder in de vertaling van Bob den Uyl — die indertijd zeer chagrijnig was dat de uitgever daarvoor de titel Tegengif koos.

Den Uyl beschrijft ergens ook hoe hij zich voor de vertaling terugtrok in een vakantiehuisje, omdat hij alle rust en concentratie nodig had. Waarop de eigenaar van het huisje bij het zien van Den Uyl’s woordenboeken zei dat iedereen dat vertalen daarmee wel kon.

[ lees al mijn gedachten over At Swim-Two-Birds hier ]


Te fietsen | week 32
Eibersburen


* click voor groter

Wat me telkens aan het fietsen verbaast, is dat er een band kan ontstaan met sommige plaatsen waar je doorgaans niet eens de moeite neemt om af te stappen.

Want zou ik mijn meest memorabele fietsmomenten in 2013 moeten samenvatten in éen woord, dan luidt dat ‘Eibersburen’. En waarom?

Eibersburen stelt op zich niets voor.

Zelfs de brug, waar het mij om gaat, ligt op een route van niets naar nergens. In het zuiden ligt de wereldstad Lutjegast. In het noorden loopt de weg door naar Visvliet.

En weliswaar heeft Visvliet nog een heel verleden, en loopt het riviertje de Lauwers er langs — die weer heel belangrijk is als grens voor de Friezen [de tongval in de provincie heet Westerlauwers Fries]. Sinds het treinstation er gesloopt werd, en Bob den Uyl zich daar over opwond, heeft niemand zich nog iets aan Visvliet gelegen laten liggen.

Ik rijd er weleens doorheen alleen, terug van een rondje Lauwersoog — of heel soms op de heenweg al.

En hoewel ik sneller thuis ben via Stroobos, moet de brug bij Eibersburen dan toch ook even worden meegepakt. Want kijk naar bovenstaande foto. Van A naar B is hemelsbreed niets, maar vergt over de weg ineens een kilometer. Aan weerszijden zijn lange hellingen gelegd, met haarspeldbochten bovendien voor wie zijn weg langs het kanaal vervolgen wil.

Die lange hellingen maken dat de brug een makkelijk klim is — een lokale fietsbrug is al steiler. En ook die haarspeldbochten zijn minder bijzonder dan het lijkt — zo logisch worden de meeste fietspaden immers niet aangelegd, bij kruisingen is het zo vaak vreemd manoeuvreren

Toch was mijn directe associatie toen ik voor het eerst de brug over reed er éen met buitenland.

En zolang dat gevoel blijft, of de herinnering aan dat gevoel blijft leven, is die brug speciaal. Voor nu. Want het kan best zijn dat ik er in 2014 nooit meer passeer. Ik moet er telkens voor omrijden.


Heilig vuur

In maart al uitgezonden, nu pas bekeken, een herhaling van een item ooit uit de jaren zeventig over schrijver Bob den Uyl [1930 — 1992] en zijn fiets. Onder meer.

Met het echte Reynolds frame.

In een verhaal vervloekt hij de programmamakers nog, want hij viel tijdens de opnames, in Ahoy, Rotterdam. Zijn cranks waren te lang, en niet geschikt om mee op een baan te rijden.

boeklog over Den Uyl


Toerfiets
Te fietsen | week 07

Het ontroerde me om eindelijk eens een beeld van de fiets te krijgen die een medepersonage was in zo veel van Bob den Uyl’s reisverhalen.

En dat is vreemd.

Want normaal doet eigenlijk alleen het boek van een schrijver er toe. Memorabilia van zijn of haar werkende leven interesseren me niet. Musea gewijd aan éen auteur ga ik voorbij. Waar of waarmee zij schreven, is al evenmin van groot belang. Het resultaat telt, en het resultaat telt doorgaans alleen.

De ontroering over de fiets van Den Uyl is extra vreemd vanwege de tegenzin van hem om mee te doen aan dat toneelstukje voor de televisie, en zijn onverschilligheid uiteindelijk ook over dat rijwiel.

Het onderhoud daarvan liet hij aan anderen over.

Mag hij dus een boekje hebben geschreven dat Wat Fietst daar? heet. Kende hij toch de eenvoudige wet niet die stelt dat er twee manieren zijn om plezier te beleven aan een fiets. Door het ding te berijden. Of door het apparaat te onderhouden.

Fora genoeg online overigens waar tegenwoordig hevig gediscussieerd zou worden of het vleugeltje van de snelspanner achter de juiste kant opwijst. Dus moet ik wel constateren zo’n gegeven inmiddels waar te nemen bij het kijken naar een fiets; terwijl de kwestie me niet eens interesseert.

Wel betrapte ik mijzelf op de gedachte hoe jammer het was dat schrijver noch programmamaker het benul hadden om te weten dat je een fiets altijd hoort te tonen van de kant waar de aandrijving zit. Met het stuur naar rechts in beeld dus.

Toch vertelt Den Uyl’s fiets ook zo al heel wat. Hij reed op een raceframe — zoals hij ook aangaf — dat geschikt is gemaakt om te toeren, door spatborden en een dragertje te monteren. Een echte toerfiets had namelijk een langere wielbasis gehad, met het achterwiel iets verder weg van de zadelbuis, waardoor er bijvoorbeeld dikkere banden gemonteerd hadden kunnen worden; wat het rijden van lange afstanden comfortabeler maakt.

Verder valt de sportiviteit aan de zit op. Het stuur staat heel wat lager dan het zadel — bij toerfietsers en lange-afstandrijders staan beide gauw eens dichter bij elkaar.

En het frame lijkt me zelfs aan de kleine kant, gezien het grote stuk zadelpen dat uitsteekt — wat indertijd de mode helemaal niet was; anders dan nu.

In contrast met al deze sportiviteit staat dan weer het loeizware, afgeveerde zadel.

Maar, misschien is mijn ontroering wel allereerst ontstaan door de minuten in het middendeel van het item, als Den Uyl een paar maal de wielerbaan in Ahoy rondrijdt. En aan zijn hoog opgetrokken schouders is te zijn dat hij daarbij angst heeft eerst. Pas na een ronde of wat zakken de schouders wat, en buigen zijn armen. Dan is te zien dat hij wel degelijk een fietser was, die dus afstanden kon rijden.