Ynhâld fan ’e fietsen 2016-side

  1. Clubman xii  Te fietsen | week 0101/2016
  2. Fietsies  Te fietsen | week 0101/2016
  3. Een vooroorlogse Godwin xv  Te fietsen | week 0201/2016
  4. Januari  Te fietsen | week 0201/2016
  5. Strava iii  Te fietsen | week 0301/2016
  6. Een vooroorlogse Godwin xvii  Te fietsen | week 0301/2016
  7. Glibberen  Te fietsen | week 0301/2016
  8. 3D  Te fietsen | week 0401/2016
  9. Februari  Te fietsen | week 0401/2016
  10. Motortje  Te fietsen | week 0502/2016
  11. Fixed? ii  Te fietsen | week 0502/2016
  12. Onderhoud  Te fietsen | week 0602/2016
  13. Profiel  Te fietsen | week 0602/2016
  14. Elfstedentocht ii  Te fietsen | week 0702/2016
  15. Spiergeheugen  Te fietsen | week 0702/2016
  16. E-Cruizer  Te fietsen | week 0802/2016
  17. Plooifiets  Te fietsen | week 0802/2016
  18. OV-fiets  Te fietsen | week 0802/2016
  19. Plooifiets iii  Te fietsen | week 0902/2016
  20. Compromissen i  Te fietsen | week 0903/2016
  21. Compromissen ii  Te fietsen | week 0903/2016
  22. Compromissen iii  Te fietsen | week 1003/2016
  23. Plooifiets vii  Te fietsen | week 1003/2016
  24. Maart  Te fietsen | week 1103/2016
  25. Maat  Te fietsen | week 1103/2016
  26. Maat ii  Te fietsen | week 1203/2016
  27. Prijs  Te fietsen | week 1203/2016
  28. Zomertijd  Te fietsen | week 1303/2016
  29. Strava vi  Te fietsen | week 1304/2016
  30. April  Te fietsen | week 1404/2016
  31. Tekenend  Te fietsen | week 1404/2016
  32. Halfgeel  Te fietsen | week 1504/2016
  33. Grootstad  Te fietsen | week 1604/2016
  34. Verklärte Nacht  Te fietsen | week 1704/2016
  35. Multitools iii  Te fietsen | week 1704/2016
  36. Houding  Te fietsen | week 1805/2016
  37. Kleine wielen  Te fietsen | week 1905/2016
  38. Kleine wielen ii  Te fietsen | week 1905/2016
  39. Mei  Te fietsen | week 2005/2016
  40. False brinelling  Te fietsen | week 2105/2016
  41. Roze  Te fietsen | week 2105/2016
  42. Lucht  Te fietsen | week 2206/2016
  43. Hot foot  Te fietsen | week 2306/2016
  44. Fietsen schrijft wit | 3  Te fietsen | week 2306/2016
  45. Balhoofdstel  Te fietsen | week 2406/2016
  46. Teletrapper  Te fietsen | week 2406/2016
  47. Balhoofdstel iii  Te fietsen | week 2406/2016
  48. Juni  Te fietsen | week 2506/2016
  49. Dom vertrouwen  Te fietsen | week 2506/2016
  50. Plooifiets xv  Te fietsen | week 2606/2016
  51. Plooifiets xvi  Te fietsen | week 2606/2016
  52. Deluge  Te fietsen | week 2607/2016
  53. Lint  Te fietsen | week 2707/2016
  54. Juli  Te fietsen | week 2807/2016
  55. Laurent Fignon’s autobiografie  Te fietsen | week 2907/2016
  56. Profronde  Te fietsen | week 3007/2016
  57. Transcontinental  Te fietsen | week 3108/2016
  58. Obsessive Compulsive Cycling Disorder  Te fietsen | week 3108/2016
  59. Geen idee  Te fietsen | week 3208/2016
  60. Geen idee | ii  Te fietsen | week 3208/2016
  61. Augustus  Te fietsen | week 3308/2016
  62. De elleboogzenuw flossen  Te fietsen | week 3308/2016
  63. What Goes Around  Te fietsen | week 3308/2016
  64. Voorspelbaarheid  Te fietsen | week 3408/2016
  65. Kettingdynamo  Te fietsen | week 3408/2016
  66. Kofferbak  Te fietsen | week 3508/2016
  67. Mooi wit  Te fietsen | week 3509/2016
  68. September  Te fietsen | week 3609/2016
  69. Scheetje beef  Te fietsen | week 3609/2016
  70. 42 x 18  Te fietsen | week 3709/2016
  71. Psychokiller  Te fietsen | week 3809/2016
  72. Tapetenwechsel  Te fietsen | week 3809/2016
  73. Afsluitdijk  Te fietsen | week 3809/2016
  74. Centrale As | iv  Te fietsen | week 3909/2016
  75. Oktober  Te fietsen | week 4010/2016
  76. Zadeldekje  Te fietsen | week 4010/2016
  77. Voorrem  Te fietsen | week 4010/2016
  78. Parallelle wereld  Te fietsen | week 4110/2016
  79. Suikerzoet  Te fietsen | week 4110/2016
  80. Verzameling  Te fietsen | week 4110/2016
  81. Projectie  Te fietsen | week 4210/2016
  82. Rust  Te fietsen | week 4310/2016
  83. Oud staal  Te fietsen | week 4310/2016
  84. Oud staal 2  Te fietsen | week 4310/2016
  85. Oud staal 3  Te fietsen | week 4310/2016
  86. Oud staal 4  Te fietsen | week 4310/2016
  87. November  Te fietsen | week 4411/2016
  88. Derailleuroog  Te fietsen | week 4411/2016
  89. Borgmoersleutel  Te fietsen | week 4411/2016
  90. Navigare  Te fietsen | week 4511/2016
  91. Navigare 2  Te fietsen | week 4511/2016
  92. Ninja’s  Te fietsen | week 4511/2016
  93. Kou  Te fietsen | week 4611/2016
  94. Troepje  Te fietsen | week 4711/2016
  95. Zo dus  Te fietsen | week 4711/2016
  96. Prestatiedruk  Te fietsen | week 4711/2016
  97. Begrenzing  Te fietsen | week 4811/2016
  98. Unica  Te fietsen | week 4811/2016
  99. Fietsconditie  Te fietsen | week 4811/2016
  100. December  Te fietsen | week 4912/2016
  101. Verkeersgeleidesystemen  Te fietsen | week 4912/2016
  102. Vluchtplan  Te fietsen | week 4912/2016
  103. Naverbranding  Te fietsen | week 5012/2016
  104. Infrastructuur  Te fietsen | week 5012/2016
  105. Lessen geleerd  Te fietsen | week 5112/2016
  106. Lessen nog altijd niet geleerd  Te fietsen | week 5112/2016
  107. Zo’n jaar in cijfers  Te fietsen | week 5212/2016
  108. Flessenhouder  Te fietsen | week 5212/2016

© eamelje.net 2001-2017. Alle rechten voorbehouden. All rights reserved

 

Clubman xii
Te fietsen | week 01

Door mijn aloude Batavus Sprint om te bouwen tot singlespeed heb ik nu dus niet éen, maar twee fietsen van het type Clubman. Kan er wel nog gediscussieerd worden over de vraag of de Batavus licht genoeg is om te voldoen aan de criteria dat ik zelf ooit stelde.

Vergeleken met de echte Clubmans die na de oorlog in Groot-Brittannië rondreden vanzelfsprekend wel. Aan veel van die fietsen was alles nog staal — en dat werd al een hele vooruitgang geacht vergeleken met het gietijzer van voordien.

De Batavus heeft tal van aluminium onderdelen.

Maar vergeleken met de echte lichtgewicht fietsen in mijn stal is alleen het frame al een opmerkelijk stuk zwaarder, door de lagere kwaliteit van het staal. Heb ik ook nog spatborden aan de fiets gehangen, een slot en een stander, en rijdt die op relatief zware ballonbanden.

Tegelijk was de Batavus Sprint al nooit een snelheidsmonster — door de ontspannen geometrie.

En nu de fiets slechts nog éen enkele versnelling heeft, vult die ineens een niche in mijn verzameling waarvan ik niet wist dat die er was. Plots is de Batavus de ideale slechtweer fiets geworden; omdat er zo weinig aan slijten kan. Bovendien was het frame al eens helemaal afgeschreven, om een breuk in de achtervork. Ineens ook is het de meest geschikte fiets om even een uurtje ontspannen op rond te rijden, met de daagse kleren aan. Want die brede ballonbanden dempen zo fijn.

Dat ik er niet heel snel op rijden kán, is ineens een kwaliteit geworden.


Fietsies
Te fietsen | week 01

Van al mijn fietsen heb ik enkel foto’s die gemaakt werden op oneigenlijke momenten. Als ze stilstaan. Al dan niet met de stander uitgeklapt.

Terwijl een fiets pas tot leven komt als die wordt voortbewogen. Al rijdend.

Maar om die beweging vast te leggen, werkt video vast beter. Nederland is iets te saai om eeuwig met een GoPro-camera te gaan rondrijden; alleen geef ik toe daar weleens aan te hebben gedacht.

Zou ik eventueel nog onder het rijden foto’s kunnen maken van mijn weerspiegeling in een etalageruit. Want tal van wielertoeristen schijnen daar graag naar te kijken. Hun eigen beeld weerkaatst, in het voorbijgaan. Dat streelt dan hun ijdelheid.

En ik moet toegeven zulke spiegelingen weleens te gebruiken; alleen gaat het mij dan om een nuttiger zaken, zoals de vraag of mijn achterlicht wel aan is.

Verder vermijd ik het liever om in spiegelende etalageruiten te kijken. Ik ben domweg te lang en breed om fraai gestileerd op een fiets te zitten. Immer komt bij mij dan eerder de gedachte op een circusbeer te zien rondrijden op een kinderfietsje.

Mijn eigen schaduw te moeten zien meefietsen is al een straf.

En fietsen met grotere wielen bestaan dan weliswaar wel, alleen vragen die altijd om maatwerk. Waaraan dan bijvoorbeeld opvalt dat er slechts éen soort velgen is om 36 inch wielen te maken, in plaats van de standaard 28 inch.

Dus, terwijl ik vind veel vaker foto’s te moeten maken, en mijn fietsen daarbij als vanzelfsprekend een goed onderwerp biedt, weegt daarbij al meteen de constatering mee dat die plaatjes nogal statisch zullen blijven.


Een vooroorlogse Godwin xv
Te fietsen | week 02

Verwarring in recordjagersland. Kurt ‘Tarzan’ Searvogel had gepland om vanmiddag, ergens tussen drie en vier, het onbreekbaar geachte record van Tommy Godwin te evenaren. Wat hem dan nog tot 10 januari geeft om een nieuwe standaard te zetten voor het hoogste aantal mijlen gefietst in een jaar.

Alleen laat het scoreboard van de UMCA — die het record moet ratificeren — zien dat Searvogel inmiddels Godwin’s 75065 mijl al gepasseerd is.

Nu ja, het bier zal de atleet er vanmiddag niet minder om smaken, waarschijnlijk.

In Groot-Brittannië ploegt Steve Abraham ondertussen voort, al moet deze maand uitwijzen of hij zijn recordpoging doorzet tot en met augustus. Abraham heeft inmiddels al een heel jaar gefietst, en legde daarin de vijfde afstand ooit af. Alleen was dat aanzienlijk minder dan gehoopt. Mede omdat een brommer hem aanreed waardoor hij zijn enkel brak, wat hem al direct op een enorme achterstand zette ten opzichte van Godwin; waarop er die officiële herstart volgde in augustus.

Kwamen daar in oktober nog andere medische problemen bij. Abraham’s nieren kregen het moeilijk met de enorme hoeveelheden suikers die de fietser elke dag verstouwde als brandstof. Daarop moest hij radicaal zijn dieet aanpassen, wat vervolgens zijn dagafstanden nogal verminderde.

Zijn er ondertussen twee nieuwe kandidaten gestart met hun jaar op de fiets.

In Australië is Bruce Berkeley — AKA Cycle_dr 1 — 2016 al vrij furieus begonnen.

En de Brits-Zweedse Kajsa Tylen wil het damesrecord verbeteren; wat overigens net de helft is van Tommy Godwin’s ooit zo onmogelijk lijkende afstand.

Terwijl ik eindelijk een metafoor lijk te hebben gevonden om aan te geven wat die tijdrit van een jaar op de fiets waard is.

Want stel dat ik een jaar lang alle trappen oploop van een nabije wolkenkrabber, om eenmaal boven telkens met de lift naar beneden te gaan, en vervolgens opnieuw naar boven te lopen. En stel dat de bovenste verdieping van dat gebouw op 100 meter ligt. Dan zou ik al snel kunnen zeggen meer te hebben geklommen dan de Mount Everest hoog is.

Punt blijft dan alleen dat ik niet die Mount Everest beklom, maar telkens in hetzelfde trappenhuis verkeerd heb.

Duurrecords zeggen hoogstens dat er iemand zo gek is geweest een hele tijd hetzelfde te gaan doen. En dat ook nog heeft volgehouden. Knap hoor, maar enkel boeiend zoals in het begin van 2015, toen twee mannen op twee verschillende continenten aan hun recordpoging begonnen; en daarmee ook elkaar als directe tegenstander hadden.


Januari
Te fietsen | week 02

Maandagochtend vroeg was het al duidelijk voor ik opstond. Door de gordijnen heen leek het buiten al lichter dan het zijn kon voor de tijd van het jaar. Dus moest er wel sneeuw zijn gevallen, die nacht. Wat niet raar was. Het is winter. Al had december dat gegeven nog zo ontkend.

En, de sneeuw bleef liggen. Behalve op de weg voor mijn huis dan, waar alles snel tot pap werd gereden.

Kwam daar in de avond wel nog ijzel overheen.

Dus kan ik het nieuwe fietsjaar nog zo enthousiast willen beginnen, de omstandigheden zijn er nu niet naar. Zelfs zonder sneeuw en ijzel is het weer al aan de onmogelijke kant — om de oostenwind van zeker 4 Beaufort, en de bijbehorende chillfactor, die gevoelsmatig een temperatuur oplevert van heel ver onder nul.

Zit die gure lucht wel nog vervelend vol met vocht, en is die bij tegenwind een muur; anders dan wanneer het echt min 8° Celsius zou zijn.

Beroerder weer om in te fietsen ken ik eigenlijk niet.

Dus zo bezien zou het me niet uit horen te maken dat de straten nu, en mogelijk zelfs tot donderdag, ook nog gevaarlijk glad zijn. Omdat niemand daar wat aan doen kan. Toevallig botste er boven mijn regio zachte lucht uit het zuiden op koude lucht uit het oosten. En daar kwam toen even narigheid van. Kan gebeuren.

Toch doet het wel wat. Vooral omdat ik er nu over moet gaan nadenken of het nodig is de deur uit te stappen; om welke reden ook. Mede omdat dit met het huidige weerbeeld alleen veilig bij daglicht kan.

En hoedt u voor weersomstandigheden die om een planning vragen.


Strava iii
Te fietsen | week 03

De cijfers die Strava over zijn klanten beschikbaar stelde dit keer gaven iets meer informatie dan die van vorig jaar. Naast de gemiddelde snelheid van de gebruikers, en de gemiddelde afstand per rit, werd namelijk ook getoond hoe veel deze fietsen in een jaar.

En die jaartotalen vind ik nogal laag.

Terwijl ze voor Nederland nochtans niet wezenlijk anders liggen dan voor België, of het Verenigd Koninkrijk. Mannelijke Strava-gebruikers rijden zo’n duizend kilometer in het jaar. Waarbij er ook profwielrenners zullen zijn die 30.000 kilometer rijden, en aan het andere eind mensen die de dienst misschien éen twee keer proberen en dan nooit meer.

Die kleine duizend kilometer wordt dan verreden in vijftien, zestien ritjes. Dat is iets meer dan een kwartaal lang ieder weekend een keertje; gezien de gemiddelde ritafstand.

En ik denk vooral daar van op te kijken. Dat minieme aantal ritjes. Die dan toch gecombineerd zijn met de drang om alles daarover vast te willen leggen. Daar begrijp ik heel veel niet aan.

Niet dat ik mijn manier van fietsen heilig moet verklaren. Maar voor mij is een dag niet gefietst ook bijna al meteen een verloren dag. De vier dagen van wegen vol met ijzel van de week waren een straf; want daardoor werd me huisarrest opgelegd.

Ook zal ik nooit aan de Strava willen, alleen al omdat het idee permanent een peilzender op zak te hebben mij niet aangenaam is.



Een vooroorlogse Godwin xvii
Te fietsen | week 03

En toen hield Steve Abraham zijn poging voor gezien om een jaar lang zoveel mijlen als mogelijk te fietsen.

Weliswaar had hij al een jaar afgelegd — zijn eerste poging begon op nieuwjaarsdag 2015 — alleen werd hij een paar maanden later van zijn fiets gereden door een brommer, waardoor Abraham zijn enkel brak, en een tijdje met éen been trapte op een ligfiets om toch maar dagelijks kilometers te maken.

Daarop werd in augustus in hernieuwde officiële poging gestart; terwijl de eerste nog liep.

Probleem was alleen vanaf het begin dat Abraham zijn recordpoging ietwat romantisch heeft opgevat. Omdat Tommy Godwin in 1939 een onaantastbaar lijkende jaarafstand reed op een stalen Raleigh, koos Steve Abraham daar eveneens voor.

Verder bleef ook hij in Groot-Brittannië rijden, op een klein uitstapje naar Frankrijk na om tussendoor even Parijs-Brest-Parijs te doen.

Zijn concurrent Kurt Searvogel reed niet alleen in beter weer, diens wegen waren een stuk vlakker, en hij fietste altijd voor de wind. Omdat zijn metgezel er wel voor zorgde dat hun camper de volgende ochtend ergens stond van waaruit er lange einden met rugwind was te fietsen.

Searvogel maakte zo aanzienlijk kortere dagen dan Abraham — en herstelde daardoor beter.

Terwijl het met Steve Abraham al een tijdje lijden was. Zo zeer zelfs dat bevriende volgers online hem al even aanraadden om te stoppen, en weer beter te worden. Want zoals hij nu bezig was, leek het alsof hij zijn gezondheid voor eeuwig aan het slopen was.

Abraham zelf ziet het iets simpeler. Hij kon het record niet halen, daarom stopt hij nu. Want om het record te halen, zou hij een stuk sneller moeten fietsen dan hem lukt. Maar om sneller te kunnen fietsen had hij eerste een periode nodig van kortere dagen, om te herstellen en kracht op te doen; wat hem paradoxaal genoeg dus nog weer verder van het jaarrecord had afgebracht.

 


Glibberen
Te fietsen | week 03

Het vervelendste aan periodes met kou, helemaal nu de weersverwachtingen veertien dagen vooruit kijken, is dat die mij te makkelijk passief maken. Waarom zou ik nu de weg op gaan, met al zijn plekken sneeuw en ijs, als die rotzooi overmorgen alweer weg is? Als ik dan nergens bij hoef na te denken onder het fietsen?

Dus blijf ik liever thuis.

Weinig voelt ook zo onnozel dan om uit te glijden op iets dat morgen niet meer bestaat; want dan al is weggesmolten.

Als het moet dan lukt het me overigens vrij goed om over gladde wegen te fietsen. Zolang mijn fiets maar brede banden heeft, en die niet knalhard zijn opgepompt, is het niet heel moeilijk om tractie te houden. Mits ik mijn vaart aanpas aan wat er kan.

In de winter 2012-2013 kwamen er bijna een halfjaar lang telkens periodes voor met sneeuw, die dan half wegsmolt, maar vervolgens weer opvroor, en dus verraderlijk glad werd. Toen heb ik uitgebreid ervaring kunnen opdoen met het fietsen onder omstandigheden als in de afgelopen week — want anders had bijna een halfjaar lang ik het huis amper uit gekund.

Een val overkomt me alleen omdat mijn snelheid dan blijkbaar te hoog is voor wat kon.

Viel me deze week wel op dat het nogal uitmaakte waar je was hoeveel sneeuw er lokaal gevallen was. Er waren plaatsen bij waar de wegen er nog heel vies bijlagen. Ik reed zelfs over een stukje fietspad dat blijkbaar amper gebruikt wordt, en waar alles nog met een hobbelig laagje ijs bedekt bleek te zijn.

Gelukkig moest ik daar enkel rechtdoor.

En dan kunnen de gemeenten nog zo hun best gedaan hebben om de fietspaden op doorgaande routes vrij te houden, dat valt dan nauwelijks op; want dat spreekt vanzelf. Enkel dat gehobbel over dat stukje ijs zal me nu net wel bijblijven; om het mogelijke risico.


3D
Te fietsen | week 04

In Makers van Cory Doctorow stuitte ik jaren terug voor het eerst op de mogelijkheid dat fietsen nog eens geprint zouden kunnen worden. In een 3D-printer.

Die hele roman is dan ook eigenlijk éen lofzang op alle nieuwe mogelijkheden die het 3D-printen gaan brengen.

Toch viel het me nog niet mee wat ontwerpers in de harde werkelijkheid ondertussen hebben gedaan met dit nieuwe productieprocédé. Veelal komen die met fietsframes die lijken op haak- of breiwerkjes; zoals bovenstand model van de TU Delft.

Nutteloze constructies zijn dat, voor wie bijvoorbeeld het hele jaar door fietst, en niet te veel tijd kwijt wil zijn aan het schoonhouden van de boel. Handig hoogstens als studie-objecten. Meer niet.

De interessantste ontwerpen vond ik nog komen van degenen die 3D-prints gebruikten om de traditionele bouwmethoden aan te vullen. Zoals om de lugs van titanium te printen — met hulp van lasersintering — en dan de buizen van het frame gewoon van carbon te houden.

Toch, uiteindelijk gaat het slechts om éen ding, lijkt me. Dat 3D-printers het goedkoper moeten maken om een frame exact op maat maken, volkomen aangepast aan het gewicht van de fietser, met precies de goede framehoeken voor de lichaamsverhoudingen van deze rijder, en krekt de juiste wielbasis voor het door hem of haar gewenste rijgedrag.

Dan nog blijft staan dat er geen fiets is die alles goed kan, waardoor een beetje fietser er altijd meer dan éen nodig heeft.

Of dat de wielen en banden er waarschijnlijk nog veel meer toe doen voor het comfort — eerder schreef ik ook al in deze serietjes dat een fietsframe van werkelijk alles is te maken.


Februari
Te fietsen | week 04

Ondertussen is het ook na vijf uur ’s middags nog altijd licht. Ik vind dat prettig. Want ondanks de uitvinding van het kunstlicht eindigt elke dag voor mij eigenlijk als het donker wordt. Daarna hoeft er niet meer zo veel. Alles wat daarna gebeurt, is als spelen in reservetijd. Met lichte tegenzin.

De winter 2015 – 2016 vind ik moeilijk te beoordelen tot nu toe. Voor tussenstanden is het misschien ook nog te vroeg. Naar mijn gevoel valt de winter wel mee; enkel omdat ik slechts een keer of wat handschoenen aan moest op de fiets.

Ondertussen kampten we wel met een horror-ijzelweek-des-doods van vier tot en met zeven januari. Dagen dat er geen fiets de schuur uit kwam. Dus representatief mag mijn gevoel over deze winter absoluut niet worden genoemd. Het is vanachter de centrale verwarming onmogelijk om te oordelen over het weer.

Wel waaide het telkens hard. Als er een keer minder wind stond dan 4 Beaufort dan duurde die luwte hoogstens een uurtje. Of anders regende het wel heel hard.

En de wekelijkse standaardritjes naar de bibliotheek hadden heroïsch geheten om de weersomstandigheden, als die ritjes een wielerkoers waren geweest. Met altijd nog opvallend veel ijs op de op- en afritten. Of anders wel die keer dat de wind aanwakkerde tot bijna een storm, en het regenen ging daarbij.

Heroïsch heten wielerwedstrijden overigens al gauw, als de rijders meer te bekampen hebben dan enkel hun menselijke tegenstanders. Als de omstandigheden meespelen. Mede omdat de wielerjournalistiek zo makkelijk blijft steken in praat over lijden.

Voor simpele forenzen gaat dat niet op. Wie met regelmaat dezelfde route af moet leggen, denkt eerder in termen van noodzaak en plicht. Als ik al een eigen benaming moest definiëren voor de lange ritten afgelegd in januari, dan moet dat iets nuchterder. Fietsritten waar onderweg niets aan is, en waarbij de thuiskomst als een opluchting komt, voelen hoogstens de eerste tien minuten binnen nog als een daad. Als overwinninkjes op de luiheid.

Daarna al niet meer.


Motortje
Te fietsen | week 05

De enige elektriek aan mijn fietsen is vooraan te vinden. Sommige exemplaren hebben een naafdynamo, om de verlichting van stroom te kunnen voorzien. En over dit systeem heb ik al meermaals prijzend geschreven.

Nu werken dynamo’s ook krekt andersom. Laat er stroom naartoe vloeien, en ze gaan draaien. Hebben elektromotoren die als motor bedoeld zijn wel nog een paar extraatjes, zoals koolborstels, om dat draaien wat soepeler te laten verlopen. Maar in principe zijn die niet eens heel anders gebouwd.

Toch heb ik nog nooit bedacht om die naafdynamo’s eens als motortje te gebruiken, laat staan geprakkiseerd over de aanschaf van een elektrische fiets — thans een in Nederland toch een zeer populair vervoermiddel.

Terwijl e-bikes absoluut nut hebben.

Misschien dat dit thema gaat spelen als ik nog eens vaste werktijden krijg, ver weg buitenshuis. En dan ondanks weer of wind toch daar toch elke keer vroeg aanwezig hoor te zijn. Zodat het ineens lonen gaat om zeker te weten hoe snel je fietsen kunt; en daarmee hoe lang de reistijd wordt.

Ook ken ik iemand die op een opgevoerde e-bike meerijdt in een pelotonnetje zondagsrijders, omdat hij om een rugblessure niet meer op de racefiets mag, en de kameraadschap in de weekenden nog niet missen wil.

Is ook prima dat ouderen zo veel mobieler zijn geworden sinds ze elektrisch kunnen fietsen — zolang ze daarmee niet omvallen vlak voor mij.

Maar mensen die elektromotortjes verbergen in hun fiets, om daarmee stiekem harder te gaan dan ze eigenlijk kunnen? Volgens de Gazetta della Sport zijn er tegenwoordig wielen in gebruik, van € 200.000 het stuk, die mannen dan kopen om andere mannen in prestatieritten te verslaan.

Niets over de menselijke ijdelheid zou mij nog horen te verbazen. En toch.


Fixed? ii
Te fietsen | week 05

Zelden waaide het minder dan 4 Beaufort de afgelopen maanden. En laat dit nu net de grens zijn waarop wind een last wordt bij het fietsen. Niettemin reed ik in deze periode vaak rond op mijn oude Batavus met zijn ene versnelling. De singlespeed.

Want dat is inmiddels de aangewezen slechtweerfiets geworden. Die heb ik al eens van een framebreuk en nogal wat roest genezen. Daar mag iets stuk aan gaan; zonder dat dit me dan zorgen baart.

Bovendien waag ik me op de Batavus zelden ver de omtrek in. Op weidse polderwegen komt ie niet.

Zijn er desalniettemin nog altijd tal van open straten in de buurt waarop ik wel met wind tegen rijden moet. Zelfs de stenen jungle van de stad bestaat niet enkel uit luwte.

En blijkbaar heb ik deze winter vaak genoeg met wind tegen gereden op een net wat te grote versnelling om niet ineens ook kilometers aan krachttraining te hebben gedaan. Want, ik voel me nogal wat sterker dan voorheen onder het rijden. Het probleem van de eenversnellingsfiets — dat die altijd te zwaar trapt of te licht — blijkt dus ineens niet eens per se een probleem te hoeven zijn.

Achteraf.

Hadden die oude profs het toch wel slim bekeken door in de winter op een fixie te gaan trainen. School er waarheid in die aloude mythe. En kun je dus zelfs op een trage fiets in gewone kleding op boodschappentempo nog heel wat doen om je fietsconditie te verbeteren.

Ongeweten bovendien.


Onderhoud
Te fietsen | week 06

Van de winter 2012-2013 herinner ik me nogal eens zoutresten van mijn fiets geborsteld te hebben. Want in die periode werd er gestrooid van november tot in april. Ik werd toen zelfs met regelmaat ingehaald door een strooiwagen. Die me dan even in een oranje zwaailicht baadde. Ik had indertijd namelijk net de vreugde ontdekt van goede hedendaagse fietsverlichting, en reed daardoor graag in het donker; op de momenten dat het afkoelde.

Deze winter kenmerkt zich tot nu toe door het zand. Want het waait en regent vooral. Dus liggen de wegen er almaar nat bij.

Als zo’n natte fiets eenmaal weer opgedroogd is thuis valt vooral op tot waar het vocht met dat zand allemaal spatte.

Toegegeven, smalle spatborden beschermen daarbij aanzienlijk minder goed dan brede. Al geldt ook dat mijn fiets met de smalste spatborden geen bijzonder profiel heeft op de banden; waardoor ik dacht dat die minder vocht zouden opsmijten onder het rijden.

En ik kijk dan even naar dat opgedroogde zand, en schuier het er ook zo weer af. Sommig onderhoud aan de fiets kost zo weinig tijd dat het dom wordt om dat na te laten.

Van de herfst heb ik de fietsen in de was gezet waarvan ik dacht dat ze deze winter gebruikt zouden worden. Dus in principe zou alles goed beschermd horen te zijn. En toch twijfel ik daar weleens aan, door de nieuwe ladingen zand steeds. Zelfs al kleven de zandkorrels allereerst aan de achtervork en het spatbord daar. En zelfs al is alles nog altijd simpel schoon te vegen.

Elke keer alles met lauw sop schoonwassen en daarna opnieuw beschermen wordt alleen ook weer zo wat.


Profiel
Te fietsen | week 06

Opvallend aan de fietswereld vind ik dat daarin nog altijd innovatieve eenlingen kunnen bestaan; die zelfs in staat zijn om oeroude mythes te ontkrachten; en daarmee de hele industrie net een andere kant op te sturen. Jobst Brandt was zo iemand. Grant Petersen. Of Jan Heine. Om me tot de Amerikanen te beperken.

Zo deed Jan Heine in 2007 onderzoek naar de rolweerstand van banden, waarin hij alle bestaande wijsheid vrij simpel ontkrachtte. Heine vond dat in de praktijk van alledag brede banden minder rolweerstand hebben dan smallere, en dat soepel inverende banden minder weerstand opleveren dan knalhard opgepompte.

Reden toch al decennia hele pelotons met professionele wielrenners op keiharde bandjes van amper 21 millimeter breed. Volledig overtuigd dat sneller niet kon.

Punt was alleen dat tot 2007 de rolweerstand van fietsbanden in een lab gemeten werd, door wielen over een stalen drum te laten rollen. Terwijl in de harde werkelijkheid van alledag geen enkel wegdek ooit zo glad is als zo’n stalen rol. En dat bij Heine’s metingen bleek dat de band die de oneffenheden van de weg goed absorbeerde niet alleen comfortabeler was voor de fietser, maar deze nog sneller maakte ook. Knalharde bandjes geven te veel trillingen door; wat allemaal energieverlies is.

Inmiddels rijden ook de wielerprofessionals op 25 mm brede bandjes.

Heeft Heine ondertussen alleen weer onderzoek verricht dat controverse opriep. Hij heeft nu uitgevonden dat bandjes met profiel meer tractie hebben dan banden zonder; de zogeheten slicks. Want dat profiel vervormt mee met het wegdek, waar profielloze banden over alle oneffenheden heenglijden.

Terwijl dus hele pelotons met profs rondrijden op profielloze, in een dubbel opzicht gladde banden.

Ik moet toegeven nooit enig snelheidsverschil te hebben kunnen merken tussen het rijden op slicks, of het rijden op profielbandjes.

Mijn keuze veelal voor banden met profiel is dan ook ingegeven door een andere reden. Ik meen dat die me meer bescherming bieden tegen lekrijden. Zeker in de winter. Als de wegen er zo vaak nat bijliggen. Bleek me laatst alleen ook dat juist een hoog bandprofiel kan maken dat steentjes en stukjes glas in de band vast gaan zitten; geklemd tussen de opstaande rubber delen. Want ik reed daardoor een Schwalbe Marathon band lek; terwijl dat eigenlijk niet mag.


Elfstedentocht ii
Te fietsen | week 07

Elk jaar is er op Tweede Pinksterdag een Elfstedenfietstocht. Daar zal ik nooit aan meedoen, zo werd hier al eens gemeld; hoe vaak men mij ook vraagt. In een optocht meerijden is niets voor mij. En al helemaal als die polonaise met tienduizenden op de fiets ruim tweehonderd kilometer lang moest duren.

Maar sinds vorig jaar is er ook een Elfstedentocht voor fietsers in de winter — bij eeuwig gebrek aan ijs. Daar deden toen slechts een paar honderd mensen aan mee; voor mij overigens nog altijd te veel. Dit jaar zouden dat er vijftienhonderd mogen worden. Twaalfhonderd dapperen gingen uiteindelijk van start

En toen werd deze tocht der tochten halverwege al afgebroken. Niet omdat het te guur was per se, maar omdat de organisatie had gezien dat nogal wat deelnemers de omstandigheden onderschat hadden. Mensen zaten al onderkoeld op de fiets; en dan moesten ze nog tegen de wind in van Staveren helemaal naar Dokkum.

Op de TV-beelden van de regionale omroep zag ik er ook rijden zonder spatbord op hun fiets. Terwijl het werkelijk de hele dag regende. Die werden dus van boven en van onderaf nat gespetterd. Dat helpt niet om warm te blijven.

En dan is het makkelijk gniffelen om zoveel domheid en gebrek aan voorbereiding. Alleen moet ik er toch ook vanuit gaan dat de doorsnee deelnemer aan zo’n evenement eigenlijk een mooiweerfietser zal zijn; die volgens de Strava-statistieken gemiddeld tochtjes maakt van veertig kilometer lang.

Geen tweehonderd.

Bovendien was het op 14 februari 2016 werkelijk het beroerdste fietsweer dat ik ken. Net boven nul werd het, zodat de lucht nog altijd verzadigd was met vocht, wat helaas altijd behoorlijk meehelpt om het kil te maken. De wind van 4 à 5 Beaufort kwam snijdend uit het noordoosten.

Had het gevroren die dag dan had het paradoxaal genoeg minder koud aangevoeld — want dan had er niet zo veel kilte veroorzakend vocht in de lucht gezeten.

Ware het nog wel aardig geweest als de regionale omroep fietsers had weten te vinden die slachtoffer waren geworden van hun eigen domheid. Maar die zullen al in de inderhaast georganiseerde bussen terug hebben gezeten, voordat de journalistiek ontdekte dat er iets aan het misgaan was.
 


Spiergeheugen
Te fietsen | week 07

Van de week zat ik eindelijk weer eens op een fiets met enkel een terugtraprem. En toch kostte het geen enkele moeite om die rem goed te gebruiken. Sterker nog, ik merkte op het moeilijkste kunstje bij de terugtraprem nog perfect te beheersen — om zonder na te denken zo te remmen dat de fiets wel voldoende vaart mindert voor dat moment, en toch netjes door blijft rollen, omdat de rem nog net niet volledig aangrijpt.

Had ik zelfs nog nooit eerder op die fiets gezeten, en waren de specifieke rijeigenschappen van dat ding me onbekend.

En goed, wellicht hadden andere automatismen het overgenomen als ik wel een noodstop had moeten maken. Misschien had ik dan wel voor niets keihard in de handvaten geknepen van het stuur, bij het gebrek aan remhandels daar.

Hoop ik tegenwoordig toch wel zo anticiperend te rijden dat noodstops alleen nodig zijn bij idiote fouten van anderen. Alleen hebben ook idioten een rijbewijs. Juist idioten, denk ik soms als ik weer eens per ongeluk in het spitsuur ben beland.

Uit de tijd dat ik mijn Batavus Sprint net had, herinner ik me ook de omgekeerde reactie. Enkel gewend aan terugtrapremmen trapte ik toen nog eens een keer panisch achteruit bij een noodstop, in plaats de remgrepen zo hard mogelijk dicht te knijpen. Om toen het misselijkste gevoel ooit te krijgen. Om geen weerstand te voelen waar wel duideljke tegenstand verwacht werd. Direct gevolgd door de paniek dat mijn fiets niet reageerde op mijn zo krachtig uitgevoerde bevel om direct stil te staan. Niet weldra, maar nu, maintenant, tout de suite, heute nog verdomme.

Ook vallen voelt altijd merkwaardig vertrouwd, vreemd genoeg. Alsof het lichaam zich al die keren vallen nog herinnert als klein kind. Of misschien vertaalt het brein de val slechts wel naar een ervaring die het heel jong al leerde. Wie weet.


E-Cruizer
Te fietsen | week 08

Afgebeeld hierboven staat een fiets. Eentje met een motor weliswaar, alleen dan toch slechts een licht elektromotortje. Het is een e-bike. Kijk naar de trappers. Maar wel éen met een actieradius die twee keer zo groot is als van de doorsneefiets met trapondersteuning.

Zo’n frame biedt dan ook wel enige ruimte voor een stevige accu.

De maker wil nu door crowdfunding voldoende kapitaal verwerven om de productie van het tal fietsen te kunnen verhogen. En daarmee zij hem succes gewenst.

Pas nu ik over dit ontwerp nadenk, valt me op: alleen als je van je Harley Davidson-replica een e-bike maakt, hoeven de berijders geen helmpje op. Natuurlijk. Kunnen ze zich helemaal een Easy Rider voelen onderweg.

Mits er geen ander verkeer is. En tot ze bij een stoplicht komen, om dan door elk willekeurig scootertje voorbij geknetterd te worden. De topsnelheid van deze e-cruiser is begrensd op 25 km/uur. In de folder tenminste.

En verder blijk ik nogal andere ideeën te hebben over hoe een fiets er uit hoort te zien. Hoogstens als klein jongetje wilde ik nog dat mijn fiets een ander voertuig was. Waartoe dan met wasknijpers een stuk karton zo werd gepositioneerd dat het tegen de spaken ratelde; wat dan in onze fantasie het geluid van een motor was.

Gek dat zo’n ‘e-cruizer’ dus twee tellen nieuwsgierigheid oproept, en dan al weerzin doet groeien. Niet eens vanwege het ontwerp, of de wetenschap retrokitsch te bekijken. Zoals er ook trapauto’s bestaan mogen er best trapmotoren zijn. Neen, ik bewonder fietsen allereerst om hun grote praktische inzetbaarheid. En op het moment dat ze bewust minder praktisch worden gemaakt, om het mooi dan ook nog, roept dat dus weerstand op.

42 kilogram weegt het ding.


Plooifiets
Te fietsen | week 08

Het toeval reikte mij voor weinig een bijna nieuwe vouwfiets aan — die ook nog eens aardig reed. Tern maakt goed stijve frames. Stijver in elk geval dan de natte spaghettislierten van concurrerende merken.

Sommige liefhebbers van dit soort fietsen worden al meteen blij als ze opstappen. Want de kleine wieltjes van de vouwfiets roepen bij hen allereerst herinneringen op aan het fietsen als kind. Zo ver ben ik evenwel nog niet.

Mij verbaasde allereerst dat deze fiets toch ook dezelfde reactie opriep als ik had op elk ander exemplaar dat tot mijn stal is toegetreden. Meteen werd onderzocht wat nodig zou zijn om er probleemloos hele dagen op rond te kunnen rijden. Terwijl dit ding daartoe helemaal niet werd verworven. Afstanden tot twintig kilometer kunnen afleggen is genoeg.

Want een vouwfiets moet allereerst braaf een klein pakje kunnen worden, als de omstandigheden dit vereisen. Om, eenmaal uit de plooi gehaald, het ook nog mogelijk te maken op ontspannen wijze vlot een andere plek te bereiken.

Kwam daar dankzij de firma’s NS en ProRail helaas de wens bij om alternatief vervoer te hebben als zij weer eens een trein laten stranden. Taxiritten zijn dan duur. Toegegeven, er zijn ook dan nog altijd vele taxi’s te nemen voor de prijs van een kwalitatief goede vouwfiets. Dat stond een aanschaf tot nu toe altijd in de weg.

Kwam daar bij dat ik dacht een circusbeer op een kinderfietsje te worden op een vouwfiets — alleen ontstaat dat gevoel op werkelijk alle fietsen, zoals ik al eens beschreef, en is die schaamte er nu dus niet meer.

Jezelf niet kunnen zien fietsen, kan ook een voordeel zijn.

[ wordt vervolgd]


OV-fiets
Te fietsen | week 08

Het is helaas nog wel even wachten op de zelfrijdende auto. Zeker omdat ik nogal eens langere afstanden heb af te leggen — het videovergaderen is ook zo’n belofte nog altijd oningelost — en dat dan liever niet per auto doe. Met mij achter het stuur tenminste. Ik beleef daar niets aan, terwijl het autorijden wel concentratie kost, en daarmee een inspanning is.

En als het openbaar vervoer geen storingen heeft, werkt dat in Nederland heel mooi. Wordt de reistijd weliswaar langer dan met een auto, maar kan ik ook rustig wat werk doen onderweg. Een hazenslaapje zelfs, desnoods.

Eenmaal in de plaats van bestemming aangekomen, moet er alleen altijd nog een stukje meer worden afgelegd. Helaas. Vroeger bestond daar als goedkope oplossing de treintaxi voor. Soms ook is verder reizen handig mogelijk met stadsbus, tram, of metro. Te voet eventueel. Gebruikte ik de afgelopen jaren ook met regelmaat de OV-fiets, omdat die in alles net wat meer vrijheid biedt — en mede doordat mijn zakelijke OV-pas ineens kwam met een gratis abonnement op de dienst.

En ook voor de OV-fiets geldt, als de reservering is doorgekomen, het ding voor me klaar staat, en de banden enigszins zijn opgepompt, werkt dat in Nederland heel mooi. Fietsen, zelfs in pak, blijft een ontspanning voor mij.

Helaas ging het met die reserveringen weleens mis. Of dan probeerde ik dagen van tevoren online vast te leggen dan-en-dan een fiets nodig te hebben en dan kon dit al niet meer; om een gebrek aan beschikbare middelen aldaar.

Blijft de OV-fiets ook altijd de ietwat afgeragde fiets van een ander. Die, hoewel het model overal hetzelfde is, lang niet allemaal even goed rijden. Kwam er na het huren bovendien immer de vrees bij met andermans spullen op pad te zijn; wat zo vervelend wordt bij een ongeluk of na diefstal.

Ofwel, ware de zelfrijdende auto al breed beschikbaar geweest, dan was ik nooit op het idee gekomen een vouwfiets te willen hebben. Niet dat zo’n fiets ideaal is. Maar voorlopig hangt elke verplaatsing over enige afstand aan elkaar van de compromissen. Zaken dan zoveel als kan in eigen hand proberen te houden, neemt tenminste iets aan mogelijke ergernissen weg.

[ wordt vervolgd ]


Plooifiets iii
Te fietsen | week 09

Wat me opviel aan de vouwfiets is dat er nauwelijks objectieve informatie over lijkt te bestaan. Terwijl de eerste patenten over fietsen met een plooibaar frame — dat ook weer opengevouwen kan worden — dateren uit de oude oertijd. Van toen er nog niet eens auto’s waren, laat staan kofferbakken.

Sowieso lijdt de fiets trouwens aan dit informatieprobleem — wat dan mede komt omdat het fietsgebruik in Nederland zo uitzonderlijk is. Wij zien het ding niet als leuk sportartikel voor erbij, maar als iets vanzelfsprekends. De mensen hier rijden er gewoon op. Het hele jaar door. En zelfs de grote fietsfabrikanten maken daar hun spullen niet naar. Berg een fiets ’s winters nog nat van de pekel een paar keer op in een onverwarmd schuurtje, wat hier toch niet heel ongebruikelijk is, en kijk wat er dan allemaal heel vlot kapot aan kan gaan.

Maar de vouwfiets is al helemaal niche. Veel van de merken die op dit moment een grote reputatie hebben, zoals Brompton en Birdy, zijn ook begonnen door zonderlingen in schuurtjes en garages. Die werden niet door fietsfabrikanten ontwikkeld.

En juist omdat elke vouwfiets aan elkaar hangt van de compromissen is dat gebrek aan goede neutrale informatie jammer te noemen.

Omdat iedereen altijd zo hoog opgeeft over Brompton bijvoorbeeld, had ik me ooit heel wat voorgesteld van die fietsen. Om bij een eerste keer testen meteen te merken dat 16 inch wieltjes én een stalen fiets niet iets geven waar ik met plezier einden op rijden wou. De Brompton is bedacht voor kleinere en aanzienlijk lichtere mensen dan ik ben.

Geloof ik overigens wel dat het probleem niet per se zit in de kleine wieltjes. Sir Alex Moulton — nog zo’n excentriekeling in een schuurtje — heeft voor mij wel voldoende bewezen dat 20 inch wielen heel prettig kunnen rollen, mits daarbij gecompenseerd door enige vering en demping achter in het frame.

Mijn ongeveerde Tern fietst op zijn ballonbandjes van 42 mm overigens beter over slecht wegdek dan mijn normaal geproportioneerde Koga Roadspeed met zijn hogedrukbandjes van 25 mm. Alleen weet je zoiets pas zeker na er enige tijd op te hebben rondgereden.

[ wordt vervolgd ]


Compromissen i
Te fietsen | week 09

Het eerste compromis dat bij het ontwerp van een vouwfiets gesloten moet worden, is hoe groot de fiets wordt.

Immers, opgevouwen is het mooi als dat pakketje aan fiets zo klein en handzaam wordt als kan. Terwijl omgekeerd geldt dat er geen fiets beter over een slecht wegdek rijdt dan éen met grote wielen.

Nu worden er wel degelijk vouwfietsen gemaakt met grote wielen van 28 inch. De Amerikaanse fabrikant Montague biedt daar het beste voorbeelden van. En ook merken als Dahon en Tern hebben mountainbikes in hun collectie met 26 inch-wielen. Kenmerk van al deze fietsen is alleen wel dat ze niet heel klein zijn op te vouwen. Zo is het stuur niet simpel weg te klappen. Montague lost dit ruimtelijke probleem op door van gebruikers te vragen het voorwiel te verwijden, zodat de voorvork parallel aan het frame kan worden gevouwen.

Dat levert gauw gepruts op.

Tegelijk rijdt zo’n Montague krek als een normale fiets. Dus kan dat merk heel goed de beste keuze biedt aan iemand die wel graag plezierig rond toert, en tegelijk weinig opbergruimte heeft thuis of onderweg — waarbij het dan niet aankomt op de snelheid en het gemak van vouwen.

Er zijn kortom redenen dat bijna alle vouwfietsen kleine 20 inch wieltjes hebben. Zulke wielen rollen nog altijd redelijk, zelfs zonder vering in het frame. En 20 inch wieltjes zijn klein genoeg om een redelijk hanteerbaar pakketje fiets over te houden, eenmaal opgevouwen.

Is me alleen nog altijd niet helemaal duidelijk waarom vrijwel alle vouwers maar éen maat hebben; anders dan gewone fietsen. De mijne zou al bijvoorbeeld geschikt zijn voor iemand van 1 meter 42, en ook nog kunnen dienen voor een lang eind van 1 meter 90. Dat moet wel met schaalgrootte te maken hebben; dat er zo weinig vouwfietsen verkocht worden, dat het goedkoper is om met slechts éen model te volstaan; waarop alleen gemiddelde mensen met een gemiddelde maat lekker rijden.

Enkel dure merken, zoals Bike Friday, of het in Nederland totaal onbekende Bernds, of de eerder genoemde Montague, bieden vouwframes aan in verschillende groottematen.

Dus het kan wel.

[ wordt vervolgd ]


Compromissen ii
Te fietsen | week 09

Meest merkwaardig aan vouwfietsen vind ik hun zo hoge gewicht. Fabrikanten werven er zonder ironie mee dat hun lichtste vouwers amper elf kilo wegen. Terwijl er bijvoorbeeld tegenwoordig ook goedkope racefietsen zijn voor beginners, met grote wielen, die aanzienlijk minder dan die elf kilo wegen. Zelfs mijn stalen Koga Roadspeed uit 1980, met spatborden, Brooks zadel, en naafdynamo zit nog rond dat gewicht.

Wedstrijdrijders zijn overigens verplicht op een fiets te rijden van minstens 6,8 kilo — alleen maken de fabrikanten voor hen al modellen die nog lichter zijn. Waarop de ploegen deze fietsen kunstmatig moeten verzwaren; door een aluminium stuur te monteren bijvoorbeeld, in plaats van éen van carbon.

Van een fiets die tot een pakketje gevouwen wordt, zou je dan toch verwachten dat zo’n pakje ook makkelijk te hanteren zou zijn.

En dat is dus niet zo. Mede door dat onhandig hoge gewicht.

Deels is al die grote massa te verklaren door het ontwerp van vouwfietsen. Vele hebben een frame dat simpel gezegd bestaat uit een metalen balk met uitstekels. En zo’n balk is statisch en dynamisch veel minder sterk dan een frame uit buizen in de klassieke ruitvorm. Dus moet zo’n balk uit veel meer metaal bestaan om dezelfde stijfheden te kunnen bereiken.

Bovendien zit er doorgaans een scharnier in het frame van vouwfiets, die duizenden keren open en dicht dient te gaan zonder dat er daarbij speling ontstaat; wat alleen kan als alles solide wordt uitgevoerd.

Speelt er daarnaast nog mee wat ik nu dan het kinderfietsjeseffect noem. Ook de fietsen van kinderen hebben een opvallend hoog gewicht voor hun grootte — wat traditioneel verklaard wordt door het gegeven dat de jongsten onder ons hun fietsen nogal eens op de grond laten vallen, als hun aandacht door iets anders gegrepen wordt. Zo’n kinderfiets moet dus nogal wat mishandeling kunnen doorstaan zonder daarbij kapot te gaan.

En ook met vouwfietsen wordt ruw omgegaan.

Gevolg van dat hoge gewicht is dat opgevouwen fietsen opvallend onhandig te hanteren zijn, als er eens een eind gelopen moet worden met dat ding als pakket. Waarop sommige fabrikanten hebben gereageerd door hulpwieltjes op hun modellen te monteren; zodat deze eenmaal opgevouwen als een trolleykoffer is mee te rollen.

Brompton, dat voor velen toch de goudstandaard is op dit gebied, heeft deze hulpwieltjes alleen op een onhandige plaats gemonteerd. Brompton-rijders moeten namelijk allemaal altijd met de hakken naar buiten fietsen, willen ze niets steeds tegen die rolwieltjes schuren. Let daar maar eens op.

[ wordt vervolgd ]


Compromissen iii
Te fietsen | week 10

Naast dat vouwfietsen veel wegen, en voor vrijwel niemand de perfecte maat hebben, zijn de goede ook nog eens veel duurder dan gewone fietsen.

Terwijl ze veel harder slijten.

Toegegeven, ook winkels als de Hema of de Aldi hebben weleens vouwfietsen in hun assortiment — die dan niet veel hoeven te kosten. Deze fietsen zijn alleen nog weer kilo’s zwaarder dan gemiddeld, en de kwaliteit van de gemonteerde onderdelen houdt niet over. Wie van gokken houdt kan bovendien tegenwoordig ook kiezen uit een overweldigend aanbod van vouwfietsen bij Chinese webwinkels — met prachtmerken als Audi Mercedes, of Audi BMW.

En voor een ritje op de camping af en toe om even brood te halen, kun je best toe met een fiets waar heel veel misschien niet aan deugt.

De meeste fietsen leggen in hun bestaan nog geen tweeduizend kilometer af.

Bij vele dure onderdelen, zoals naafversnellingen, wordt er ook door de industrie vanuit gegaan dat ze nog geen vijfduizend kilometer zullen hoeven mee te gaan.

Ik moet dus niet zeuren.

Blijft alleen staan dat de banden van 20 inch wieltjes aanzienlijk sneller slijten dan de banden van de normale 28 inch wielen. Of dat achteraan een tandwieltje met 14 tanden, zoals mijn vouwfiets heeft, aanzienlijk gauwer op is dan éen met 22 tanden, zoals nu op mijn Clubman is gemonteerd.

Komt daar de extra slijtage nog bij door de bouw van de vouwfietsen, met de immense einden aluminium nodig om het zadel en het stuur op hoogte te brengen. Ik heb me toch nog bij geen enkele van mijn fietsen eerder zorgen hoeven maken of de zadelpen niet te gauw aan metaalmoeheid zou bezwijken.

Riese & Müller eisen zelfs dat het stuur van hun Birdy vouwfietsen elke twee jaar vervangen wordt door de dealer, willen zij voor hun garantie blijven staan.

En toch telt geen van deze problemen als die vouwfiets er is op het moment dat je een fiets net nodig was. Daarom, tot slot, de volgende keer mijn eerste impressies over de vouwfiets die het toeval in mijn bezit bracht.

[ wordt vervolgd ]


Plooifiets vii
Te fietsen | week 10

Het Engels heeft slecht éen woord voor alle activiteiten op een fiets: ‘cycling’. Wij hebben er in het Nederlands zo al twee. Want fietsen is iets heel anders dan bijvoorbeeld wielrennen.

Fietsen is hier ook zo normaal dat vrijwel niemand er ooit over nadenkt. Net als er wel gidsen worden gepubliceerd over wandelen in verre streken, maar niemand een beschouwing wijdt aan korte loopjes als even een brief op de bus doen.

Juist ik mag er niet mee lachen dat bijvoorbeeld Amerikanen bij ‘cycling’ altijd allereerst aan sport denken, en daarmee dus wielrennen. Want voor mij geldt misschien wel hetzelfde. Als ik een fiets koop, moet die me zonder problemen of pijntjes zo honderd mijl verderop kunnen brengen. Overdag en in het donker. Bij mooi weer en bij regen of storm.

De vouwfiets die ik sinds kort de mijne mag noemen, is allereerst een stadsfiets evenwel; voor korte eindjes. En meer zal die ook nooit worden — al wordt er nog zo veel aan verbouwd. Toch zou dat wel moeten, voor mijn gevoel, om er die honderd mijl op te kunnen fietsen.

Ik ben net niet te groot voor het ding, en zit er betrekkelijk ontspannen op, dus dat is het punt niet. Prettig zou wel zijn als ik me veel verder uitstrekken kon. Alleen kost zo’n upgrade meteen honderden euro’s, vanwege de merkspecifieke onderdelen. En voor zo’n investering uit kan, moet er eerst veel meer duidelijkheid zijn over hoe vaak ik de fiets echt gebruik.

Ook valt me behoorlijk mee hoe vlot ik op de fiets rijden kan. Het rijcomfort van 20 inch wieltjes valt zelden tegen — zelfs al kan dat nog altijd beter, als echte ballonbandjes worden gemonteerd.

Heb ik zelfs al mogelijkheden ontdekt, komend met het bezit van een vouwfiets, die van tevoren niet te verzinnen waren geweest. Het ding past wel heel makkelijk in de kofferbak van een auto bijvoorbeeld.

Dat er toch ook iets van teleurstelling is over de fiets heeft daarom verschillende oorzaken. Waarvan de belangrijkste komen door mijn vreemd gefixeerde ideeën over wat elk van mijn fietsen moet kunnen. Bovendien was raar dat er nog niets te knutselen viel aan de vouwfiets — waar ik de afgelopen jaren telkens krengen kocht uit 1980 of daaromtrent, die tijden stil hadden gestaan in een klam schuurtje, en alleen daarom al zeeën van liefde en aandacht eisten.

Terwijl er toch ook wel éen en ander te verbeteren is aan een Tern Link Uno, zoals die afgeleverd wordt:

  • de wielen zijn te goedkoop, dat is mijn voornaamste klacht, want die hebben waarschijnlijk niet eens dubbelkamervelgen. Verder heeft de eenversnellingsnaaf achter een terugtraprem die veel weerstand veroorzaakt tijdens het fietsen;
  • de velgen hebben sowieso geen remrand – wat bij mijn fiets geen bezwaar is, want ik gebruik enkel de terugtraprem en heb de voorrem niet gemonteerd. Tern’s instapmodellen met derailleurs en velgremmen komen evenwel met dezelfde velgen, en dat is dan echt te goedkoop;
  • 42 millimeter brede bandjes monteren onder 45 millimeter brede spatborden is erg krap — vuil van straat komt nog overal terecht;
  • de vouwpedalen hebben wel erg korte assen, waardoor me benieuwen zal hoe lang die meegaan;
  • de keuze van Tern om het stuur niet tussen beide framedelen te bergen, maar daarnaast, vouwt weliswaar lekker snel. Heel handig is dit niet bij het dragen;
  • de meegeleverde bel is te bescheiden om goed hoorbaar te zijn.

Dat ik het standaardzadel snel verwisselde voor een Charge Spoon zegt dan weer niets — zadels zijn zo persoonlijk dat geen fabrikant daarin de voor iedereen juiste keuzes maken kan.

Aan de standaarduitrusting beviel me wel:

  • het vouwgemak van de fiets;
  • de stijfheid van het frame en de stuurkolom;
  • de degelijkheid van alle scharnieren;
  • de extra bescherming om de ketting; mede omdat deze al heel wat vuil heeft weggehouden van het metaal; mede om de te smalle spatborden;

De echte waarde van een fiets bewijst zich alleen pas als deze gebruikt wordt, of niet. Over een half jaar daarom een terugblik of de aanschaf van een Brompton misschien niet toch beter was geweest — hoewel ik die niet prettig vind fietsen.

[ zie hier het hele reeksje over de vouwfiets ]


Maart
Te fietsen | week 11

De VS ging afgelopen weekend al over op zomertijd. Hier duurt het nog even voor de klokken weer een uur vooruit gaan. Al duren de dagen al bijna weer twaalf uur lang. Dus kan het ook haast lijen.

En dat de avonden langer licht zijn, is uiteindelijk misschien wel de duidelijkste teken dat ook deze winter voorbij gaat. Gelukkig. Ik ben zo weinig geneigd nog actief iets te gaan doen eenmaal de zon onder is. Daar doet alle kunstlicht niets aan af.

Zaterdag zag ik de eerste toerfietser in korte broek van het jaar — wat om de zon en de blauwe lucht misschien ook best had gekund. Maar warm was het alleen in de luwte. Enkel daar was al speurbaar dat de zon weer wat kracht heeft. De oostenwind woei misschien niet hard, schraal was die wel degelijk.

Ik reed ook nog rond in mijn dikste tight, die met de extra stukken op de dijbenen om de rijwind buiten te houden, en had nog heel lang handschoenen aan.

Toegegeven, mijn winterjack bleef thuis.

Zaterdag bracht me ook de eerste rit van meer dan honderd kilometer dit jaar — vooral omdat ik tot nu toe geen enkele reden zag eerder om zo lang buiten te willen zijn.

’s Zomers doe ik zulke ritjes relaxed na het avondeten. Niet te vaak overigens. Een keer of wat in dat seizoen. Omdat het kan dan, en er lust toe is. Nu ging het mij ook allereerst om de ontspanning. Alleen was het afwachten of de conditie toereikend zou zijn.

Ik had daar alleen niet aan hoeven twijfelen. Al die wekelijkse rondjes van 65-67 kilometer de hele winter lang, die soms iets te veel op een survivalrit leken, hadden hun latente doel gediend.

Winter miles bring summer smiles.


Maat
Te fietsen | week 11

Elk van mijn fietsen heeft een snelheidsmeter. De vouwfiets nog niet. En daarom heb ik geen goed idee over hoe hard ik rijd op dat ding.

Een ruwe schatting zegt: zeker meer dan twintig kilometer per uur gemiddeld. Alleen niet veel meer. Daarmee haal je trouwens nog bijna alles in op het fietspad.

Omdat ik de vouwfiets vaker gebruik dan vooraf gedacht, en voor wat langere afstanden ook, is er nu wel de behoefte ontstaan een fietscomputertje te willen hebben. Alleen kleven aan die simpele wens wat problemen.

Bedrade fietscomputers zijn betrouwbaarder dan draadloze. Want die zonder draad storen nogal eens. Zeker als er ook LED-lampen op een fiets aanwezig zijn. Dan treedt er gauw elektromagnetische interferentie op als de lampen branden.

Draadloze fietscomputers zijn bovendien niet voor twee kwartjes te krijgen. En hoeveel wil ik nog investeren in die fiets?

Maar wil ik een fietscomputer met een draad gebruiken, dan moet ook de voorrem worden gemonteerd. Want de draadjes van fietscomputers zijn iel en dun. Die beschadigen makkelijk. Helemaal bij een stuurpen die gevouwen moet kunnen worden. Daarom zijn problemen het makkelijkst te voorkomen door dat dunne draadje langs de dikke remkabel naar boven te geleiden.

Alleen heb ik die voorrem nu net niet gemonteerd, omdat deze zo onhandig in gebruik is. De firma Tern levert een simpel zijtrekremmetje mee met de Nederlandse versie van het model Link Uno. In bevriende buitenlanden heeft dit model een andere voorvork, waarop aan de achterkant een V-brake wordt gemonteerd. Die V-brake zit vervolgens niet in de weg bij het vouwen. Dat Nederlandse zijtrekremmetje moet aan de voorkant worden gemonteerd, en dit levert wel problemen op — die maakt dat de fiets op nog slechts éen niet heel logische manier te plooien is. Anders raakt de rem direct het frame, om zo alle verdere vouw te blokkeren.

Zie ik het er nog van komen mijn telefoon als peilzender te moeten inzetten, om toch dat verdomde Strava te gaan gebruiken.


Maat ii
Te fietsen | week 12

Ik ben te groot voor vrijwel alle vouwfietsen en minibikes. Wat niet eens alleen aan mij ligt. Dit komt ook omdat de fabrikanten het zo vaak verdommen om meer dan éen grootte op de markt te brengen per model. De meeste aardbewoners zijn nu eenmaal aanzienlijk kleiner dan ik. Dat maakt mij tot de uitzondering waarvoor massaproductie niet loont.

Dus had ik vooral problemen bij het zitten tijdens alle eerdere pogingen om vouwfiets te rijden. De standaard zadelpennen waren doorgaans net te kort, waarop er dan telescoopmodellen ingezet moesten worden. Die dan enkel bijdroegen aan het gevoel op iets heel hoog en wankels te hebben plaatsgenomen.

De 58 centimeter lange zadelpen van mijn Link Uno is evenwel precies goed. Ik kan dat ding nog net vastklemmen boven de maximaal toegelaten hoogte. Daarvan steekt dus net iets meer dan moet nog in het frame.

Ware dit niet gelukt, dan had ik langere zadelpennen moeten scoren op Chinese websites, of anders via hun tussenhandelaren. Hier zijn ze niet in de reguliere handel. Al schijnt Tern tegenwoordig ook zelf een telescopische pen in het assortiment te voeren.

Overigens is dit theorie — als de standaard zadelpen te kort was geweest, had die hele vouwfiets me verder niet geïnteresseerd.

Nog heugelijker is overigens dat ik mijn trappositie niet heb hoeven aan te passen op mijn fiets. Het zadel op de Link Uno staat amper ½ centimeter meer naar voren dan dat op mijn favoriete lange-afstandsfiets met grote wielen. Ondanks dat de zadelpen toch behoorlijk steil de hoogte in lijkt te gaan; en de vouwfiets dus ogenschijnlijk de ontspannen geometrie mist van mijn randonneur.

Die steilte is alleen gezichtsbedrog. Want bij normale fietsen staan zadelbuis en zadelpen in éen lijn boven het bracket, met de trapas. Bij de vouwfiets loopt de zadelpen achter de trapas langs. Anders kon die pen ook niet tot de grond toe zakken.

Het is alleen waarschijnlijk meer geluk dan wijsheid dat de geometrie van de fiets op dit punt zo goed uitpakt voor mij. Menig ander zal net die mazzel niet hebben.

Tegelijk, als die ander weinig fietst, en dus niet per se weet hoe die het best ontspannen op een fiets zit, dan maakt dit ook allemaal niet veel uit.


Prijs
Te fietsen | week 12

De firma Brooks bestaat honderdvijftig jaar, dit jaar. In naam.

Het eerste Brooks zadel werd overigens pas gepatenteerd in 1882; dus zal er over zestien jaar vast weer een jubileum komen. Van de blauwe maandag die ik ooit in de reclame werkte, is me in elk geval bijgebleven dat verjaardagen nogal arbitraire marketingtrucjes zijn — omdat ze gratis media-aandacht kunnen opleveren.

De firma Brooks is trouwens al enige tijd niet meer zelfstandig. Dat bedrijf werd door Italianen overgenomen, die vervolgens van het fietszadel een soort luxe-artikel maakte — mede door er nogal prijzige en modische tassen bij te gaan verkopen.

Ik herinner me ooit ƒ 70 te hebben betaald voor een Brooks zadel, in 1995 of 1996. Dat de kosten in guldens die in euro’s werden twintig jaar later, was vervolgens niet heel vreemd. Vrjwel alles verdubbelde sindsdien in prijs. En € 70 wilde ik ook best besteden aan een relatief zwaar oud-modisch leren zadel. Het klassieke model B17 zit goed. Zoals eerder gemeld, ik wou dat er meer was in mijn leven dat zo weinig nadenken vroeg als een Brooks zadel eist.

Maar deze winter wilden dezelfde winkels die heel 2015 nog € 60 à € 70 vroegen voor de B17 ineens € 120 hebben voor precies hetzelfde zadel. Terwijl me niet lijkt dat er schaarste hoeft te zijn op die markt. Hoeveel vraag is er naar zulke zadels? Behalve dan van wat langeafstandsfietsers?

De enige verklaring voor de plotselinge prijsschok die ik kan verzinnen, is dat de firma Brooks gemerkt heeft dat zijn nieuwerwetse zadels, van rubber en katoen, die vanaf het begin € 120 à € 140 moesten opbrengen, ook grif verkochten. De markt werkt dus weer eens krekt andersom als economen en politici altijd doen voorkomen.


Zomertijd
Te fietsen | week 13

Ook de fietscomputers op mijn fietsen hebben een klok. En al die klokken lopen het grootste deel van de tijd correct. Zeven maanden van het jaar. Die staan namelijk eeuwig op zomertijd.

Waar ik een fietscomputer met zorg opnieuw ijk bij een nieuw type buitenband — want meer dan 1% afwijking op de meters is onaanvaardbaar — maakt de juiste tijd me onderweg dus blijkbaar niets uit.

Simpelste verklaring daartoe is dat ik zelden fiets om ergens op tijd aan te komen. In elk geval gebeurt dat niet dagelijks.

Bijhouden wat de afgelegde afstand was, is al iets belangrijker. Al boeit ook dat aspect me almaar minder.

Het gevoel moet kloppen. Ik moet me geamuseerd hebben onderweg. En dat gevoel hangt op geen enkele manier samen met het tal afgelegde kilometers.

Dien ik ondertussen toch ook wel met enige regelmaat iets meer te doen dan vooraf gedacht, om een beetje in vorm te blijven.

Dus of ik het nu wil of niet, belangrijk aan die fietscomputer is vooral de snelheidsmeter. Zelfs al lukt het me inmiddels ook zonder aardig om in te schatten hoe hard het gaat. Mits ik niet op een vouwfiets zit.

En zelfs het nut van die snelheidsmeter is relatief. Mij gaat het er niet om snelheidsrecords te rijden. Ik heb die getallen op het scherm soms even nodig om te kijken of mijn gevoel nog klopt. Of ik inderdaad langzamer rijd dan daarnet omdat er meer wind lijkt te staan. Of dat ik niet beter een versnelling groter kan schakelen, omdat het fietsen in deze versnelling wat te gemakkelijk gaat, gezien de hoge trapfrequentie.

Dat ik in het donker altijd langzamer fiets dan overdag schijnt weliswaar een fysiologisch verklaring te hebben. Maar voor mij geldt ook: in het donker kan ik mijn gevoel over de snelheid niet toetsen aan wat de snelheidsmeter precies aangeeft onderweg.


Strava vi
Te fietsen | week 13

Bij een fiets met éen versnelling is deze versnelling een compromis. Die moet licht genoeg zijn om het niet helemaal onmogelijk te maken nog tegen de wind in te komen. En daarmee kan die versnelling nooit zwaar genoeg zijn om lekker op te schieten voor de wind.

Het heeft me daarom enige tijd gekost voor ik de juiste versnelling voor mijn vouwfiets vond. Standaard zat daar ook wel een erg licht verzet op, waardoor mijn benen nogal vlot spinnen moesten om vooruit te komen. Tegelijk speelde er nog onwennigheid mee, aan die fiets — met zijn zit rechtop, en die kleine maat wielen.

Ik moest vele tanden kleiner achter voor de vouwer reed zoals een fiets van normale grootte aanvoelt.

En toen wist ik nog niet alles. Omdat ik nog altijd geen idee had hoe hard het ging, en kon.

Heb ik toch eens een paar ritten gereden die door Strava gepeild zijn. En dat experiment leerde me onder meer dat ik vrij gemakkelijk boven de 25 km/uur kan rijden op het vlakke, zonder tegenwind. Met een meer aerodynamische houding kon de vouwfiets weleens vlotter zijn dan mijn eigenlijke singlespeed — want door de 20 inch wieltjes verliest de fiets minder vaart in de bochten, en trekt die aanzienlijk sneller op.

Dat had ik toch niet verwacht.

Maar dat Strava ondertussen… Ik vond het ontstellend grappig dat er toch nog gebruikers zijn van deze dienst die langzamer rijden dan ik, in mijn daagse kleding, rechtop gezeten op mijn vouwfietsje. Terwijl het me werkelijk totaal niet interesseert wie of wat er zoal sneller rijdt. Strava kan namelijk niet zien of iemand op een fiets zit of een brommer, of de fietser in zijn eentje reed of meegezogen werd in een groep, of dat er een stormwind in de rug stond of niet.

En dan al die profielfotootjes van Strava-gebruikers waarin ze allemaal een helm ophebben, om er toch vooral niet uit te zien als man van middelbare leeftijd…


April
Te fietsen | week 14

Wanneer de meteorologen stellen dat de lente begint, is me bekend. Maar op welk moment begint voor mij het voorjaar echt?

Als ik voor het eerst meer aan de buitenlucht durf bloot te stellen onder het fietsen dan enkel mijn handen en mijn gezicht?

Als ik mijn winterjacks en handschoenen eindelijk eens durf te wassen?

Als in de bossen in de omgeving de groene blaadjes van de bomen aan weerszijden van de weg ver boven mijn hoofd eindelijk weer aansluiten als het gewelf van een groene kathedraal?

Van die laatste twee gebeurtenissen weet ik inmiddels dat die doorgaans pas ergens halverwege mei plaatsvinden. Dat duurt dus nog wel even. Voorlopig moest ik daarom maar het kleine beetje vooruitgang koesteren dat zo af en toe merkbaar is.

De wegen drogen nu tenminste weer op na een bui. Daarom kan ik ook weleens op een blote fiets rijden; eentje die geen spatborden heeft. En weliswaar zijn deze exemplaren niet eens lichter of sneller per se dan mijn winterfietsen. Dat er minder onderdelen aan vast zitten geklemd maakt ze toch om éen of andere reden puurder.

Eenmaal de temperaturen boven de 8 à 10º C uitkomen, is de wind zoveel minder een muur.

En mooist van al: ik kan eindelijk weer aan het eind van de dag een stukje om. Omdat het lang genoeg licht blijft weer om dan ook nog wat te kunnen zien onderweg.

Evenmin worden de wat langere ritten nu nog voorbereid zoals in hartje winter gebeurde, toen ik me prepareerde op alle eventualiteiten onderweg; en er zowel een hoofdlamp mee moest, als een warmere jas om aan te trekken bij pech onderweg.

Dat ik nu gewoon een fiets kan pakken om daarop zonder daar bij na te denken weg te rijden, is zo bezien ook al winst.


Tekenend
Te fietsen | week 14

Het is een opdracht die deskundigen bijvoorbeeld gebruiken in testen naar dementie. Teken een fiets. Uit je hoofd.

Alleen kijken de meeste mensen slecht. Dus zelfs zonder enige geestelijke aftakeling van betekenis hebben velen moeite een fiets te tekenen die zou kunnen functioneren.

Moest ik overigens ook opmerken dat zelfs vaklieden, de tekenaars die wel een voorbeeld erbij mochten gebruiken, het zelden goed doen in mijn ogen. Van de fietsen die zij tekenen, klopt de schaal bijna nooit. Die zijn dan veel te groot ten opzichte van degene die erop zit.

Gianluca Gimini is aanmerkelijk vriendelijker over dit verschijnsel dan ik. Voor hem zijn alle fietsen mooi die mensen uit hun hoofd tekenen. Ook de exemplaren die onmiddellijk in elkaar zouden zakken als er iemand op plaatsnam.

Gimini heeft bovendien niet alleen de moeite genomen om vele mensen spontaan een fiets te laten tekenen, hij is de resultaten vervolgens echt gaan bouwen in een 3D-pakket. Met, ik geef dat direct toe, opmerkelijke resultaten.

Gebrek aan kennis betekent namelijk ook: geen weet hebben van de conventies. Maar daardoor evenmin geremd worden door praktische bezwaren.

De klassieke fiets heeft een frame van buizen in een ruitvorm; de ‘diamant’. En dit model bestaat al zo lang dat het makkelijk is om te vergeten dat het toch een tijd geduurd heeft voor deze ideale vorm gevonden werd. Die heeft ooit bestaan naast vele alternatieven. Dankzij Gianluci Gimini zie ik toch ook terug dat een groep niet heel goed geïnformeerde mensen heel wel in staat is om dezelfde net niet ideale keuzes te maken die de geschiedenis al eens eerder toonde.


Halfgeel
Te fietsen | week 15

Goed beviel me tijdens het fietsen de afgelopen grijze maanden een bril met 50% gele glazen op sterkte. De wereld om me heen buiten werd daar nogal wat draaglijker van, als er geen zon was te zien. En dat maakte mij dan weer vrolijker.

Zag ik er waarschijnlijk wel als een aansteller uit.

Eerder had ik al eens 100% gele lenzen geprobeerd, alleen bleef ik bij die bril te zeer merken dat mijn blik kunstmatig verkleurd was. 50% geel bleek het perfecte percentage te zijn, omdat alles er wel fleuriger van werd, en tegelijk de bijkleuring daarbij niet overheerste.

Zien gebeurt ook met onze hersenen. En, die corrigeren al voor geel. Hoe ouder iemand is, des te geler de lenzen in zijn of haar ogen inmiddels zijn geworden. Bij hoogbejaarden heeft de lens de kleur van drop.

Schijnen gele lenzen ook iets doen met het contrast in wat we waarnemen. Het blauw wordt daarmee weggefilterd. Brillen met gele glazen doen het daarnaast goed als computerbril; omdat beeldschermen van welke aard ook nogal wat blauw licht uitstralen.

Vreemd genoeg trouwens droeg ik vroeger altijd een zonnebril buiten in de zomer, en tegenwoordig bijna nooit meer; zelfs niet bij het fietsen. Terwijl er een zonnebril met glazen op sterkte in mijn bezit is. Chinese brillenfabrikanten zijn te goedkoop om er bij een bestelling niet meteen meerdere verschillende exemplaren te bestellen. De verzendkosten voor éen zijn hetzelfde als die voor vijf.

Terwijl ‘serieuze’ fietsers toch niet alleen een toverhoedje ophebben, maar ook altijd met een donkere zonnebril op rijden. Alleen heb ik de afgelopen winter toch opvallend weinig ‘serieuze’ fietsers gezien.


Grootstad
Te fietsen | week 16

Hans Monderman was een optimist. Of naïef. Want hij geloofde zeer in de goedheid van mensen.

Monderman heeft hier in de regio nogal wat invloed gehad op het ontwerp van wegen en pleinen. Hij maakte daar het liefst ‘shared spaces’ van. Wat betekende dat alle stoplichten, verkeersborden, en lijnen op de straat werden verwijderd, plus dat weg, fietspad, en stoep voortaan éen zijn.

Hij ging er daarbij vanuit dat het verkeer moeite zou hebben met al deze plotselinge vrijheid, en uit schrik behoedzaam om elkaar heen zou manoeuvreren. Auto’s zowel als fietsers en voetgangers.

En toegegeven, als zo’n gedeelde ruimte ergens net was aangelegd, werkte dit principe ook wel. Alleen, ‘familiarity breeds contempt’, of hoe zeg je dat in gewoon Nederlands. Eenmaal automobilisten met de situatie ter plaatse bekend zijn, drukken velen onder hen voortaan in hun blinde egoïsme gewoon alle andere verkeersdeelnemers van de weg. Wat maakt dat fietsers en vooral voetgangers zulke straten dan liever mijden.

Monderman heeft daarom ook éen van de gevaarlijkste kruispunten in Nederland bedacht, in een al te strikte toepassing van zijn methodiek.

Dus waar ik normaal een wat gemengde reactie heb op zijn levenswerk, moet ik ook toegeven dat Monderman éen ding goed gedaan heeft. Verkeerslichten zijn ondingen voor fietsers. En dat in de regio bijna alle verkeerslichten zijn verdwenen, heeft bij mij inmiddels tot ontwenningsverschijnselen geleid. Al ontbrak dit besef tot nu toe.

Want deze week deed ik de grootstad aan, om daar ineens weer ouderwets op elke straathoek een stoplicht tegen te komen. En ook waren die er op nogal onlogische plekken — als het fietspad gewoon door leek te lopen, en er enkel een uitrit van rechts leek te komen.

Dit gevoegd bij het ietwat hectische en anarchistische fietsverkeer om me heen in de nog redelijk vroege ochtend, maakte mij ineens tot boertje van buut’n in stad. Fietsen is inmiddels allereerst ontspanning voor mij. Zen op wielen. En mijn reflexen hebben zich daar naar gevoegd. Terwijl al mijn zintuigen toen ineens weer gespitst hoorden te zijn op gevaar van alle kanten, om gezond te kunnen blijven.

Die schrik duurde een kilometer of vijf. Toen had ik mijn eerste rode stoplicht genegeerd, en kwam de stadsfietser terug die ik lang geleden was. Een harde reset was gelukkig mogelijk gebleken. Nog wel. Die kostte enkel wat tijd.


Verklärte Nacht
Te fietsen | week 17

Dat ik wel een vouwfiets wilde hebben om eens goed te proberen, had slechts éen heel uitgesproken reden.

Er zijn nu eenmaal regelmatig die verplichtingen in de Randstad. Waarbij de reis dan gauw eens met het openbaar vervoer moest, vanwege de ochtendspits, of om drank later op de dag vanwege het sociale karakter, waardoor autorijden niet echt kan.

Had ik toch een paar keer te vaak meegemaakt op de weg terug dat een kleine vertraging van NS in de Randstad me zo veel later op mijn eindstation afzette dat ik de logische bus terug naar huis al gemist had. Waarop er dan enkel nog de boemelbus terug was, na minstens een half uur wachten, waarmee de vertraging uiteindelijk met een uur extra opliep.

Ik huurde daarom al eens een OV-fiets, om daarop naar huis te fietsen. Dat scheelde me dan makkelijk drie kwartier aan reistijd vergeleken met de boemelbus.

Alleen moest zo’n huurfiets de volgende dag weer terug worden gebracht.

Afgelopen dinsdag, of eigenlijk woensdag al, maakte mijn vouwfiets daarom zijn debuut als thuisbrenger na een lange dag weg. En onderweg naar huis was ik meer bezig met de stilte overal, of het gegeven dat er totaal geen ander verkeer meer leek te bestaan, dan met het fietsen.

Ook de nacht hielp mee om van het ritje een ontspannen tochtje te maken.

Voor het eerst bij het rijden op de vouwfiets lukte het om te vergeten dat ik op een fiets reed met bizar kleine wielen.


Multitools iii
Te fietsen | week 17

Eerder stelde ik al eens verbaasd vast dat een fiets eigenlijk uit niet meer bestaat dan een frame waaraan van alles werd vastgeklemd. Want als iets eenmaal vast zit, is zo makkelijk te vergeten dat dit ook weer los kan. En moet soms.

Een vouwfiets laat je dat van die klemmen nooit vergeten. Want cruciale onderdelen van zo’n fiets moeten nu eenmaal snel los kunnen worden gemaakt, zonder gereedschap liefst, opdat het ding dan inklapt, of uitvouwt.

En doe zo’n handige klem daarop een paar keer open en dicht, en de klemkracht ligt meteen een stuk lager.

Het duidelijkst werd me dat bij de snelspanner om de zadelpen. Steeds als ik die een paar keer benut had, om het zadel snel te laten zakken, of omhoog te doen, stond deze een beetje losser. Waardoor het gebeurde dat ik tijdens het fietsen langzaam telkens lager kwam te zitten. De zadelpen kan dan in de zadelbuis omlaag glijden.

Gelukkig is dit probleem makkelijk te herstellen. De inbusbout in die snelspanner moet dan even weer wat strakker worden aangedraaid. Dus is het zaak altijd de juiste inbussleutel mee te hebben met de vouwfiets op reis. En dat dingetje van Swiss Tools PB weegt dan niets; plus dat ie een inbussleutel van 5 mm heeft, en bitjes om die van 4 en 6 mm na te doen.

Heb ik me inmiddels toch ook de ‘Tern tool’ aangeschaft — en dan vooral omdat deze multitool als enige een bruikbare kleine 15 mm-sleutel heeft, om de wielen of pedalen los te kunnen maken; wat nuttig is voor zo veel meer fietsen in mijn stal dan enkel de vouwer; zoals al eens eerder gememoreerd.

Klap van dit ding alle schroevendraaiers en inbussleutels naar achteren, vouw het dikke neoprene hoesje daar omheen, en ziet, de sleutel wordt zelfs lang genoeg om een nuttige hefboom te hebben.


Houding
Te fietsen | week 18

Twee karakteristieken kleven er aan het fietsen in Nederland. Het waait hier altijd, en daardoor heb je de wind altijd wel ergens een stuk tegen. En, er zijn hier bijna ergens echte heuvels. Het landschap dwingt je daarom te zelden een manier van fietsen op.

Deze problemen komen tezamen met nog een derde moeilijkheid. Wie in Nederland rondrijdt, zit, als hij of zij daar niet op let, doorgaans te lang in krekt dezelfde houding op de fiets. En maalt. Heel goed voor de onderrug of schouders is dat niet. Die kunnen daar zelfs nogal stijf van worden op den duur.

Slim is het daarom eens om de zoveel kilometer uit het zadel te komen, en een eindje op de trappers te lopen. Wordt de rug even gestrekt, is er net dat wat andere ritme, zet de boel zich niet helemaal vast door alle monotonie.

Ik ben dan zelfs gek genoeg om op lange dagen in het zadel tijdens de pauzes rek- en strekoefeningen te gaan doen — vooral om mijn schouders los te maken; want die zetten zich het eerst vast; zo is mijn ondervinding.

En al die kilometers onderweg valt me onderweg op dat ik altijd wel ergens een hardloper vergelijkbare oefeningen zie doen, maar fietsers nu net nooit. Wat simpelweg kan zijn omdat hardlopers nog weleens loopscholing krijgen, terwijl iedereen in Nederland als kleuter al geacht wordt probleemloos te kunnen fietsen.

Maar toch.

Toegegeven, ik kom onderweg ook nogal wat hardlopers tegen die een werkelijk abominabel slechte techniek van lopen hebben. Naar verhouding zit er nooit iemand zo enorm beroerd op zijn of haar fiets.


Kleine wielen
Te fietsen | week 19

Inmiddels ben ik eindelijk op het punt waar elke kilometer meer op mijn vouwfiets het ding voor mijn gevoel telkens wat goedkoper maakt; en daarmee meer de moeite waard. Vooral de noodzakelijke aanpassing aan de stuurkolom, om niet zo geforceerd rechtop te hoeven zitten, was relatief duur. Ontstond daardoor alleen wel een behoorlijk lange periode waarin ik meer euro’s had besteed aan de fiets dan dat ik er kilometers op gereden had.

Tegelijk wordt de plooifiets wel vaker, en voor meer doeleinden ingezet dan vooraf verwacht.

Waardeer ik daarbij vooral de rijkdom die het geeft om een fiets voorhanden te hebben op de momenten waarop ik vroeger nog zonder moest doen.

En soms lukt het me bijna om te vergeten niet op een fiets te zitten met een normale grootte. Het lukt me door de nieuwe stuurkolom om dezelfde houding te krijgen als op mijn favoriete fietsen voor lange afstanden. In die zin is de vouwfiets zo comfortabel als kan.

Ben ik bovendien overgegaan op een zadel met vering. Wat ook al veel meer scheelt dan vooraf gedacht.

Alleen komt er vrijwel ieder ritje wel een punt waar gewoon blijkt dat 20 inch wieltjes toch minder goed rollen dan de normale wielen van 28 inch. Vooral de boogbruggetjes over sloten en vijvers ratelen dan plots nog de vullingen uit mijn kiezen. Dat er dan telkens ruimte zit tussen de planken van zulke bruggetjes is op kleine wielen ineens opvallend goed te voelen. Reet na reet na reet.

De schaarse keren dat ik me met de vouwer op een bospad waagde, leek de fiets me daar niet comfortabeler of onprettiger te rijden dan eentje van normale grootte. Ongetwijfeld is dit heel anders als er weer diepe plassen op de paden liggen, en je er niet aan ontkomt door de drek te moeten rijden.


Kleine wielen ii
Te fietsen | week 19

Eén niet helemaal verwacht probleem kleeft er overigens wel aan de kleine wielen van mijn vouwfiets. Al hangt dat ook samen met de relatief zware versnelling die ik inmiddels heb gemonteerd.

Het remmen met de terugtraprem is niet altijd even makkelijk te doseren.

Een klein beetje afremmen, is geen enkel probleem; al helemaal niet als de situatie ruim van tevoren is in te schatten. Moeilijk wordt het als ik onverwacht mijn snelheid minderen moet.

Nu grijpen remmen sowieso sneller aan op kleine wieltjes dan op de 28 inch wielen van normale fietsen. Maakt niet uit of het daarbij om velgremmen gaat, van welke aard ook, disc-brakes, of die vermaledijde terugtraprem. Kleine wielen stoppen domweg vlugger.

Geldt voor een terugtraprem alleen ook: hoe kleiner het tandwiel achter is, hoe sneller de rem dan ‘pakken’ zal.

En vooral als ik plots relatief hard moet remmen, blokkeert het achterwiel snel. Te snel. Wat je nu net niet wilt. Op het moment dat het rubber achter slipt op het wegdek verlies je te makkelijk alle normale controle over de fiets.

Heb ik de fiets nu alleen wel zo gemaakt dat ik er ontspannen op zit, voorover gebogen, en daarmee relatief snel rijden kan.

En op zich zijn de reflexen er wel om in te grijpen als ik snel remmen moet. Alleen zijn die reflexen nog altijd afgestemd op het remgedrag van velgremmen — en dan in het bijzonder op die van de voorrem; die zo veel beter de snelheid verminderen kan dan welke achterrem ook.

Komt het er dus misschien toch nog van dat de vouwfiets een voorrem gaat krijgen.


Mei
Te fietsen | week 20

De stille explosie kwam er in de eerste weken van mei. De harde kaalte langs de wegen werd langzaam maar zeker verdoezeld door het zachte en bescheiden groen van prille blaadjes, tot alle staketsels helemaal gecamoufleerd waren weer.

Dit vindt natuurlijk gewoon iedere lente opnieuw plaats. En toch duurt het altijd zo lang, gevoelsmatig, dat het bijna een wonder schijnt als het uiteindelijk gebeurt.

Nog even, en alle groen lijkt alweer gewoon. De kleur is een stuk harder dan. En plots kan al dat gebladerte zelfs ineens een last worden. Als de zon fel schijnt, en het bladerdek plaatselijk grote contrasten tussen licht en donker aanbrengt.

Er zijn hier wegen in de omgeving waar automobilisten midden in de zomer overdag wordt geadviseerd om hun koplampen aan te doen.

De laatste keer dat ik ontspannen de hele dag buiten was, op de fiets, dateert toch alweer van oktober vorig jaar. Meer dan een half jaar terug. Dus is de verhouding waarschijnlijk: vijf maanden in het jaar met een redelijke kans op goed fietsweer, tegenover zeven maanden met slecht tot matig weer; met slechts af en toe een uitzondering daarop.

Alleen lijkt het fietsseizoen elk jaar vreemd genoeg langer dan het niet-fietsseizoen.

Misschien om al die uren zonder zorgen buiten — mijn fietsen moet als buitenspelen aanvoelen.

Wellicht om al die extra uren op de fiets.

Of domweg omdat het in de zomermaanden als een gemis kan voelen even niet de deur uit te kunnen, om te fietsen, vanwege alle gewone beslommeringen. Terwijl een dag die voelt als een gemiste fietsdag in de winter helemaal niet bestaat.


False brinelling
Te fietsen | week 21

Nog even en ook de Gazelle Sprinter Race heeft 10.000 kilometer afgelegd in mijn bezit. En omdat daar ritten bij waren tijdens twee natte winters is het tijd voor een grote onderhoudsbeurt.

Niet dat er heel veel hoeft te gebeuren. Het meeste onderhoud nu, zoals het vervangen van alle kabels, gebeurt preventief.

Wel zal het balhoofdstel vernieuwd moeten worden. Dit had ook al gezuld toen ik de fiets net had. Alleen zat ik toen niet op dat werk te wachten. Er moest al zo veel gebeuren, door mijn wens om met een naafversnelling te gaan rijden; waarvoor een wiel gevlochten worden moest. Terwijl ik nog niet eens wist of dat wel een fiets zou opleveren die me beviel.

Je kunt weliswaar van alles bedenken om aan een fiets te verbouwen en te doen. Maar als dit dan een exemplaar oplevert waarop je enkel op rijdt als er iets mis is met de andere fietsen in je stal, dan loont al die inspanning vooraf niet zo.

In een balhoofdstel zaten traditioneel twee kogellagers. En hoewel een fietsstuur altijd wel wat heen en weer beweegt tijdens het rijden — fietsen met een vastgezet stuur is trouwens onmogelijk — drukken die kogels telkens op dezelfde plek van dat lager. Dus kunnen er op den duur putjes komen in de lagerschaal.

Doorgaans is dat overigens slechts éen putje.

Brinelling heet dat slijtageproces, naar een methode om de hardheid van staal te bepalen; waarbij dan putjes worden geslagen. Daarom spreken pietlutten liever over ‘false brinelling’. En voor een fiets betekent deze vorm van slijtage dat het stuur ietwat vast lijkt te staan in het standje rechtuit. Draaien kost dan telkens even merkbaar wat moeite.

De luie fietsmaker, en ook ik, kan het effect van éen zo’n putje in de lagerschaal nog een tijd maskeren door losse kogels te gebruiken voor het lager, in plaats van de gebruikelijke kogelring. Want dan kan de last strategisch over meer kogeltjes verdeeld worden dan er voordien zaten.

Alleen blijft die truc dus niet eeuwig werken.

Voordeel van een 10.000 kilometer beurt is dan wel dat goed duidelijk is wat zo’n fiets voor je betekent. Wat het aanzienlijk makkelijker maakt om er duur goed spul voor te kopen.


Roze
Te fietsen | week 21

Dat Joop Zoetemelk de Tour de France won in 1980 weet ik weliswaar. Alleen heb ik dat moment niet meegemaakt toen het gebeurde. We waren namelijk ver weg op vakantie, in een tijd dat een transistorradio mee al heel wat was.

Thuis had ik wel gekeken, en het moment van overwinning kunnen zien. En zelf zien is bij zulke zaken helaas het enige dat telt. Het gaat om de emotie van het moment.

Later verliet me in elk geval het nationalistische vuur waarmee ik als kind sportwedstrijden op televisie bekijken kon. Mogelijk gebeurde dit uit zelfbehoud. Nederlanders behaalden namelijk lang alleen successen in sporten die me totaal niet interesseerden. Snelschaatsen. Dameshockey. Korfbal.

Brak er vervolgens ook een tijd aan waarin ik behoorlijk blasé werd over het wielrennen op televisie. Daarvan verliepen de koersen me te voorspelbaar. Daar was hoogstens nog wat aan als er iets onverwachts gebeurde, zoals vorig jaar, toen Gent-Wevelgem tijdens een kleine storm verreden werd.

Toen veroverde ene Steven Kruijswijk ineens de leiderstrui in de Giro d’Italia van 2016. Door aan te vallen ook nog. Was ineens een Nederlander aantoonbaar verreweg de beste in koers. Verliep de laatste week van de drie zelfs zo voorspoedig dat menigeen in de nationale pers hem al tot winnaar had uitgeroepen.

En dat blinde optimisme ergerde me meteen, juist omdat het met Nederlanders in de sport zo vaak op het laatste moment misgaat.

Ook Kruijswijk maakte een fout. Hij miste de laatste vrijdag een bocht in de afdaling van een hoge berg, reed een sneeuwmuur in, en verklootte daarmee zijn hele klassement in een fractie van een seconde.

Ik keek daar naar, op het moment dat het gebeurde, en meteen steeg mijn hartslag tot aan 200. Steven Kruijswijk logenstrafte met éen val nogal duidelijk dat ik onverschillig zou zijn geworden voor sportprestaties van een ander; van een ander ook dan nog uit eigen land.

Dit had ik nu juist liever niet zien gebeuren.


Lucht
Te fietsen | week 22

Fietsreparatie is grotendeels routine geworden, inmiddels. Alleen kom ik ook telkens nog voor problemen te staan die dan merkwaardig moeilijk zijn op te lossen. Waardoor het me tegelijk dus onmogelijk is om al te zelfingenomen te worden over die enorme ervaring van de laatste jaren.

Zo lukte het me laatst niet om een nieuwe binnenband op te pompen.

Terwijl, wat is er normaliter eenvoudiger dan dat? Een band oppompen? Een klein kind kan dat al. Bandenpompen is waarschijnlijk het eerste dat iemand leert te doen aan fietsonderhoud — menigeen komt overigens vervolgens niet veel verder dan dat.

En aan de pomp lag het niet. Dat was een goede werkplaatspomp, met een deugdelijke manometer, waarmee ik elke week wel éen of meer binnenbanden met succes op de juiste spanning breng.

Ik had een probleem met het ventiel. Dat dichtte niet af. Alle lucht die in de band gepompt werd, stroomde er meteen weer uit als ik ophield met pompen.

En ik heb sowieso een hekel aan het ouderwets soort ventielen waarmee deze binnenband was uitgerust. Het Dunlop-ventiel, ook wel blitzventiel genaamd. Alleen had ik geen binnenbanden in huis met modernere ventielen die breed genoeg waren voor net die achterband van mijn stadsfiets.

Bleef er dus weinig anders over dan om te proberen dat blitzventiel zo te manipuleren dat het ding wel lucht in de band zou laten. Moest ik in de verzameling oude fietsmeuk op zoek naar andere, betere ventielonderdelen. Die er ook wel waren; alleen werkten deze nog met van die korte stukjes rubberslang, die altoos gaar worden in de loop van de tijd, waardoor er gaten in vallen, wat ze dan waardeloos maakt.

Herinnerde ik me ineens dat de Simson bandenplakdoos Normaal Compleet altijd met een centimeter of wat aan ventielslang komt — die ik dan nooit gebruik, en vooral beschouw als een reliek van lang vervlogen dagen.

Met zo’n miniem stukje slang aan de afsluiter werd het toch mogelijk om die binnenband op te pompen. Te langen leste. Het even een bandje verwisselen had me daarmee slechts twee uur gekost, en een hele hoop zweten


Hot foot
Te fietsen | week 23

Dat ik uit zou gaan dijen, eenmaal wat ouder geworden, leek me niet zo heel vreemd. De stofwisseling neemt met de leeftijd in snelheid af. Een mens heeft ook minder energie nodig dan. Alleen had niemand me gewaarschuwd dat mijn voeten het eerst zouden gaan groeien.

In de breedte vooral.

En normaal is er ook nog goed te leven met breder wordende voorvoeten. Ware het niet dat ik inmiddels weer was gaan fietsen. Waarbij diezelfde voorvoet ineens een heel belangrijk contactpunt was geworden tussen mij en de fiets. En contactpunten kunnen zo makkelijk pijnpunten worden.

Ik begon ook gauw last te krijgen van hete voeten, als de afstand boven de veertig kilometer kwam.

Nu was dit niet helemaal nieuw. Ik kende het vervelende verschijnsel nog van veel vroeger, toen ik enkel leefde om op fietsvakantie te gaan. Anders dan toen alleen bestaat er tegenwoordig internet, en daarop is relatief eenvoudig meer informatie te vinden over het probleem.

En waar ik altijd dacht dat mijn voeten het gewoon te heet kregen omdat ze op een zomerdag in te warme schoenen waren opgesloten, speelt er wel degelijk meer. Hotfoot is allereerst een zenuwreactie. Die voetzenuwen raken bekneld. Wat komen kan omdat de voet opzwelt en dan geen ruimte heeft om uit te wijken.

Dus ging ik als test over op sandalen bij het fietsen — maatschoenen laten maken, had ook nog gekund; dit leek me alleen wat ingrijpend en duur als het probleem uiteindelijk niet aan de voetbedekking lag, maar aan wat anders.

En met sandalen was ik direct van de hete voeten af.

Tot in 2016 opnieuw de zomer aanbrak, en zelfs mijn sandalen me al na veertig kilometer alweer hete voeten bezorgden. Waren deze winter mijn voeten vanzelfsprekend nog weer verder uitgedijd, en hoefde er enkel een bandje voor wat ruimer gezet te worden. Duurde het alleen wel erg lang voor dat benul rijpte.


Fietsen schrijft wit | 3
Te fietsen | week 23

Er zijn nogal wat onderwerpen waar ik niet over schrijf hier, die nochtans wellicht aardige tekstjes hadden kunnen opleveren voor de dossiers ‘te fietsen’.

Zitten daar zelfs onderwerpen bij die als vanzelf cliffhangers opleveren; waarin de uitkomst niet vaststaat aan het einde van de tekst, maar een volgende keer mogelijk wel.

Vanwaar dan al die zelfcensuur?

Het is niet alsof dit weblog nog massaal bezocht wordt tegenwoordig. Alsof iemand deze woorden lezen zou.

Zo kocht ik vorig jaar begin herfst opnieuw een derdehands snelle fiets, met als doel daar een winterracer van te maken. Eentje waar relatief dikke banden onder passen, en die zelfs dan nog de montage van spatborden toestaat. Zulke modellen zijn zeldzaam. Vreugde over de vondst was er.

Punt is alleen dat ik al een relatief snelle fiets had voor de winter. Mijn Clubman. Daarnaast is mijn favoriete fiets een oude racer waarop spatborden zijn gemonteerd — als het erom gaat tenminste op welk exemplaar de meeste kilometers zijn afgelegd. En doordat ik deze bezittingen hier meermaals geroemd heb, voelde het alsof ik mijn blijdschap over weer een aankoop hoorde te verdedigen. Terwijl mijn voornaamste lol aan het opknappen van oude fietsjes is dat het werk me zo ontspant. Tegen relatief geringe kosten. Andere legale of illegale drugs zijn een stuk duurder.

En juist over dát, over het genot dat te beleven is aan het opknappen van een fiets valt toch betrekkelijk weinig te melden aan een ander. Omdat elke opknapbeurt uiteindelijk een vergelijkbaar verhaal oplevert. De oude fiets kwam met nogal wat problemen, maar dankzij mijn sleutelervaring en een enkele instructievideo op YouTube, en doorgaans veel meer geduld dan ik soms heb op het moment, bleken al deze moeilijkheden uiteindelijk toch te overwinnen te zijn. Hoera.

Op het moment dat het probleem nog bestaat — de crank zit nog vast, de stuurpen wil niet los, het wiellager moet vervangen — wordt het bijna onmogelijk om daar over te schrijven. Want dan heeft de frustratie te zeer de overhand. Maar eenmaal het probleem is opgelost, wordt het nogal overdreven om de moeilijkheid als een enorme moeilijkheid te gaan beschrijven.

Want ik heb al die problemen zelf opgezocht. Ware er geen oude fiets gekocht, was er niets aan de hand geweest.
 

Ontberingsverhalen, van mensen die bijvoorbeeld een hoge berg gaan beklimmen in net het verkeerde seizoen hebben me ook nooit erg kunnen boeien.


Balhoofdstel
Te fietsen | week 24

Standaarden zijn mooi. Standaarden zijn prachtig. En daarom ook bestaan er heel veel van.

En zulks leidt er dan toe dat ik mij bijvoorbeeld nooit geïnteresseerd heb voor klassieke Franse fietsjes. De Fransen deden namelijk heel lang alles op hun manier. Dus zijn zulke oude fietsen vaak niet op te knappen met standaardonderdelen. Want veel van wat dan ergens in moet schroeven, past vervolgens niet. De spoedhoek is dan anders, of de draad loopt toevallig net de andere richting uit.

Raleigh zette lang de standaarden als grootste fietsfabrikant ter wereld, met vreemde Britse maten. Maar ergens in de loop van de jaren zeventig kwam er toch meer metrische orde en regelmaat overal. In Japan gemaakte onderdelen werden populair, waardoor veel strikt nationale standaarden langzamerhand zouden verdwijnen. De fietsenhandel werd internationaal.

Wat ik lang niet besefte was dat die verschillende standaarden invloed hadden op vrijwel alle maten die een fietsframe heeft.

Zo moet ik het balhoofdstel vervangen van mijn Clubman, die vermoedelijk uit 1979 stamt. En ik heb geen idee wat voor cups daar in zitten. Hopelijk is de fiets nieuw genoeg om al niet meer aan een inmiddels obscure Raleigh-standaard te voldoen. Maar dan nog. Moest ik een nieuw balhoofdstel hebben volgens de ISO-standaard, of eentje volgens JIS?

Het verschil tussen de breedte van beider cups is slechts 0,2 millimeter. ISO werkt met 30,0 mm brede cups, JIS met 30,2 mm. Het zou dus onhandig veel kracht en moeite kosten om een JIS-cup in een frame te persen dat volgens de ISO-maten is gemaakt. En omgekeerd blijft een ISO-cup nogal slecht in een JIS-frame zitten.

Vervelend genoeg weet ik pas wat ik hebben moet als de oude lagercups uit de stuurbuis zijn geslagen…

** illustratie ontleend aan WIkimedia commons


Teletrapper
Te fietsen | week 24

De teletrapper is terug! Mijn grote favoriet. Het eerste fitnesstoestel voor mensen die werkelijk te lui zijn om van de bank af te komen, werd zelfs helemaal aangepast aan deze tijd.

Want, in plaats van in je eentje zinloos trapbewegingen te maken, stelt de ingebouwde technologie je voortaan in staat tegen anderen met een zelfde traptoestel te racen. Online. Of om persoonlijke records te vestigen. Bergop.

Nog steeds zonder van je stoel af te hoeven komen.

De nieuwste versie van de teletrapper heet ‘Cycli’, en is een Kickstarter-project — wat zo veel betekent als dat er éen of twee werkende prototypes van bestaan, en de makers nu geld hopen te krijgen van belangstellenden om het apparaat in serie te kunnen produceren.

En, toegegeven, de mensen achter Cycli hebben hun streefbedrag vlot al ruimschoots gehaald.

Ik moest alleen wel lachen om het promofilmpje, waarin éen beweerde zeven jaar met het idee bezig te zijn geweest.

Alsof de teletrapper niet al heel lang bestaat. Alsof het telkens weer verdwijnen van de teletrapper niet ook bewijst dat de mensheid er toch niet echt op zit te wachten.

Kickstarter doet dat natuurlijk vaker. Dit platform voor ‘crowdfunding’ belooft innovatie, maar ondertussen zijn veel van de vindingen die om geld zoeken vrij minieme variaties op iets dat er al was. Te vaak is de vernieuwing enkel dat het product internettoegang toevoegt aan iets dat voorheen heel goed zonder internet kon.

En het lijkt me ook nogal wat gezonder om het fietsen buiten tot een dagelijkse routine te maken. Gewoon om je van A naar B te verplaatsen. Kom je nog eens in de frisse lucht, bijvoorbeeld.


Balhoofdstel iii
Te fietsen | week 24

De belangrijkste wet bij het opknappen van oude fietsjes voor mij luidt: je weet altijd net niet genoeg.

Daarmee kleeft er telkens ook enige frustratie aan dit werk. Die op den duur verdwijnt, want een oplossing wordt uiteindelijk altijd wel gevonden. Een keer. Omdat de smarten mijn kennis vermeerderd hebben.

Op de lagercups die ik uit de stuurbuis van mijn Clubman had getimmerd, stond netjes de maat vermeld. 30,2 mm. Dus meende ik nog verheugd: dat is er eentje volgens de JIS-standaard. Die zijn nog alom te koop.

Daarop bleek alleen dat het gat van de conus op de vork — de onderkant van het balhoofdstel — 27,0 mm mat in de breedte. En geen 26,4 mm, zoals JIS dit voorschrijft.

Een speurtochtje online leerde me daarop dat het oude balhoofdstel een Italiaans maat had, die al geruime tijd in onbruik is geraakt. Laat staan dat er ongebruikte te kopen zouden zijn. Daarop probeerde ik nog wat te improviseren, door een 27,0 mm brede conus van een nieuw balhoofdstel te monteren — want zo breed zijn deze onderdelen volgens de ISO-standaard wel. Alleen wilde dat niet echt.

Had ik nog zo geïnvesteerd in de juiste gereedschappen voor deze klus.

Waarop ik toch maar weer het oude balhoofdstel terugplaatste, na daar onderin een kogelring te hebben geplaatst die op geen enkele manier samenviel met de zo duidelijke zichtbare deukjes in de conus; de reden waarom dit onderdeel versleten was. Flink veel vet erbij, en het stuur draaide weer als nieuw.

Leerde nog meer studie online me dat er handfrezen bestaan waarmee de stuurbuis op maat te krijgen is voor de montage van een JIS-balhoofdstel. Kost alleen een beetje boel. Maar daarmee was er ook de wetenschap dat er fietsenmakers zullen zijn met zulke frezen. Die ongetwijfeld desgevraagd een volgende keer tegen kleine vergoeding kunnen zorgen dat de vorkconus van een JIS-stel dan wel past.

Want geen idee hoelang mijn oplossing het houdt; ondanks de gunstige eerste tekenen.

Straks is de Clubman een veertig jaar oude fiets. Daar moeten toch nog vele decennia bij kunnen.


Juni
Te fietsen | week 25

Omdat overmorgen de dagen alweer korter worden, vroeg ik me af hoe het komt dat de lange avonden in juli en augustus me zo veel meer doen dan die in juni en mei. Waarom het in de zomermaanden wel vanzelf spreekt om ’s avonds tot laat buiten te zijn, en in de lentemaanden lang niet altijd. Terwijl er objectief gezien in beide perioden evenveel uren aan daglicht is.

Zou dat toch gewoon komen door de gemiddeld wat hogere temperaturen dan?

Of komt het omdat het hele land vakantie heeft — in elk geval voor een paar maand de indruk wekt niet aanwezig te zijn — waardoor het makkelijker wordt om alle normale dagindelingen los te laten?

Of heb ik het simpelweg nodig dat de wereld weer groen is, en in blad, omdat de vlakke en boomloze delen van Noord-Nederland dan pas een aantrekkelijk genoeg decor bieden om te willen befietsen?

Het voornaamste dat mij opviel aan het weer van juni 2016 was dat het minder leek te waaien dan alle maanden eerder van dit jaar. Deels zal dit zijn omdat de bomen en struiken dus weer blad dragen, en daarmee luwte brengen. Deels komt dat ook omdat warmere lucht minder dicht en compact is dan de veel koudere winterlucht; waardoor de wind minder een muur wordt.

Verder regende het vaak opvallend lang — de buien die er waren namen hun tijd om over te waaien. Al is dat wel een grotendeels binnenshuis getrokken oordeel, gebaseerd op bezorgde blikken naar buiten. Ik zoek de regen nog altijd niet op als dit niet hoeft.


Dom vertrouwen
Te fietsen | week 25

Het zou zaterdag droog blijven, zo meldde Piet — die het op details vaker fout heeft dan niet. Dus keek ik ’s ochtends zelf nog even op de buienradars en weerplaza’s wat er aan wolken aan kwam drijven.

Eén enkel regenfront kondigde zich daarop aan.

Dus wachtte ik met de zaterdagrit tot die bui over was gewaaid. Viel mijn vertrek weliswaar al na twaalven, alleen maakte dat niet veel uit omdat het nog minstens tien uur daglicht blijven zou.

Daarop fietste ik binnen vijftien kilometer al in de stromende regen. Bleek dat zich achter het regenfront spontaan een nieuwe bui had gevormd. Zoals ik op mijn smartphone controleren kon, in een bushokje schuilend.

Nu is een beetje regen niet erg — helemaal niet als je al onderweg bent. Daarom trek ik me er normaal weinig van aan. Alleen had ik voor deze zaterdagrit een naakte fiets gekozen; eentje zonder spatborden. Zo éen die tijdens een beetje regenbui maakt dat het water ook van onderen spat. Mijn route zou die dag ook over onverharde paden voeren, als dat kon. En dan rijden de dunne banden van mijn enige racefiets met spatborden niet lekker.

Bleek vervolgens dat Piet het wel heel erg fout had gezien voor die zaterdag. In plaats van de beloofde 18 à 19° C koelde het af tot amper 14°. De verwachtte windkracht 2 à 3 wakkerde zo af en toe aan tot 4 à 5. In plaats van een zomerritje te plannen had ik me beter op een herfsttocht kunnen voorbereiden.

Dan is het idee wat anders over zo’n rit. Verwachtingen kleuren een dag alvast in.

Had ik ook schoenen aangetrokken in plaats van sandalen, en een broek die mijn knieën wel bedekte.

Niet dat de rit van zaterdag tegenviel, uiteindelijk. Het ritme was alleen wat vreemd. In plaats van zelf mijn pauzes uit te kiezen, dwong de regen me af en toe de stilstand op; een bushokje binnen.


Plooifiets xv
Te fietsen | week 26

Dat mijn vouwfiets mee moet als ik naar de Randstad trek spreekt ondertussen vanzelf. Zo zeer zelfs dat het me spijt me nooit eerder verdiept te hebben in deze manier van vervoer.

De schaarse vouwers die ik eerder probeerde, lang geleden, boden overigens ook nooit echt vertrouwen. Die waren of te slap, of te zwaar. Dat werden te onhandige meubels eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen. Daar zag ik mijzelf geen einden op fietsen.

Mijn Tern is wel een volwaardige fiets, ondanks de 20 inch wielen; en het beetje weerstand meer dat die hebben ten opzichte van wielen in de standaard 28 inch.

In de trein alleen wordt de Tern bagage, voor de duur van de reis, en gaat die gratis mee. Ook in de spits. Anders dan de grote fietsen mogen. Al zijn deze in vakantiemaanden juli en augustus even van deze beperking vrijgesteld. Kost het altijd nog wel € 6,10 per dag ondertussen om een gewone fiets mee te nemen.

Mooi is het altijd om op de plaats van bestemming op eigen kracht naar de afspraak toe te fietsen.

Maar nog mooier is het ritje helemaal aan het einde van de reis. Als ik in mijn woonprovincie terug ben en het laatste eindje terug naar huis fiets. Deze drie kwartier minstens. Omdat ik dan op de fiets al bezig ben om thuis te komen, de drukte van de grootstad en de trein van me afleg, en kalm door een landschap bewegen voor even het enige zijn is.

Ook als het regent.


Plooifiets xvi
Te fietsen | week 26

Er kleeft nog iets aan die vouwfiets dat anders is dan mijn normale fietsen. Het lukt me niet goed om het ding gewoon op slot te zetten bij een winkel, en dan naar binnen te gaan.

Ik deed dat al wel. En dan nam ik ook het oneindig lange eind zadelpen mee met het zadel daaraan — want het zitgedeelte kan anders wel erg makkelijk worden gestolen. Maar nooit voelde dat goed. Het was daarmee alsof ik de winkel met een vreemd soort knuppelwapen binnen lopen kwam.

De vouwfiets even plooien en dan een hotel, restaurant, of andere openbare plek binnenrollen, stuit daarentegen op geen enkele mentale weerstand. Dat gebeurt altijd gewoon, sans gêne.

Ook in de trein valt me op dat ik moeite houd om de vouwfiets uit het oog te verliezen. Terwijl vele medepassagiers hun fiets of vouwfiets domweg dumpen in de daartoe gereserveerde coupé, en vervolgens ergens verderop gaan zitten, wil ik toch liefst dicht bij de mijne blijven. Zelfs al betekent dit met regelmaat dat er enkel een klapstoeltje is om op te zitten. En soms zelfs dat niet eens.

Toch geloof ik niet dat deze vrees om het verlies ontstaat omdat ik deze vouwfiets als bezit nu zo hogelijk zou waarderen.

Ik vrees getekend te zijn doordat er eerder fietsen van mij gestolen zijn. Helemaal gerust zet je daardoor nooit meer ergens een fiets neer, zo lijkt me. De immense leegte die gevoeld wordt na een diefstal is me al te bekend.

Als fietsen het gewoon is, maakt dat het niet kunnen fietsen een straf.


Deluge
Te fietsen | week 26

Een zondvloed overviel me donderdag in het midden van niets, daar waar er zelfs geen bushokjes langs de weg stonden om even in te gaan schuilen. Een lokale stortbui kwam neer, zo zou ik later zien, donkerrood gekleurd op de weerkaart vanwege de vele liters water per uur. Er viel plaatselijk een moesson, die een tijdlang met me meebewoog bovendien.

Tien kilometer duurde deze stortvloed, voor de omstandigheden weer enigszins normaal waren en de regen enkel nog drupte.

Tien kilometer werden mijn zintuigen overvoerd door het weer. Er was amper honderd meter zicht, op een klaarlichte zomerdag. De weg werd een kreek waarop water stroomde. De wegrand was niet altijd meer zichtbaar. En de dikke regendroppen leken wel een halve meter terug omhoog te spatten als ze voor de eerste keer waren geland.

Vreemdst aan deze onderdompeling was nog wel mijn ongeloof. ‘Dit kan niet’, wist mijn afgestompte brein nog net als conclusie te formuleren.

Om ietwat later verbijsterd te merken dat het nog weer harder regenen kon dan het al deed.

Maar ondertussen bleef de verlichting op mijn fiets gewoon branden — geen automobilist ook die snelheid terugnam ondanks het zicht.

En zelfs de snelheidsmeter werkte. Waar die het eerder in langdurige regen weleens begeven had. De snelheidsmeter toonde zelfs dat ik nog altijd sneller dan normaal reed, ondanks dat alle water mijn kleding en mijn schoenen al snel kilo’s zwaarder had gemaakt.

Natgeregend was ik weleens eerder, vanzelfsprekend. Maar nooit was de regen zo langdurig en zo absurd hard op me neergeplenst. Controleren wat er precies gebeurd was kon alleen niet. Geen weerkaart heeft meetstations staan in het lege gebied waar ik fietste. Een satellietbeeld of wat bracht het enige bewijs van wat me overkomen was.

Nu ja, en dat mijn waterdichte schoenen nog een weeklang nat zullen zijn.


Lint
Te fietsen | week 27

Wie online om informatie zoekt over fietsen of fietsonderhoud ontdekt al snel dat nogal wat kennis daar veeleer een persoonlijke mening is dan iets anders. Narcisme weegt nogal eens mee. Want iemand heeft dan nogal wat geld uitgegeven aan iets, en daarmee is dat vervolgens dan het beste product ooit.

Gelukkig daarom dat er ook neutralere kennisbronnen bestaan online, zoals de website die Sheldon Brown ooit begon.

Brown zwijgt er evenwel over hoe een stuurlint het best gewikkeld kan worden. Terwijl dat voor menigeen toch een heikel punt is.

De stammenstrijd begint al bij de vraag of je begint door het lint aan het uiteinde van het stuur aan te brengen, of dat je juist altijd vanuit het midden naar het uiteinde toewerkt.

Wordt het vervolgens nog een vraag hóe je wikkelt. Naar binnen gericht, of juist naar buiten.

Dus bestaan er zo al vier verschillende methoden om tape aan te brengen. En voor elk van deze vier zullen vast voorstanders te vinden zijn. Nog afgezien van de mensen die niet voor lint kiezen, maar liever een leren hoes aanbrengen, of soortgelijks.

Is er daarnaast ook nog strijd om het beste soort lint. Of om de vraag wit als kleur niet helemaal fout is. Of om de kwestie of het lint niet altijd dezelfde kleur moet hebben als het zadel. Of of je wel met éen laag kunt volstaan, en of dat daaronder toch wat aan demping nodig is. Er zijn kortom redenen genoeg te vinden voor felle discussies online, die vervolgens zo vaak weinig meer voorstellen dan wat geschreeuw over een strikt persoonlijke mening.

Ik beken daarom maar, ik wikkel altijd vanaf het einde van het stuur, naar buiten. Nepkurk heeft daarbij mijn voorkeur. En ik vervang een stuurlint pas als het echt te vies wordt om nog langer aan te pakken — wat bij zwart spul moeilijk te zien valt — of als de lijmlaag onder het lint loslaat, en de boel kan gaan verschuiven. Daar zit verder geen enkele principiële keuze bij. Het leven is te kort.

[Bovenstaande gebruiksaanwijzing bijvoorbeeld — aan elk uiteinde van het stuur af te slachten — eist dat ik naar binnen toe wikkel. Maar zoals ik het doe, werkt het ook.]


Juli
Te fietsen | week 28

Er was nog niet veel zomer deze zomer. Tenminste, zo voelt het aan. Want er zullen vast al tal van dagen zijn geweest waarin ik wel ongestoord uren in de zon had kunnen fietsen. Alleen waren dat dan net de dagen niet waarop ik fietsen kón.

Als het eens niet regende en er ook geen buien dreigden, dan waaide het wel te hard.

Het tellen van de goede fietsdagen zou alleen misschien wel moeten nu. Statistieken aanleggen, om vage onlustgevoelens weg te kunnen nemen. Want als ik nadenk over wat het fietsen in de zomer nu precies ’s zomers maakt dan treedt al meteen verkleuring op. Objectiviteit ontbreekt. Voor dat beeld wegen dan ineens alle zonovergoten zomerritten mee van de laatste jaren. En dit totaal is daarmee een vervalsing.

Misschien dus lijkt 2016 alleen de slechtste zomer te zijn, om te fietsen, sinds mensenheugenis.

Maar ik weet toch ook vrij zeker in 2012 nauwelijks in korte broek te hebben gefietst.

Mag toch ook niet worden uitgesloten dat veel in het fietsen inmiddels een routine is geworden. Te zelden nog fiets ik in een voor mij geheel nieuwe omgeving. Vrijwel alle wegen op mijn pad zijn me inmiddels bekend. En daarmee gaan mijn zintuigen toch zelden nog helemaal open; want het nieuwe en het onbekende maakt de waarneming onwillekeurig vrij wat scherper.


Laurent Fignon’s autobiografie
Te fietsen | week 29

Fignon, was dat niet de wielrenner die de Tour de France ooit met 8 seconden verschil verloor?

Nee, zo antwoordde hij zelf altijd daarop ietwat gepikeerd. Hij was de renner die de Tour twee keer heeft gewonnen.

Nous Étions Jeunes et Insouciants is de autobiografie van Laurent Fignon [1960 — 2010]. Het boek verscheen vlak voordat hij stierf aan kanker. En sindsdien komt de uitgave ineens met grote regelmaat terug op lijstjes van wielerboeken die ertoe zouden doen.

Die lijstjes zijn me altijd wat te optimistisch over het gebodene. Zo’n heel goed boek is dit ook niet, als boek. Al vertelt Nous Étions Jeunes et Insouciants heel leuk over wielrennen. Over het koersen dan nog in de laatste jaren van de romantiek. Voordat ploegleiders hun teams gingen besturen als waren het robotjes op fietsen. Voordat EPO en andere vormen van werkzame doping hun intrede deden in het peloton.

In Fignon’s tijd vielen de renners die er toe deden tenminste nog zelf aan. Toen wonnen enkel de kopmannen de grote ritten, in plaats van een anonymus uit een vroege vlucht die een kwartier voorsprong had mogen nemen.

Dus las ik een boek dat me nog het best beviel door het jeugdsentiment dat het opriep. De beste jaren van Fignon’s wielercarrière vielen toevallig samen met de tijd dat ik het wielrennen op TV intensiever heb gevolgd dan ooit. Toen hij de Tour de France won in 1983 als 22-jarige debutant — kom daar nu nog eens om — was ik ten diepste bedroefd dat Peter Winnen slechts derde werd uiteindelijk in dat klassement — kom daar nu nog eens om.

Toen Laurent Fignon de Tour in 1984 pakte, onder meer door vijf etappes te winnen, werd ook hij een held.

Maar medio jaren tachtig kwam er aan mijn middelbare schooltijd een einde, en daarmee verdween ook het automatisme om thuis meteen na school naar wielrennen te kijken op televisie. Alles wat er de tweede helft van de jaren tachtig of het begin van de jaren negentig allemaal in de koers gebeurde, beleefde ik mede daarom een stuk minder intensief.

Fignon kreeg al snel last van zijn Achillespezen, had een zware operatie nodig, en kwam daarna eigenlijk nooit meer op zijn oude niveau terug. Eén van zijn enkels kon hij nooit meer helemaal buigen. Desondanks won hij daarna onder meer nog tweemaal de klassieker Milaan-San Remo.

En er was die Tour de France van 1989.

Daarover schrijft hij dat hij de laatste beslissende tijdrit — die Greg Lemond de overwinning zou geven — op een ontstoken zitvlak had te rijden. Bovendien houdt hij staande dat het triatlonstuur dat Lemond gebruikte tegen de regels was. Dat stuur gaf Lemond vier steunpunten op de fiets — handen, ellebogen, voeten, kont. Terwijl renners volgens de regels slechts drie steunpunten mochten hebben.

Helemaal heeft hij die nederlaag dus nooit verwerkt. Al zal het ongetwijfeld geweldig irritant zijn geweest dat hij altijd weer aan die ene verloren wedstrijd herinnerd werd, en niemand ooit zijn dominantie herinnerde in die twee eerdere Tours.

Of dat zo makkelijk vergeten is hoe heel Italië tegen hem samenspande om te voorkomen dat hij de Giro van 1984 zou winnen. De televisiehelicopter ging zelfs telkens schuin voor hem hangen, zodat hij de wind van de rotoren hem in de laatste tijdrit onbehoorlijk hinderde.

Nous Étions Jeunes et Insouciants bleek een jongensboek te zijn, waarin een jongen aan andere jongens met plezier vertelt over de sterke stukken die hij beleefde. Ook leuk. Helemaal voor een late namiddag op de bank tijdens weer een saai Tour-etappe. Alleen wat eenzijdig daardoor. Al is het vanzelfsprekend al heel wat dat een sportman met intelligentie en soms zelfs relativering op zijn loopbaan terug durft te kijken.

Mij viel alleen op dat enkel zijn ploegleider Cyrille Guimard de enige was die ook een volledig portret kreeg in dit boek — en dit was dan ook nog doordat beiden ruzie kregen en uit elkaar gingen.

Laurent Fignon, We Were Young and Carefree
287 pagina’s
Yellow Jersey Press, 2010
Vertaling door William Fotheringham van Nous Étions Jeunes et Insouciants, 2009

Profronde
Te fietsen | week 30

Enig speuren in het archief van de Leeuwarder Courant leerde me dat ik in 1984 voor het eerst de Profronde in Surhuisterveen moet hebben bezocht.

Die werd toen overigens pas voor de derde keer gehouden.

Zoetemelk won indertijd, voor Laurent Fignon. En ik weet niet of me toen al bekend was dat het bij wielercriteriums er nu net nooit om gaat wie als eerste finisht. De winnaar staat voor de wedstrijd namelijk al vast. Wat volgt is een soort straattheater. Want er is toch geen toeschouwer die zien kan dat de wielrenners een heel stuk minder hard rijden dan ze in een serieuze wedstrijd zouden doen.

Een journalist van het Nieuwsblad van het Noorden voelde zich in elk geval in 1983 nog behoorlijk bekocht door het vertoonde in Surhuisterveen. Algemene kennis zal het toen niet geweest zijn, van dat toneelspel in de open lucht.

Belangrijkste herinnering aan 1984 was de ontdekking dat beroepswielrenners merkwaardig klein van gestalte waren. Joop Zoetemelk bleek een pezige tuinkabouter te zijn, waaraan alleen de baard ontbrak. Laurent Fignon een jongetje van tien met een zweetband om zijn ouwelijke hoofdje.

Tegenwoordig hebben profwielrenners wel een normale lengte. Alleen zijn ze inmiddels onmogelijk mager. Toen ik gisteravond Chris Froome ‘in het echt’ zag, bleek deze nog dunner te zijn dan gedacht. De TV maakt eenieder tien kilo dikker. En geel flatteert ook al bijna niemand.

Een constante is dus gebleven dat elke keer als ik profwielrenners zie me verbaast dat zij zo hard kunnen fietsen met die onmogelijke lijfjes.

In 1984 heb ik waarschijnlijk nog betaald om te mogen kijken. Tegenwoordig is de toegang tot de Profronde gratis, en als dank noemt de speaker van dienst vele malen de namen van allen die sponsorden op.

Anders dan toen is ook dat ik inmiddels te oud en cynisch geworden ben voor het vertoonde. Het lukt me niet meer om betoverd te worden door wat bekende sportmensen op een fiets, die een kleine twee uur lang rondjes toeren in een dorpscentrum ergens. Als een evenement duizenden bezoekers trekt ga ik tegenwoordig trouwens ook al automatisch de andere kant op. Bovendien zijn er tal van media bijgekomen die uitgebreid verslag doen van het gebeurde, in woord en beeld.

Wielercriteria sterven uit, schreef De Volkskrant. De renners worden te goed betaald door hun ploegen tegenwoordig.

En vreemd genoeg had ik ook het idee gisteren nog even iets heel ouds te hebben meegemaakt, dat plotseling verdwijnen kan, en niemand dan zal missen. Dat halve uur voor ik de stilte weer opzocht, en vond. Terwijl wielercriteria dus toch niet meer zijn dan een bedachte traditie.


Transcontinental
Te fietsen | week 31

Deze week kijk ik meermaals per dag naar cijfertjes in purperen ballonnetjes op een scherm. En op dit moment bewegen veel van die cijfertjes zich met rukjes door de Alpen. Al zijn er ook die nog bij de bergen moeten komen.

De vierde Transcontinental Race is bezig. En hoewel dat race-element er dus wel degelijk in zit, gaat het mij daar eigenlijk niet om. De Transcontinental is een fietstocht die begint op de Muur van Geraardsbergen, en ditmaal eindigt in een Turkse badplaats. En de deelnemers hebben de route daartussen zelf te bepalen.

Al zijn ze onderweg ook verplicht een viertal controleposten te passeren.

En anders dan bij de meer traditionele fietsraces is de Transcontinental niet netjes in etappes verdeeld. De deelnemers bepalen zelf wanneer ze stoppen om te gaan slapen. Of te eten. De finish ligt pas helemaal op het eind. En anders dan bij Tour de France hebben de deelnemers zelf te zorgen dat ze voldoende eten en drinken krijgen onderweg. Die wordt hen niet aangereikt.

In de reglementen staat zelfs dat alle hulp van buiten verboden is. Tenzij die gewoon voor iedereen is in te kopen; in een winkel bijvoorbeeld.

En het is dit overlevingsaspect dat de Transcontinental zo boeiend maakt. Al weet ik ook best dat de verhalen daarover pas veel later naar buiten komen. Want, dat de deelnemers duizenden kilometers hebben te fietsen is éen. Maar hoe gaan ze met de eenzaamheid om onderweg — stayeren achter elkaar mag ook al niet — hoe met de roedels aan zwerfhonden in Oost-Europa, hoe met pijntjes en krampjes die na een paar dagen in het zadel helse problemen zijn geworden?

[ Een documentaire over de Transcontinental van vorig jaar staat hier:
 


Obsessive Compulsive Cycling Disorder
Te fietsen | week 31

Als ik iets doe, en daar plezier in krijg, dan vormt zich na een tijd vanzelf de wens om er nog beter te worden. In wat die bezigheid ook zijn mag. Tegelijkertijd staan er dan altijd wetten in de weg, en praktische bezwaren.

Mijn boeklogjes werden er niet beter op toen ik er meer tijd voor uit trok om ze te schrijven, en er een stuk minder hoefde te maken.

Ook met mijn fietsen zijn er nu grenzen waarop ik stuit. Zo zou het allicht baat hebben om mijn buik- en rugspieren bewust te gaan te trainen. Of om minstens éen keer in de week aan intervaltraining te doen op de fiets; om mijn hartslag dan een paar keer flink de hoogte in te jagen, en het lijf te doen zweten.

Of ik zou gezelschap op kunnen zoeken, omdat sportieve prestaties altijd beter worden als anderen met krekt dezelfde inspanning bezig zijn.

Om beter te worden in iets is het zo af en toe nodig buiten de normale oevers te treden.

Grootste bezwaar tegen al die extra moeite is dat ik die allemaal al eens verricht heb. Lang geleden. Ooit was het normaal voor mij om 250 herhalingen te doen op een dag van ene buispieroefening — dat ging zelfs door onder school of werk. Even zelfs fietste ik met regelmaat in een groepje hardrijders mee. Die deden dan sterke stukken; zoals op éen dag een rondje rijden om de voormalige Zuiderzee.

Ik verlang geen tel terug naar die inspanningen van toen. Ondanks dat ik er nu vast baat bij zou hebben. Ze waren allereerst geestdodend. Ze waren iets om tevreden op terug te kijken, nooit iets om met plezier te beleven.

En vanuit deze gemoedstoestand las ik het boek Obsessive Compulsive Cycling Disorder; een verzameling van persoonlijk gekleurde artikelen over fietsen van de Brit Dave Barter. Want het viel me meteen op dat veel van diens verhalen juist gaan over het opzoeken van zijn grenzen. Net als dat hij dit dan doorgaans deed in georganiseerde evenementen, tussen anderen. Streed daarbij niet zelden ook een bekende met hem mee.

Hij is ook lid van een fietsclub, met wekelijkse clubritten, en acht dit vanzelfsprekend. Al gaat zijn liefde eigenlijk uit naar het mountainbiken.

Zelfs zijn verhaal over de klassieke Britse fietsvakantiereis — van Land’s End naar Jon o’ Groats — draait allereerst om de inspanningen die hij daarin leveren moest. Terwijl zo’n fietsreis toch echt geen wedstrijd is.

Dave Barter komt daardoor over als een ietwat fanatiek man. Al relativeert hij tegelijk genoeg om niet ook met duidelijke humor te schrijven over dat fietsen.

En hij schrijft ook vanuit de verdediging — omdat het fietsen in andere landen dan Denemarken of hier niet iets vanzelfsprekends is, maar een bewust gekozen sport. Waardoor er elders dus altijd die extra plicht bestaat om tegenover buitenstaanders te moeten bewijzen dat fietsen geen compleet zinloze bezigheid is.

Ofwel, ik las een boek van iemand die veel fanatieker met dat fietsen is dan ik, en tegelijk was het alsof de auteur een onvergelijkbaar ander tijdverdrijf heeft.

Gelukkig dus maar dat ik niet enkel lees om bevestiging te vinden van mijn opvattingen. MIjn voornaamste persoonlijk gekleurde reactie op dit boek was dan weer: jammer toch dat er zo weinig heuvels zijn in Nederland; laat staan hellingen van enige betekenis.

Dave Barter, Obsessive Compulsive Cycling Disorder
214 pagina’s
Phased Publications, 2012

Geen idee
Te fietsen | week 32

Mijn fietscomputer kreeg kuren zaterdag, en dat ontredderde mij meer dan me lief was.

Ging het nog om een simpel computertje ook, dat niet meer deed dan het bijhouden van de snelheid van het moment en de afgelegde afstand.

Maar op een gegeven moment, nadat ik even was gestopt om iemand de weg te wijzen — vreemd toeval dat ik die wist overigens zo ver van huis — begon de computer de tientallen aan te zien voor honderdtallen. Voor elke kilometer op de teller legde ik er in werkelijkheid bijna tien af. Zo leek het tenminste. Want soms telde het ding wel correct.

Dat deed al geen goed aan mijn gemiddelde snelheid van dat moment.

En vervolgens was er ook geen touw meer vast te knopen aan de snelheid die het computertje toonde. Stilstaand reed ik soms tot wel dertig kilometer per uur, en voor de wind op een grote versnelling gaf de meter soms een getal aan van amper éen cijfer.

Dus werd het beter om de fietscomputer geheel te negeren. Alleen had ik toen ineens een probleem met mijn oriëntatie. Want fietstochtjes gaan dus blijkbaar op afstand — niet op tijd. Ik had trouwens ook geen idee hoe laat ik precies van huis was afgezet.

De kilometer is onderweg de maat der dingen. Geworden. Door die doorgaans wel betrouwbare fietscomputer. Want die getallen op het scherm zijn meer dan enkel een nummer. Die vertellen me vooral waar ik zo ongeveer ben, ten opzichte van het volgende dorp of de eindbestemming. Die laten me weten wanneer er zo ongeveer pauze moet worden genomen. Want of de vermoeidheid wel klopt bij de inspanning van dat moment.

Uren glijden ook te snel voorbij op zo’n dag buiten spelen.

En ik zal best veel meer op mijn gevoel kunnen fietsen — zonder computer of horloge — alleen is de simpele voorwaarde dan wel dat ik mijn tocht begin in de wetenschap op mijn gevoel te moeten vertrouwen.

Halverwege de dag overschakelen van exact naar diffuus wilde niet zo goed — vooral omdat ik geen benul had over hoeveel ik tot dan eigenlijk gefietst had. Honderd kilometer? Tachtig? Honderdtien?

Wat had ik al gedaan, en wat wat was er verder nog mogelijk daarmee?

Kwam trouwens ook om dat het nogal even duurde voor me duidelijk werd dat de fietscomputer onzin aan het produceren was. En dat die afgelegde kilometers op het scherm niet klopten.

Nog altijd geen idee wat er mis is met het ding.


Geen idee | ii
Te fietsen | week 32

Een dagje buitenspelen is dus nooit helemaal vrij. Dat lijkt me de voornaamste conclusie na wat me vorige week overkwam, toen ergens halverwege mijn fietscomputer onbetrouwbaar werd, en ik dat te laat ontdekte.

Daarop sloeg de verwarring toe, en verdween ook te veel plezier in de rit.

Er komt namelijk altijd een eind aan zo’n lange zwerftocht met onbekend doel. En op dat moment blijkt het nogal handig te zijn over een computertje te beschikken op het stuur die meehelpt bij het denken. Objectieve informatie ondersteunt dan het benul.

Als ik nog tachtig kilometer moet om naar huis te fietsen bijvoorbeeld, maakt het nogal verschil of me dat binnen een uur of drie kan lukken, of dat ik vermoed dat me dat zeker vier uur gaat kosten. Want als me duidelijk is dat de terugweg nog een grote en langdurige inspanning zal vergen dan hoort daar een bepaalde aanpak bij. Dan stop ik bijvoorbeeld eens wat vaker — om mijn rug te strekken. Dan kan het ook zijn dat ik onderweg nog ergens koffie ga drinken, of mijn voorraden aanvul in een supermarkt.

Moesten die nog wel open zijn, natuurlijk.

In Nederland is het niet zo heel moeilijk om in grote lijnen te weten hoe ver ik van huis ben. Punt blijft alleen dat het nogal nuttig is om te weten hoe hard ik de komende uren ontspannen fietsen kan — en dat hangt dan weer veel meer van de weersomstandigheden af dan van iets anders.


Augustus
Te fietsen | week 33

Woensdag, zo beloven de voorspellingen nu, woensdag wordt de eerste dag in augustus waarop het geen moment zal regenen.

Vanzelfsprekend luiden de voorspellingen voor donderdag alweer anders.

Want, dat was de constante toch van deze zomer tot nu toe. Dat het onmogelijk werd om de bui hier en daar te ontlopen. Dat ik me geen fietsrit van enige lengte herinner zonder regen; zelfs al was die dan hoogstens een drup of wat uit een dreigende lucht.

Ritten genoeg ook waarop ik geen enkel moment mijn schaduw heb kunnen zien.

En erg is dit allemaal niet, vervolgens, alleen hoop je in de zomer altijd op beter en droger.

Deze zomer bracht ook de ontdekking hoe vervelend het is om in de stortregen te rijden op een snelle fiets zonder spatborden. Het hemelnat heeft dan namelijk een gulle natte echo, en die spat water gemengd met zand en andere troep van de weg omhoog.

De resten van doodgereden beesten.

Poep.

Heb ik nog het geluk gauw eens met een enorme zadeltas te rijden, zodat mijn rug dan niet wordt vies gespat.

Sommige wielrenners zien die bruine streep op hun rug na een regenrit weliswaar als een ereteken. Ik doe dat niet.

Naarst was trouwens nog dat ook mijn drinkbussen vies werden gespat, en dat dit dan bleef kleven; zodat je bij elke slok de kans had rotzooi binnen te krijgen. Want zo’n fles moet met je handen geopend worden, en naar de mond worden gebracht. Dus komt de troep van die flessen altijd op je handen terug.

Ik weet van iemand die doodziek werd na een regenritje op zijn racefiets langs de Waddenkust, over wegen waar ook nogal wat schapen liepen. Ongetwijfeld heeft die toen schapenpoep binnengekregen. Vloeibaar geworden of niet.

illustratie via GIPHY


De elleboogzenuw flossen
Te fietsen | week 33

Een fiets bestuur je met je heupen. Dat stuur boven het voorwiel kan er daarom ook wel af. In theorie.

Ik hoorde een fietsenbouwer het stuur ook eens omschrijven als een onderdeel dat allereerst dient om tegen aan te leunen. Want een stuur stuurt meestal niet.

Maar, een doorsnee fietser heeft slechts drie contactpunten met zijn of haar fiets. Pedalen, zadel, en stuur. En zeker bij de eenzame fietser die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind rijdt, hebben die handen wel wat gewicht te dragen.

En dat gaat niet altijd goed.

Fietsen kan RSI-achtige verschijnselen geven, die ontstaan doordat zo iemand dan te lang éen van twee zenuwen heeft afgeklemd, door de hele tijd in dezelfde houding op het stuur te leunen.

Gelukkig heb ik daar geen last van — sinds ik mijzelf heb aangewend om met regelmaat het stuur net even anders beet te pakken. De voornaamste reden van mijn voorkeur voor racesturen is ook slechts dat die op zo veel verschillende manieren zijn vast te grijpen.

Neemt niet weg dat ik het verschijnsel van vroeger wel ken om slapende of tintelende vingers te krijgen tijdens het fietsen.

En een paar keer de hand van het stuur nemen om die dan los te schudden, hielp lang niet altijd afdoende.

Blijken er simpele oefeningen te bestaan om die tintelvingers te voorkomen. Belangrijk daarbij is zorg te dragen dat de elleboogzenuw [ulnar nerve] altijd vrij kan bewegen. Daartoe moet deze dan met regelmaat geflost worden. Volgens het internet.
 


What Goes Around
Te fietsen | week 33

Ooit heb ik mijn geld verdiend met fietsen. Zonder daartoe beroepswielrenner te hoeven zijn geweest. Mijn taken bestonden helaas ook nooit uit dat fietsen alleen. De fiets was slechts het vervoermiddel waarmee ik andere zaken ter plaatse bracht. Die ene zomer dat ik ijs verkocht vanuit een bakfiets. De talloze ochtenden van de krantenwijk. Het zaterdagbaantje als reserve-hulpbesteller bij de PTT.

Nog altijd voelt het vreemd als ik op het platteland onderweg een postbode tegenkom op een brommer. Dat vervoermiddel hoort om éen of andere reden niet bij die taak.

Voor mij.

Fietsen is zo’n normale manier van verplaatsen in Nederland dat ik tot deze woorden zelfs nooit beseft heb daarmee mijn geld te hebben verdiend. Ook al omdat het inhoudelijk nooit een bewuste keuze was juist die baantjes te willen hebben. Mij ging het om het geld.

Niemand die me bij de sollicitatie ooit vroeg wat mij zo aantrok aan werken in de buitenlucht.

En ik geloof niet dat iemand me in dit land ooit om uitleg zou vragen wáarom ik vroeger ooit kranten heb rondgebracht. Want zo velen deden dit met mij als tiener. Evenmin zit er een roman in die bezigheid, laat staan verrassende memoires.

Maar met het bestaan als fietskoerier ligt dat allemaal net wat anders. Terwijl deze koeriers toch ook niet meer dan postbodes zijn, lijkt het allemaal aanzienlijk spannender wat ze doen — waarschijnlijk omdat wij daarbij eerder aan een Amerikaans verschijnsel denken; waarvan de subcultuurtjes zelfs zijn vastgelegd in films, en muziekvideo’s.

Zo reden Amerikaanse koeriers gauw eens op fixies; fietsen zonder vrijloop achter. Mede omdat dit de fietsen zijn die het minste onderhoud nodig hebben bij slecht weer. En als gevolg daarvan is menig klassiek stalen racefietsframe in Nederland verneukt; omdat men hier de doortrapper zag als een interessant modeverschijnsel om ook eens te proberen. Moesten al die rare uitsteeksels op de fiets er voor het mooi nog wel even worden afgeflext.

Emily Chappell was fietskoerier in Londen — al sluit ze niet helemaal uit dat vak nog weer eens op te pakken, als dat zo uitkomt. Want óf een beginnend koerier houdt er binnen veertien dagen mee op, óf zo iemand houdt er een verslaving aan over die heel lang kan aanhouden.

What Goes Around bevatten haar memoires aan deze periode — in de jaren vanaf 2008. Want die plaatsbepaling in tijd is wel belangrijk. Voor Emily Chappell sprak het al vanzelf via een radio te worden aangestuurd. Er was satellietnavigatie. En als ze winterkleding nodig had of een nieuw onderdeel voor haar fiets dan was dat allemaal online te bestellen.

lees hier verder


Voorspelbaarheid
Te fietsen | week 34

Lang geleden dat ik zo weinig belangstelling heb kunnen opbrengen voor iets dat zo groot gemaakt werd. De Olympische Spelen van Rio 2016 zeiden me niet veel. Terwijl ik vroeger toch kon uitkijken naar twee weken lang de hele dag sport op TV.

Er werd te veel over sport geblaat, op de Nederlandse zenders, dat was al een eerste probleem. Pratende hoofdjes zijn per definitie al niet zo interessant, en hoofdjes die over sport praten benaderen wel helemaal het absoluut niets.

Maar uitwijken naar de buitenlandse zenders hielp al evenmin. Want elk land doet op eigen strikt chauvinistische wijze verslag van die Spelen, en dat kan nogal gaan jeuken als je niet tot het doelpubliek hoort.

Is er ook iets aan de meeste sporten waar ik op ben uitgekeken. Jurysporten lagen me toch al niet, omdat jurysporten er enkel om draaien dat iemand een oefening die hij of zij thuis al duizend keer gedaan heeft op het moment suprème nogmaals doet, alleen dan perfect. Heel boeiend is zulks niet.

Aan vrijwel alle sporten kleeft het probleem dat er zo veel voorspelbaar aan is. Een sportarena is altijd even groot. Overal in de wereld. En bij wedstrijden tussen twee sporters of teams komt er altijd weer éen winnaar uit. Veel keuze is daar verder niet in. Dus wordt zulke strijd alleen leuk als je partij gaat kiezen. Waartoe ik me zelden geroepen voel.

Ik merk dus ineens naar Midas Dekkers kant te zijn gaan hellen; dat het bejubelen van de prestaties van Usain Bolt wat vreemd worden in het besef dat de eerste beste straathond sneller lopen kan.

Goed, het wielrennen blijft de onvoorspelbaarste aller sporten, mede omdat er zo veel teams tegelijk tegen elkaar strijden in plaats van die luttele twee. Wielrennen speelt zich bovendien op de openbare weg af, en niet in éen of andere kunstmatige omgeving — ja er is ook baanwielrennen, maar dat is net zo saai om naar te kijken als snelschaatsen.

Waren de twee wegwedstrijden voor de wielrenners in het allereerste weekend van de Spelen. Werden beide races bovendien door onverwachte valpartijen beslist. Ik vreesde daarbij zelfs voor het leven van de Nederlandse deelneemster die nogal naar viel in een afdaling — al maakte de nationaliteit in dit geval niet uit.

Het kan dus ook gewoon zijn dat ik meteen al met een grote kater zat over Rio, en het gewoon niet goed meer komen kon.


Kettingdynamo
Te fietsen | week 34

Eenmaal heb ik iets rechtstreeks in China gekocht via AliExpress. Voor een tientje. Dat was een extra lange zadelpen voor mijn vouwfiets. Daarover geen enkele klacht.

Maar AliExpress is een rare winkel — of beter, een vreemde intermediair voor al die duizenden handelaren daar die iets te exporteren hebben. Er gaat geen week voorbij dat ik niet toch even kijk wat AliExpress een klant als ik adviseert om te kopen.

Want, het blijkt verslavend te zijn om te sneupen naar wat er allemaal aan nieuwe producten bedacht wordt; in dit geval voor mij, die mannelijk geachte klant.

Het meeste daarvan is vanzelfsprekend troep. Tinnef. Rotzooi. Niet zelden goedkope namaak ook.

En toch komt er weleens een oorspronkelijk idee langs, dat me dan even fascineert. Deze week was dat de kettingdynamo. Die enkel voordelen heeft, volgens de handelaar. Omdat naafdynamo’s de snelheid remmen — waar ik nooit iets van gemerkt heb. Net als de ouderwetse banddynamo’s; terwijl deze nog eens voor extra slijtage zorgen aan een band.

Geven de traditionele oplossingen ook nog eens geen stroom af als de fiets stilstaat, volgens de verkoper. Die daarbij negeert dat fietslampen tegenwoordig met een condensator komen, die ze al gauw een minuut of vijf aan standlicht geeft.

Maar waar ik eerst dacht met een onzinproduct te maken te hebben, moet ik inmiddels toegeven dat er toch wel wat zit in dit idee. Want, deze kettingdynamo komt met een bufferaccu. Dus maakt het voor de stroomvoorziening niet per se uit dat ook een ketting niet altijd in beweging is — die staat zelfs met regelmaat stil tijdens het rijden; op fietsen met een freewheel tenminste.

Blijft alleen staan dat kettingen erg vies kunnen worden.

Ook had ik dit apparaat anders uitgevoerd, en het ding tegelijk laten functioneren als kettingspanner.

Kun je voor het aankoopbedrag bovendien heel redelijke batterijlampen krijgen.

Maar toch…


Kofferbak
Te fietsen | week 35

Ruim anderhalf jaar, zo lang heb ik het rekje nu waarmee mijn grote Carradice tas moeiteloos aan het zadel van elke van mijn fietsen is te hangen. Kost het hoogstens een tel of drie om de hele constructie weer los te krijgen, op de plaats van bestemming.

En dat rekje vervolmaakte toch echt de zadeltas als oplossing om bagage mee te nemen op de fiets. Zo tevreden ben ik daar inmiddels mee dat het me eigenlijk verbaast tot anderhalf jaar terug nog zo geklooid te hebben.

Niet al mijn fietsen hebben bagagedragers — lokaal trouwens pakjedragers genaamd.

Bagage aan het zadel heeft bovendien als voordeel dat die op een plaats hangt ontworpen om er een redelijk groot gewicht te torsen. Daar merk je de aanwezigheid meestal niet van.

Zo hoog gehangen wordt de tas bovendien niet vies van opspattend wegnat — tenzij de fiets geen spatborden heeft. Maar dan komt regen altijd ongepland. En dat eeuwige vies worden was toch een groot bezwaar tegen het rondrijden met traditionele fietstassen in een vochtige winter.

Toegegeven, dat het zo makkelijk is geworden om bagage mee te nemen, leidt er ook toe dat ik mijn zadeltas misschien weleens te veel gebruik als kofferbak. Dat er altijd van alles meegezeuld wordt dat helemaal niet hoeft. Omdat de tas een soort doos van Pandora is waar altijd meer inpast, en dus uit te halen is, dan gedacht.

Niet op elke rit hoeven er twee binnenbanden mee, bijvoorbeeld. Of die multitool waarmee vrijwel de hele fiets te demonteren valt. Die opvouwrugzak voor onverwachtse boodschappen.


Mooi wit
Te fietsen | week 35

Vorige zomer kocht ik voor weinig een zoveelstehands fiets uit 1988. Een citroengele Raleigh Triathlon. Ooit speciaal ontwikkeld voor triatleten — ofwel mensen die niet zo goed kunnen fietsen. Omdat het eigenlijk zwemmers zijn. Of lopers.

Reden voor de aanschaf was dat ik liefst een snelle fiets bliefde waarop redelijk brede banden te monteren waren — van minstens 28 mm — en ook nog spatborden daarbij. Om daar dan het hele jaar op rond te kunnen crossen.

Bleek al meteen dat ik geen prettiger fiets had in mijn stal. Comfortabeler was er niet. Geen fiets waarop ik na uren onderweg zo snel op door kan blijven rijden.

Geen idee wat het zegt dat mijn prettigste fiets er dus éen is voor niet-fietsers.

Enige probleem bleef die kleur. Of beter, de ideeën die de vormgevers van Raleigh eind jaren tachtig hadden gehad over de kleurstelling van de fiets. Het speciale zadel, waarop ook goed te rijden viel met natte kleding aan volgens de brochure, was namelijk wit. En het merk en type zadels waarop ik het liefste rijdt heeft geen wit.

Mij ging het te ver om veel geld uit te geven aan onbekende zadels van andere makers, of aan een katoen op rubberen Brooks C17, om de fiets te houden zoals die in de folder stond.

Kwam de Raleigh Triathlon ook met wit stuurlint. Wat misschien fris staat, maar heel erg snel vies wordt — helemaal als je geen handschoenen aantrekt bij het fietsen zoals ik.

Wit stuurlint wilde ik dan weleens proberen. Mits daarvan duidelijk was dat die tegen een wasbeurt kon of wat. Maar op dat idee kom ik terug. Zelden iets op mijn fietsen gemonteerd dat zo snel zo lelijk worden zou.


September
Te fietsen | week 36

Misschien was ik te pessimistisch met de conclusie eerder dat het fietsseizoen krap vijf maanden duurt — mei, juni, juli, augustus, en september. Want de laatste weken van april en in de eerste weken van oktober kan het weer best aardig zijn.

Blijft alleen ook dan staan dat ik zeker de helft van elk jaar in lange broek en jack rondrijdt, op een fiets met spatborden verzwaard.

Vergeet het lage aantal uren daglicht trouwens niet. Geen duidelijker teken dat de zomer toch echt voorbij spoedt als om zeven uur ’s avonds alweer met de lamp op fietsen; omdat het toevallig grauw en regenachtig is.

Als ik nog plannen had voor lange fietstochten dan gaat de tijd dus dringen nu. Die moesten dan in de komende weken worden gefrommeld. Terwijl iedereen overal net van vakantie terug is, en mij voor van alles raadplegen wil.

Mede omdat met een paar weken de bladeren weer gaan vallen. En die zeker op de rustige pittoreske routes gauw eens blijven liggen, nat regenen, en dan glibberig wegrotten. Er zijn elk jaar een paar weken dat ik beter niet kan fietsen op sommige weggetjes.

En dan is het nu nog niet raar om in korte broek rond te rijden, en in korte mouwen daarbij. Alleen viel het me wat tegen hoe vaak dat kon, dit jaar. 2016. Er was een hittegolfje van drie dagen eind augustus. Maar voor de rest regende het opvallend vaak. En dat het ’s nachts nauwelijks afkoelde, waardoor de gemiddelde temperaturen hoog bleven, had op mijn fietsen geen effect.


Scheetje beef
Te fietsen | week 36

Geen klacht van mij over de B17, het klassieke leren zadel van de firma Brooks. Ik wou dat meer in dit leven zo weinig problemen gaf.

Behalve dan dat er nu toch een observatie volgt.

Leer is een natuurproduct. Dat reageert op het gebruik. De B17’s in mijn bezit zijn naar mijn zitbotjes gaan staan. Daardoor zal geen ander heel prettig zitten op de zadels die door mij werden ingereden; behalve als het toeval ons met dezelfde anatomie heeft opgescheept daar onder.

Ook bleek me dat de zadels op den duur bij de punt een lichte afwijking naar rechts kregen. Kostte enige duizenden kilometers, maar dan werd altijd een kleine tordering zichtbaar.

Was die afwijking bij éen zadel opgetreden, dan was mij niets opgevallen. Alleen gebeurde dit dus bij allemaal. Daarom moest het probleem wel door mij zijn ontstaan. Blijkbaar drukt mijn linkerdij anders tegen de zadels dan mijn rechter.

Wat ook heel goed kan. Geen mens is recht. Niemand is perfect symmetrisch. Menig rechterbeen heeft een andere lengte dan het linker-. Alleen valt dit doorgaans pas op als er daardoor problemen ontstaan.

En ondanks de lichte ontzetting bleven de zadels goed zitten. Dus heel druk kon ik me nooit maken over de vraag of ik links anders de pedalen rondtrap dan rechts.

Tot ik een vouwfiets kocht.

Want vouwfietsen doen éen ding anders dan normale fietsen. Bij deze modellen moet de zadelpen makkelijk in hoogte te verstellen zijn, opdat zo’n ding snel tot een klein pakketje ineen te schuiven is.

En die losvaste klemming van zo’n zadelpen zit weleens te los. Dat gebeurt als zo’n klem met regelmaat open en dicht moet. Doorgaans zakt de zadelpen daardoor tijdens het fietsen omlaag.

Ik kreeg alleen een ander probleem. Mijn zadelpunt begon onder het rijden gestaag naar rechts te draaien. Voor eens en voor altijd aantonend dat mijn linkerbeen anders pedaleert dan het rechter. De afwijking bedroeg al gauw zeker een hoek van dertig graden.

Is overigens nog steeds het enige probleem dat die klem rond de zadelpen strak genoeg moet staan.


42 x 18
Te fietsen | week 37

Laurent Fignon voelde dat zijn carrière als professioneel wielrenner ten einde liep, toen hij ineens op een minieme versnelling ging trainen. 42 x 18 werd het toen, in plaats van de gebruikelijk 52 x 15 of 16. Een toeristenverzet in zijn ogen.

En in De renner maakt Tim Krabbé een heel nummer over een vergelijkbaar klein verzet. 43 x 19. De versnelling van de onverzettelijke klimmer.

Die getallen bieden een tijdsbeeld. Van toen zelfs beroepswielrenners net zes tandkransjes achter hadden, ofwel twaalf versnellingen in totaal, en elk daarvan met zorg gekozen was.

Tegenwoordig kan iedereen die dat wil alleen achteraan zo al elf tandkransjes monteren.

Tegenwoordig hoor ik ook nooit iemand meer over zijn of haar favoriete versnellingsverhouding. Er is keuze te over. En niet de versnelling bepaalt de pedaaltred meer. Het is krekt andersom. Bij een bepaald beentempo en een zekere inspanning hoort een tandwielverhouding die daarbij de grootste efficiëntie toestaat.

Maar ik ben nog een beetje old school — door mijn voorkeur om op stalen fietsjes te rijden van bijna veertig jaar oud. Want die fietsen hebben soms slechts zes versnellingen achter. Zonder dat die me daarmee ooit het idee geven iets te missen. In bijna heel Nederland kan het met twee, drie versnellingen wel toe. Met hoogstens nog een vierde daarbij voor als er extra veel tegenwind staat.

Zo bezien zijn ook van die amper twaalf versnellingen van mijn geliefde afstandfiets er acht overkill.

En inderdaad blijk ik wel een geliefde versnelling te hebben. De 42 x 17. Daar toer ik overal ontspannen op rond. Pas als het heel lang boven de dertig kilometer per uur gaat, schakel ik eens een versnellinkje zwaarder.

De 42 x 18, of de 43 x 19, ontbreken op die fiets. Een 18 zit er ook niet op. Alleen is dat wel een aantal tanden dat nuttig kon zijn. Want ik kan nu enkel kiezen tussen de standaard 42 x 17, of de 42 x 19 die ik als eerste tegenwindversnelling zie.

En waar voor Tim Krabbé die 19 een klimverzet was, tol ik daar toch echt vrolijk op het vlakke mee, met een kruissnelheid van ruim boven de vijfentwintig kilometer per uur.


Psychokiller
Te fietsen | week 38

Fietsen is uiteindelijk een mentale inspanning. Heb ik het wel over fietstochten van enige duur, niet over een ritje naar de buurtsuper om snel even nog een baal chips te kopen voor straks bij de TV.

Vorig jaar was mijn langste rit op een dag er éen van 218 kilometer — en dat vond ik toen bijzonder genoeg om er hier over te schrijven.

Dit jaar ging het in augustus nog straffer, meer dan éen keer zelfs. En heel interessant vind ik het niet meer om het daar in detail over te hebben. Behalve dan dat ik de eerste keer geestelijk een inzinkinkje kreeg toen ik nog honderd kilometer te rijden had, terwijl er tot dan toch al honderdvijftig waren afgelegd.

Toen hielp het om elke vijftien kilometer even van de fiets te gaan, mijn rug te strekken, en paar teugen te drinken, en vervolgens verder te peddelen op een heel licht verzet.

Het regende weleens, laat op die doordeweekse dag. De vakantieperiode was al afgelopen, of liep ten einde. Schuilgelegenheden, zoals Horeca, waren dicht of niet voorhanden in de regio waar ik door moest.

En ik verbeeld me dat die moeizame veertig vijftig kilometer van die ene monsterrit maken dat sindsdien al mijn fietsen met een zeldzaam gemak gaat. Want de wetenschap is nu werkelijk ingedaald dat mijn lichaam geen enkel problemen heeft met een langdurige inspanning. Dat enkel mijn benul zich onnozele vragen kan gaan stellen, over het waarom en het waarvoor — maar dit inmiddels pas gebeurt na al een werkdag onderweg te zijn geweest.

Eerstkomende test of deze theorette klopt, is komend voorjaar. Als ik een langzame en wat moeizame rit maakte dan, om vervolgens te merken dat alle ritten daarna aanzienlijk makkelijker gingen.


Tapetenwechsel
Te fietsen | week 38

De eerste keer ergens langskomen op de fiets, is altijd nieuw. Zelfs als vooraf kaarten zijn bestudeerd. Of Google’s Streetview. Enkel de ervaring in het echt telt. En nooit zie ik meer dan bij de eerste kennismaking.

De tweede kennismaking geeft daarom wel een realistischer indruk van zo’n locatie dan de eerste, zo heb ik gemerkt.

Bij een derde en een vierde keer spelen alweer heel andere emoties. En kom ik ergens nog vaker langs dan word ik blind. Tenzij de omstandigheden ineens heel anders zijn. Vaak genoeg vallen de bochten in een weg me pas op in het donker, of bij heel hevige mist.

Alleen rijd ik inmiddels alweer enkele jaren rond op mijn fietsjes. Daarom zijn ondertussen vrijwel alle doorgaande wegen verkend in een ruime straal rond mijn woonhuis. Wat betekent dat ik te vaak bekende banen volg.

Speelt ook nog mee dat er lokaal nogal wat water is, in de vorm van meren, kanalen, en riviertjes, dat dan slechts via een gering aantal routes gepasseerd kan worden. Water komt met fuiken voor het wegverkeer. Dus leiden bijvoorbeeld alle voor mij logische fietsroutes naar Zuid-Friesland via Sloten.

‘In Sloten gaat Friesland op slot’.

Deze zomer had ik er daarom grote behoefte aan om andere landschappen te zien. Met glooiingen bijvoorbeeld. Of heuvels zelfs daarin. Dat betekende wel dat ik grotere afstanden aflegde dan ik gewoon ben te doen. Voor een keer kan dat alleen wel.

Was er toch ook een eenmalige ervaring die maar eenmalig blijven moest. Omdat de verrassing zo’n belangrijk deel uitmaakte van dat moment.

Na de langeafstandfietsroute (LF) langs de Vecht gevolgd te hebben vanaf Ommen, moest ik bij Zwolle nog éen keer over die rivier. Bleek daar een voetveer te zijn, in plaats van de verwachte brug. En dat handbediende pontje nu net daar had ik niet verwacht — want het fietspad werd rommelig, waardoor het veeleer leek of ik verkeerd was gereden, en op particulier terrein was beland.
 


Afsluitdijk
Te fietsen | week 38

Is er iets nog typischer Nederlands dan op goede dag helemaal de Afsluitdijk affietsen?

Op fietsgebied hoogstens het NK tegenwind, lijkt me. Want ook buitenlanders nemen de Afsluitdijk.

Ik bewaarde alleen enkele slechte herinneringen aan die dijk. Al begint inmiddels ook door te dringen dat dit komt omdat ik indertijd zulke stukken niet kalmpjes in mijn eentje reed, maar jagend in een roedel jonge mannen.

Viel éen van beide Afsluitdijk-ritten een metgezel ook nog zo beroerd dat hij niet verder kon. Bloed kleurde zijn witte Peugeot shirtje langzaam rood. Alle plezier in het fietsen bij de anderen in éen keer verdwenen, want ineens waren er zorgen.

De hernieuwde kennismaking met de dijk, die eigenlijk een dam is, viel van de weeromstuit nogal mee onlangs. Overigens zonder dat er daardoor plannen rijpen om dat stuk nog eens te fietsen.

Volgens de boekjes meet de Afsluitdijk 32 kilometer, alleen is die dat niet. Het waterkerende gedeelte meet 30 km. En op de fiets voelde het allemaal nog korter. Waarschijnlijk omdat ik eenmaal in Friesland terug het gedeelte tussen de Lorentz-sluizen en de vaste wal niet meetelde.

Startend vanuit Den Oever viel me op dat Het Monument al gauw zichtbaar werd, en daarna duurde het ook niet lang voordat het voormalige werkeiland Breezanddijk opdoemde aan de kim; waarop voor het gevoel slechts even verderop de Afsluitdijk al zichtbaar de kromming naar rechts maakte, die naar het einde verwees.

Was het wel redelijk weer tijdens mijn oversteek, wat scheelt voor het zicht.

Bovendien had ik windje mee — zoals voorspeld was. Anders ook had de hele onderneming niet eens plaatsgehad.

Maar meest opvallend aan dat gedeelte van mijn fietsrit was: je weet wel op een kunstmatig smal stukje Nederland te rijden, alleen voelt dat niet zo. Zicht op de Waddenzee is er bijna nergens. Het fietspad is gewoon een vier meter breed niet bijzonder goed onderhouden pad zoals overal in Nederland te vinden. En tussen jou en het water van het IJsselmeer zit een vierbaans autosnelweg waar ze 130 rijden.

Het idee maakte de ervaring groter dan die was.


Centrale As | iv
Te fietsen | week 39

Zaterdag fietste ik zo’n anderhalf uur op een vierbaans autoweg. Want dat mocht voor een keertje. De weg gaat officieel namelijk pas op 7 oktober open. Maar de provincie en de betrokken gemeenten wilden voordien toch even aan alle omwonenden kunnen tonen hoe fraai alles er bij lag inmiddels .

Mij viel allereerst op dat er om deze weg, de Centrale As van Nijegaasterhoek naar Dokkum, nog heel wat werk te verrichten is. Door alle nadruk in de media op de afronding van het project wordt voor het gemak genegeerd dat ik als fietser nog geruime tijd overlast zal hebben van bouwwerkzaamheden. Het vijfde jaar op rij zal dat dan zijn.

Heel Burgum moet bijvoorbeeld nog overhoop, omdat de doorgaande weg voortaan langs het dorp loopt, en niet er dwars meer doorheen.

Is er daarmee wel een mogelijkheid bijgekomen om aan de andere kant te komen van het vermaledijde Prinses Margrietkanaal — het water dat Friesland zo principieel in tweeën deelt. De auto’s gaan voortaan onder een aquaduct door.

En ik geef toe vooral op de Centrale As te hebben willen fietsen om toch eens onder dat aquaduct te kunnen rijden. Want fietsen op een autoweg biedt verder niet veel. Dat is rijden in een volkomen prikkelarme omgeving. Expres saai gemaakt opdat die arme automobilistjes niet telkens van alles schrikken.

Ik dan weer had op weg naar Dokkum slechts enkele duizenden langzaam peddelende fietsers in te halen, die de meest onverwachte zwenkingen maakten, of soms domweg stil gingen staan, midden op de weg. Nederlanders wandelen op de fiets.

Het asfalt was fraai evenwel, en de bochten in het tracé zo wijd dat ze bijna niet opvallen. En er welde toch ook enige jaloezie op omdat zo’n ononderbroken route van 21 kilometer duidelijk maakte hoe zeer fietsers als derderangs weggebruikers worden beschouwd. Die hebben overal maar voor alles te stoppen, die krijgen wel altijd volkomen haakse bochten voorgezet, of erger.


Oktober
Te fietsen | week 40

De wegen door de bossen dreigen alweer onbegaanbaar te worden voor even. De eerste bladeren vallen. Combineer dat met een regenbui af en toe, en menig recreatief fietspad krijgt plekken die glad zijn als snot van de bladrot.

Is er deze weken bovendien steeds een half uur minder daglicht dan een week eerder. De zon gaat vanavond onder om even na zevenen.

Oktober is ook de maand dat de zomertijd ophoudt, natuurlijk.

Toch, zolang de temperatuur nog met twee cijfers geschreven kan worden, klaag ik niet. En op slecht weer kun je je kleden.

Al miste ik de harde wind geen tel vorige maand.

September 2016 was om het stabiele weer en de vele zon verreweg de beste fietsmaand dit jaar. En dan kan ik nu optimistisch doen, en daaraan toevoegen: tot nu toe. Alleen lijkt het me onwaarschijnlijk dat het laatste kwartaal nog beter doet.

Alleen al de vanzelfsprekendheid die er nog even was om in korte broek buiten te zijn, of geen benauwde schoenen aan te hoeven maar sandalen te dragen, en dat allemaal zonder die overdreven zomerhitte, maakte september erg fijn.

De nieuwe vanzelfsprekendheid wordt voorlopig weer dat ik regenspullen mee neem, licht op de fiets moet hebben, en spatborden. En dat ik niet vergeten moest om een hoofdlampje mee te nemen, om mijzelf bij te kunnen lichten als er pech onderweg is in het donker. Bij die dubbele pech…

Alleen al aan verplichte bagage moest er vanaf oktober zo veel meer mee op de fiets.


Zadeldekje
Te fietsen | week 40

Niets dan lof voor de lederen zadels op mijn fietsen. Punt blijft alleen wel dat ze niet heel goed tegen de regen schijnen te kunnen.

Een drup of wat maakt nog niet uit. Mijn Brooks’ zadels zijn allemaal ingevet met Proofide; het middel dat de fabrikant heeft voorgeschreven. Daar blijft het leer soepel van, en de zalf heeft ook een licht waterafstotend effect.

Zadels van fietsen die een tijd niet gebruikt zijn, slaan overigens weleens wit uit door de natuurlijke bestanddelen in die Proofide.

Komt de herfst evenwel met zijn regen, dan brengt die de plicht om altijd een zadeldekje mee te nemen. Voor als ik mijn fiets ergens een tijdje stallen moet, opdat het zadel dan niet dweildoornat raakt van de regen.

Want te natte leren zadels zakken namelijk door. Zo wil het verhaal.

De internetten staan vol met klachten van mensen die in hun ogen te veel geld betaalden voor een Brooks, daar dan in de regen mee reden op hun fiets zonder spatborden, zodat het zadel van onderen nat werd. En die daarmee hun zadel dan in éen keer zouden hebben verwoest.

Helemaal geloof ik deze lieden dan zelden — te vaak waren er al andere klachten over het zadel en andere verontwaardiging. Alleen kan men nooit weten. Zelfs al staan mijn fietsen zelden zo lang buiten dat de zadels doorweekt zouden kunnen raken van de regen.

De beste zadeldekjes schijnen de douchemutsen te zijn die hotels hun gasten aanbieden; zodat deze kunnen douchen zonder dat hun haar nat wordt. Zelfs al bestaat de voornaamste kwaliteit van deze mutsen eruit dat ze gratis mee kunnen worden gejat.

Ik ben niet iemand die ooit iets meeneemt uit hotelkamers. Maar ik red me verder wel. Ook hiermee.


Voorrem
Te fietsen | week 40

Elke vouwfiets is een rijdende verzameling aan compromissen. En aan de mijne heb ik opnieuw een net niet ideale oplossing toegevoegd.

De voorrem die met mijn exemplaar meekwam is eindelijk gemonteerd.

Ik wilde daar nooit aan, om meerdere redenen. Maar vooral omdat ik meende dat een terugtraprem wel goed genoeg was voor een fiets met éen versnelling. Die meestal op korte ritjes door een stad gebruikt werd bovendien.

Was er nog het esthetische aspect, dat een fiets zonder wapperende kabels er strakker uitziet dan eentje met.

Of dat het vouwen heel wat ingewikkelder gaat, of in elk geval ineens minder intuïtief is, dan wanneer er geen rekening gehouden hoeft te worden met zo’n remkabel.

Kwam daar tenslotte nog als onhandigheid bij dat ik een ossenkopstuurtje op de fiets gemonteerd had, met een doorsnede van 23,8 mm — zoals de oude maat van een racestuur was — en daar niet makkelijk remhandels voor te vinden waren. Op wat crosshandels na dan.

Alleen vond ik een extra rem uiteindelijk toch nodig omdat ik nogal snel blijk te fietsen op mijn vouwer. En boven de 25 km/u is een terugtraprem onhandig. Die grijpt domweg altijd net te laat aan. Ook al omdat je als fietser een voorwaartse beenbeweging ineens moet omdraaien naar een achterwaartse.

Zijn mijn reflexen bovendien afgesteld op het gebruik van velgremmen — en dus op het knijpen met mijn handen.

Stadsverkeer, en al helemaal dat in de grootstad, leverde kortom weleens te veel stress op. Onnodige drukte.

Woog ook nog mee dat mijn vouwfiets zelden helemaal klein gevouwen hoeft te worden. Dat het dus niet zo veel uitmaakt dat ik voortaan moet nadenken bij het vouwen; of dat dit vouwen nu structureel veel onhandiger gaat.

Ik moet het voorwiel nu eerst helemaal omdraaien — en dat gaat slechts éen kant op.


Parallelle wereld
Te fietsen | week 41

Het duurde even voor me opviel dat ik in een wereld rondfietste zonder enig ander mens op straat. Zelfs op de wegen reed er geen enkele auto. Elke kruising was zonder uit te kijken over te steken. Al keek ik dan natuurlijk wel.

Toegegeven, ik fietste door éen van de dunst bevolkte streken in Nederland, buiten het seizoen. Toen daar een paar jaar terug aan het einde van de zomer een noodweer overheen trok, met valwinden en al, was er relatief weinig schade juist vanwege de schaarse bewoning.

Zaterdag was het, eind van de middag. Met niet heel erg mooi weer. Maar het regende niet altijd. Er stond amper wind. En op de weg langs en door de bossen die ik volgde, had anders toch menig grijs stel op e-bikes gefietst.

Nu staan er in Nederland overal huizen. Zelfs in de dunst bevolkte streken. In die huizen stond ook weleens een televisie aan, zo kon ik dan in het voorbij zien. Alleen was er nog altijd geen mens op straat.

Na twintig kilometer was dit een beetje creepy. Na een uur vond ik het lachwekkend worden. En in totaal duurde het zelfs een kleine vijftig kilometer voor ik weer gewoon mensen buiten zag. Zij stonden heel normaal bij een bushalte te wachten. Prompt ook maakten de onvermijdelijke auto’s hun aanwezigheid weer zo opdringerig kenbaar. Een banvloek leek te zijn opgeheven. Mijn tijdelijke isolement weer doorbroken. Alle fantasietjes over het rondrijden in een postapocalyptische wereld waren eenmaal buiten het bos dicht bij huis meteen onzin geworden.

En toch…

Normaal was het dus niet, wat ik meemaakte. Wat veel zegt over wat als normaal aanvoelt hier.


Suikerzoet
Te fietsen | week 41

Er was een tijd dat een lange fietsrit het excuus was om te proeven hoe de koffie met appeltaart smaakte ergens ver weg. Die dagen zijn ondertussen voorbij. Zoet onderweg smaakt me niet meer. En ik heb geen helder idee waarom dat zo zou zijn.

Weliswaar is mijn favoriete sportdrank in de zomer nog altijd sterk aangelengde appelsap met wat zout erin. Niet een drankje dat ik thuis ooit drinken zou. Maar onderweg smaakt dit wonderbaarlijk goed.

Drink ik ondertussen op de fiets altijd nog aanzienlijk meer water.

Dus geloof ik niet direct dat het de verdunde appelsap zou zijn waardoor ik verder geen uitgesproken zoetheid meer blief.

Zout is overigens al evenmin een pre meer. De afgelopen jaren nam ik nog weleens een stuk worst mee voor onderweg, of ging er nogal hartig beleg mee op het brood. Maar zout maakt dorstig. En van te veel drinken gaat je maag zo klotsen. Bovendien dwingt een grote dorst weer tot het aanvullen van voorraden onderweg.

Evenwicht is derhalve gevraagd in de keuze aan proviand voor een dag weg op de fiets. Subtiel evenwicht. Want de balans is zo precair.

Enige zekerheid is nog dat als ik meer dan vijf, zes uur weg blijf, er iets mee moet waar koolzuurgas in zit. Om me na een tijd te helpen even een boertje te laten. Dat verruimt dan. Als ik lang fiets, dan wreekt zich toch dat ik al die tijd in een wat vreemde houding zit. Te ineengedoken. Ligfietsers noemen de rijwielen met een normaal ruitvormig frame daarom gauw eens bukfiets.

Probeerde ik deze zomer eens om die behoefte aan koolzuurgas met een blikje cola te lessen. Dat lukte éen keer, en een tweede keer slechts half. Want ook dat bleek veel te zoet. Was zo’n blikje met 33 cc inhoud er veel te veel.


Verzameling
Te fietsen | week 41

De humorist en acteur Robin Williams [1951 — 2014] hield van fietsen, en verzamelde fietsen. Alleen ging hij dood, hij deed zichzelf tekort, en daarop verdween ook het leven uit die fietscollectie. Een deel van zijn verzameling wordt nu geveild.

Mede omdat de veilingopbrengst naar het goede doel gaat, zijn er geen opvallende koopjes onder de ruim tachtig kavels.

Het veilinghuis biedt niet meer informatie over de fietsen dan de strikt technische gegevens, zoals met welke onderdelen ze zijn opgebouwd, aangevuld met wat achtergronden over de maker.

Wat Williams van zo’n fiets had gevonden, staat er nooit bij. Laat staan waarom die tot de verzameling ging behoren.

En dus wordt de som van deze verzameling nooit groter dan de delen zijn; ook al omdat er geen lijn in de aard van de fietsen zit. Dit kocht iemand met genoeg geld, en voldoende opslagruimte, dus aan fietsen sinds het midden van de jaren negentig.

Schijnt Williams ook weleens een Trek gekregen te hebben van Lance Armstrong, toen die nog een Amerikaanse superheld was.

Zoals eigenlijk altijd bij andermans verzamelingen werd ik geen enkele keer hebberig bij het bekijken van de kavels. Terwijl sommige fietsen objectief gezien mij normaal toch hebberig hadden horen te maken. Had iemand éen zo’n bijzondere fiets gehad, bijvoorbeeld.

Deels komt dat dan nu omdat mijn voorkeur uitgaat naar de esthetiek van net wat oudere fietsen; zoals gemaakt werden eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Deels woog vreemd genoeg daarbij ook praktisch inzicht mee. Een fiets waarop nooit gereden wordt, is een dood ding. Maar rijden doet slijten. En dan is het puur onhandig om zeg een Dura Ace-cassette van rond de eeuwwisseling ooit nog eens te moeten vervangen. Die worden niet meer gemaakt. Dus om er mee te rijden zou je zo’n fiets eigenlijk al moeten voorzien van onderdelen die wel mogen slijten. Waarop zo’n fiets weliswaar meer eigen wordt, maar niet meer des Robin Williams’ is.

Dat Williams van fietsen hield, wist ik ergens nog wel, maar is altijd een los feitje gebleven, wat nooit een helder verhaal zou worden. Deze veiling maakt ook zo treurig omdat het echte verhaal nog altijd niet verteld is.

Een samenraapsel aan deels relatief dure spullen van een dode man staat er te koop.


Projectie
Te fietsen | week 42

Weinig is er vreselijker dan op een drukke zaterdag door een halfbekende stad te rijden — waar je wel weet hoe je erin en er weer uit komt, maar de verkeersstromen net niet helemaal kent. Waardoor er onverwachte zijwegen zijn, met verkeer van rechts dat dan plots voorrang eist.

Nu ja, erger nog is op een regenachtige zaterdagmiddag door zo’n stad te rijden, en telkens te moeten remmen met velgremmen die moeite hebben om meteen aan te grijpen op de natte velgen.

Ik kan dus op de fiets nogal bezig zijn met het ontwijken van zulke hindernisparcoursen. Wat dan gebeurt door me kilometers van tevoren al af te vragen welke mogelijkheden ik ken om om zo’n stad heen te rijden.

Anders dan voor auto’s ligt er voor fietsers in Nederland zelden een rondweg klaar.

En dat nadenken over de te volgen route neemt nogal wat hersencapaciteit, blijkbaar. Misschien omdat ik daarbij de mogelijkheden visualiseer. Want het overkomt me nogal eens dat ik na het nadenken domweg even niet meer precies weet waar ik dat moment rijd.

Dan heb ik mijzelf blijkbaar al zo ver vooruit geprojecteerd dat de weg daar naartoe er even niet meer toe deed.

Dan kost het een paar merkwaardig lange seconden om te beredeneren waar ik nu eigenlijk ben.

Op korte afstand van huis beredeneren wat ik zo thuis ga eten, of beter nog: drinken, levert nooit zo’n probleem op. De momenten van desoriëntatie treedt alleen op als ik moet nadenken over de te volgen route — en deze dus ook al kennen kan.


Rust
Te fietsen | week 43

Even leek het er op of ik liefst 5.000 kilometer fietsen zou in drie maanden tijd. Maar ineens verdween de lust om uren onderweg te zijn, en toen kelderde het daggemiddelde al snel naar een veel bescheidener waarde.

Er is niet zo veel nodig om even geen zin meer in dat fietsen te hebben.

Een paar uur in de miezerregen, waar je schoenen nog vier dagen nat van blijven.

Eén ritje waarbij de temperatuur buiten niet klopte met de ervaren temperatuur, waardoor ik geen winterjack had aangetrokken en net te koud was om me behaaglijk te voelen. Ook handschoenen misten toen node.

Of het simpele besef dat de avond geen tijd meer biedt om nog even een rondje te fietsen. Tenzij ik daarbij de hele tijd met licht op wil rijden. Moest er ook nog een hoofdlampje mee voor het geval dat ik pech kreeg onderweg; wat ook al niet helpt om er even spontaan op uit te gaan.

Is het alleen niet zo dat ik door minder te fietsen ineens veel meer uren heb in een dag. Even wat boodschappen doen, breekt een doorsnee werkdag in het thuiskantoor altijd in stukken. Of ik daarbij dan even een uurtje fiets, of dat ik slechts rechtstreeks naar de winkels rijd. Daarna weer de juiste concentratie vinden om verder te gaan met mijn bezigheden gebeurt nooit vanzelf.

Is het al evenmin zo dat ik me nu uitgeruster voel dan tijdens de volle fietsmaanden. Of dat ik nu gretiger ben om te gaan fietsen als daar even wat vrije uren voor beschikbaar zijn.

Integendeel.


Oud staal
Te fietsen | week 43

Toen ik mijn Raleigh Triathlon kocht vorig jaar zomer, vierdehands, moest daartoe wel een mentale drempel overwonnen worden. De verkoper wilde er meer dan € 100 voor hebben. Niet heel veel meer weliswaar. Maar toch, de oude fietsjes die ik tot dan gekocht had, waren allemaal een stuk goedkoper geweest.

De echte kosten zaten ook altijd in het vervangen van de onderdelen die een fiets prettig te berijden maken — het zadel, de remhandels, de banden, de ketting, de cassette van de versnellingen, en de kabeltjeboel.

En als ik per se dual pivot remmen wilde, in plaats van de ouderwetse remmen met éen draaipunt te houden, moest de begroting meteen een stuk ruimer worden opgesteld.

Alleen bleek de Raleigh daarop een fiets te zijn met éen grote verborgen kwaliteit. Ik word er domweg niet moe op. Iets aan de geometrie en de stijfheid van het frame is precies goed voor mij.

Stond deze Raleigh indertijd wel in de folders als een fiets voor mensen die niet fietsen kunnen. Triatleten met al wel fietservaring werd in dezelfde brochure zelfs met nadruk geadviseerd om uit de andere modellen te kiezen.

Door de merkwaardig goede rijeigenschappen lukt het me inmiddels ook om éen fout te accepteren. Ik kocht de Raleigh om vier redenen: de fiets heeft een lichtgewicht Reynolds 531 stalen frame; de wielbasis is langer dan van de doorsnee racefiets, wat comfortabeler is; er kunnen relatief brede banden onder; en er zitten oogjes aan de vorken om eenvoudig spatborden te kunnen monteren.

Dat is een zeldzame combinatie aan eigenschappen.

Bleek het alleen onmogelijk om spatborden te combineren met redelijk brede banden, zonder dat de boel ging aanlopen. En een fiets met smalle banden en spatborden had ik nu net al in mijn stal. Daar reed ik ’s winters iets te vaak op lek; wat dan altijd zo’n modderige smeerboel geeft.

[ wordt vervolgd]


Oud staal 2
Te fietsen | week 43

Elk oud fietsje komt met een keuze. Houd ik alles zo veel mogelijk origineel? Of is het beter de fiets aan te passen aan de eigen wensen, en de huidige stand van de techniek?

Al moet ik daarbij tegelijk opmerken eigenlijk nooit voor dit dilemma te hebben gestaan.

Ik kocht dan ook nooit unica; fietsen uit beperkte series; of exemplaren met een bewijsbaar roemrucht verleden; dat dan allemaal bewaard hoorde te blijven.

Al evenmin zijn oude Italiaanse fietsjes voor mij heel begerenswaardig. De frames daarvan zijn me bijna altijd te klein — dus daar op rijden lukt al niet. En als zo’n frame heel toevallig nog net wel mijn maat bezit, dan heeft de bouwer zich vaak aan de absurde UCI-regel gehouden van vroeger dat geen wedstrijdfiets een grotere wielbasis mocht hebben dan 100 cm. Daardoor ziet zelfs zo’n klassieke fiets er domweg absurd gedrongen uit.

Dat stalen Italiaanse frames ook weleens wat te flexibel voor mij zouden kunnen zijn, weet ik alleen van horen zeggen. Maar, inderdaad, ik ben geen pluisgewicht.

Neemt niet weg dat ik wel met regelmaat Instragram accounts bekijk als dat van Steel Vintage Bikes uit Berlijn. Eén van de bedrijven die oud staal rustig voor vele malen de oorspronkelijke prijs verkoopt van decennia terug. Een antiek Italiaantje van € 2.500 is daar nog niets.

Er zit dus behoorlijk handel in authenticiteit. Voor sommigen.

Deze mode is ook aangewakkerd doordat er al enige jaren overal commerciële evenementen worden georganiseerd, onder de naam Eroica, waaraan je niet eens deelnemen mag met een fiets van na 1987. Niet weinigen doen dan veel moeite om de juiste onderdelen voor zo’n oud fietsje te scoren. En dat weer drijft de prijzen op van bijvoorbeeld van alles dat de naam Campagnolo draagt.

Ik kijk daar wat verbaasd naar.

Van mijn bejaarde Raleigh Triathlon zagen de spaken er na inmiddels dertig jaar niet zo fraai meer uit. Verzinkt staal wordt dof, anders dan het duurdere roestvaststaal. En ook leken de zes versnellingen achter me wat weinig. Alleen fietste deze fiets na de eerste onderhoudsbeurt al makkelijker dan alle anderen in mijn bezit. Ik miste er niets aan. Dus bleef vrijwel alles zoals het was bij aankoop; op een ander zadel na, betere pedalen, en nieuwe banden.

[ wordt vervolgd ]


Oud staal 3
Te fietsen | week 43

Er is een nogal fundamentele regel die ik ontdekte door het prutsen aan oude fietsjes. En deze wet luidt:

de fiets bepaalt hoe die gebruikt zal worden. Niet jij.

Kun je vooraf nog zulke duidelijke ideeën hebben.

Mijn Raleigh Triathlon kwam er bijvoorbeeld ondanks de vele fietsen al in mijn bezit.

Anderhalf jaar voordien had ik een blauwe Gazelle Sprinter Race gekocht voor bijna niets. En aan die fiets bevielen me de wat luie geometrie en de lange wielbasis zeer. Ik rijd daar zeer ontspannen op.

Alleen had ik die Sprinter Race al direct omgebouwd tot een Clubman — een winterfiets met naafdynamo en een versnellingsnaaf, voor die zeven maanden van het jaar dat de wegen er telkens nat bij liggen.

En ik hield spijt dat ik een goede fiets, waarvan de goede rijeigenschappen vooral na honderd kilometer duidelijk worden, zo veel zwaarder had gemaakt dan die had hoeven zijn.

Maar van deze fiets opnieuw een fiets maken met derailleurversnellingen had betekend dat de relatief grote investering in een naafversnelling voor niets was geweest.

Reed ik in 2016 toevallig wel de langste rit van het jaar op de Gazelle Sprinter Race. Het was namelijk buiig, er dreigde zelfs onweer, dus waren spatborden verplicht. Net als dat de lange dag onderweg verlichting noodzakelijk maakte. Waarmee het ineens handig werd dat er een kilo aan ringslot vastzit op die fiets; want dan kon ik onderweg nog eens zonder kopzorgen een supermarkt in ter bevoorrading.

En uiteindelijk bepaalt het weer nog het meest over hoe hard je fietst, en hoeveel inspanning dat kost.

Grootste verschil tussen de Raleigh Traithlon en Gazelle Sprinter Race zit gevoelsmatig ook niet in het soort aandrijving. Dat zit hem puur in het gewicht. Want op lichte fietsjes ben je steeds net iets vlugger op snelheid; kost het aanzetten na een bocht minder moeite; lijkt kortom alles vanzelf wat makkelijker te gaan. En dat weegt door na een paar honderd bochten — die voor fietsers zo vaak haakse bochten zijn.

Bleek alleen, door het probleem dat brede banden én spatborden er niet op samengaan, de Raleigh Triathlon geen fiets te zijn om het hele jaar door te gebruiken.

[ wordt vervolgd ]


Oud staal 4
Te fietsen | week 43

De oude fietsjes in mijn bezit dateren bijna allemaal van rond 1980. Enige uitzondering vormt de Raleigh Triathlon, want die is amper dertig jaar oud.

Er veranderde sindsdien veel in de fietstechnologie. Tegelijk geldt daar bij dat veranderingen niet altijd grote verbeteringen hoeven in te houden. Winst op die ene factor, betekent vaak verlies op andere.

Vlotte fietsjes, om snel op te rijden, volgden bijvoorbeeld bijna allemaal de trends uit de professionele wielersport naar lichter en stijver. Staal, het aloude materiaal om frames van te maken, verdween daardoor lang zelfs geheel uit het aanbod.

Wielen kregen hogere velgen, van carbon zelfs op een gegeven moment, en telden almaar minder spaken. Dit maakte zulke racewielen lichter, stijver, én aerodynamischer.

Alleen staan daardoor de 16, door de UCI verplichte, overgebleven spaken onder een enorme spanning. Als zo éen knapt, kan zo’n fiets misschien al niet eens meer verder rijden, omdat er dan gauw een te grote slinger komt in het beschadigde wiel. Helpt ook al niet mee dat er nauwelijks manoeuvreerruimte is bij de remmen. ‘Ouderwetse’ wielen, met 36 of 32 dunne ronde stalen spaken, waren lang zo kwetsbaar niet.

Sterker nog, voor wie geen wedstrijden rijdt, noch op zondagochtend met zijn maten wielerploegje speelt, zijn die ouderwetse wielen eigenlijk wel zo comfortabel. Die 32 of 36 dunnen stalen spaakjes veren namelijk ook een beetje door. Die helpen mee om de trillingen te dempen die elk wegdek voortdurend veroorzaakt.

Net als brede banden dit doen.

Of het frame van de fiets. Als dat van staal is, of sommig carbon. Aluminium fietsframes zijn in deze onbarmhartig hard en stijf. Willen die comfortabel rijden, over een langere afstand, dan moet die stijfheid ergens gecompenseerd worden. Met een slappe voorvork bijvoorbeeld. Of met verende wielen.

Het fietscomfort van brede banden én wielen met 36 spaken was voor mij vorig jaar reden om vast te willen houden aan banden van tenminste 28 mm breed voor de Raleigh Traithlon.

Verder woog nogal mee dat ik op mijn enige fiets met 25 mm banden het vaakst lek rijdt — opvallend genoeg gauw eens door stootlekken. Niet alle wegen in de omgeving liggen er even vlak bij. En door alle bouwwerkzaamheden in de regio stuitte ik bovendien te vaak op losse stenen op mijn pad.

[ wordt vast nog weleens vervolgd ]


November
Te fietsen | week 44

Dat het ineens extra vroeg donker wordt als het november is, vergt altijd weer gewenning. Maar dat dit jaargetijde ook zo vaak gepaard gaat met nevel went waarschijnlijk nooit.

Niet alleen maakt alle vocht in de lucht het dan ineens een stuk kouder, voor het gevoel. Het vrije zicht lijdt er ook zo vervelend onder.

Ben ik als fietser bovendien om twee redenen gehandicapt. Tegemoetkomende auto’s zijn in het donker al nooit een plezier. In de mist voeren deze nog meer aan verblindend licht. Zeldzaam is de koplamp die goed staat afgesteld.

Komt daar bij dat ik, als het mist, gauw eens moet kiezen of ik mijn bril op houd, of niet.

Want druppels op de brillenglazen breken het licht van de tegemoetkomende koplampen nog eens extra; wat me daarmee nog sterker verblind. Alleen heb ik wel mijn hele gezichtsvermogen nodig om veilig op de weg te blijven als de grondmist laag hangen blijft.

Opvallend genoeg lijken al mijn zintuigen scherper te worden in deze situatie. De wereld is domweg te klein geworden om er geen direct gevaar in te vermoeden. Wat een fietsrit door de mist ook al tot een avontuur maakt. Niet omdat er dan iets bijzonders gebeurde. De omstandigheden zijn er alleen naar dat er elk moment iets gebeuren kan. Want daar stelt mijn lichaam zich op in.

Daarop is het altijd vreemd om je woonplaats binnen te rijden. Waar iedereen dan net doet alsof het enkel het begin is van een doordeweekse avond. Een merkwaardige anticlimax. Die kalmte.


Derailleuroog
Te fietsen | week 44

Nogal wat onderhoud aan een fiets is te doen met normaal gereedschap. Zo heb ik nog altijd geen pedaalsleutel. Want een standaard sleutel 15 volstond tot nu toe bijna altijd om pedalen los te krijgen, of vast te zetten. Op die ene keer na dan dat ik toch een extra lange hefboom nodig had bij een vastgerot pedaal, en die toen improviseerde met een stalen liniaal.

Toch merk ik bij mezelf dit jaar ineens de neiging op om liever dat gespecialiseerde gereedschap te kopen — ondanks dat er vaak vast ook een oplossing te improviseren was geweest.

Geldt wel, naast dat je geld uitspaart, heeft het leren om te improviseren grote waarde. De kennis opgedaan verruimt je mogelijkheden om toch verder te kunnen rijden bij pech onderweg. En dat blijft een nuttige vaardigheid. Zelfs in deze tijden van smartphones waarmee altijd hulp in te roepen is.

Maar gereedschap dat precies voor zijn taak ontworpen werd, werkt zo prettig, zo is me ondertussen gebleken. Het werk dat er mee gebeuren moet, wordt er bevattelijker door. De taken daarmee des te kleiner.

Dus kocht ik onder meer een richter, om te controleren of de derailleurogen van enkele fietsen nog wel goed stonden.

Zo’n derailleuroog hoort precies parallel te zijn aan de as van het wiel — en daarmee dus perfect haaks op de velg van het wiel te staan. Als dit niet zo is, kan het zijn dat de achterderailleur niet goed meer schakelt.

Dus omgekeerd, als het schakelen niet goed meer gaat, en de kabelspanning van de derailleur is in orde, dan loont het gauw om te kijken of alles nog perfect uitlijnt.

En ja, ik weet dat je ook de as van je voorwiel in het -oog of de derailleurpad kunt schroeven, om te kijken of beide wielen dan parallel aan elkaar staan. Alleen is dat nu net zo’n oplossing voor onderweg; voor als een fiets ongelukkig viel, of verfrommeld uit het vliegtuig kwam, en je vlug een reparatie improviseren moest.

Zo’n richter meet niet alleen of er een afwijking is. De hefboom van het ding maakt het ook wel heel makkelijk de eventuele fout direct te corrigeren.

Viel me alleen wel op dat oud staal nogal vlotjes buigt.


Borgmoersleutel
Te fietsen | week 44

Vrijwel al mijn fietsen hebben heel traditionele, inmiddels ouderwets geworden trapassen. Met zo’n losse as, en met kogellagers waarvan de kogels stuk voor stuk te vervangen zijn. Maar die werken verder goed. De meeste innovatie die sinds 1980 aan trapassen is verricht, biedt voor mij niet per se verbeteringen. Stijver hoeft niet van mij, want ik fiets op souplesse, en van lichtere constructies is me al evenmin het voordeel duidelijk.

Hoogstens is nog te discussiëren over de vraag of hedendaagse trapassen met afgesloten kogellagers niet onderhoudsvriendelijker zijn. Want, dat oude systeem van mijn fietsen weert het water van buiten veel minder goed. En eenmaal er vocht in zo’n bracketpot kan komen, begint de slijtage. Helemaal als het winters vocht is, met zout erin.

Nu fiets ook ik weleens in de regen, ondanks de voorspellingen van Buienradar, vanwege ons zeeklimaat. Alleen wordt mijn fiets thuis vervolgens altijd in een droge ruimte opgeborgen. Ook komt het eigenlijk nooit voor dat er eentje lang buiten in de regen staat.

En het lijkt me dat er daarmee al twee oorzaken zijn weggenomen om vochtproblemen in dat bracket te krijgen.

Bij de grote beurt in het voorjaar hoefde ik tot nu toe nooit wat te doen aan de trapas van een fiets. Hoogstens ging er dan weer even wat vers kogellagervet in.

Heb ik ondertussen wel een Tacx borgmoersleutel gekocht, om makkelijker aan die trapassen te kunnen werken, voor die ene keer per jaar. Het lukte ook om zo’n borgmoer te verwijderen met een haaksleutel. Alleen gleed die wel heel makkelijk weg — en da’s nooit prettig bij gereedschap wat enige kracht vereist bij het gebruik.

Die Tacx heeft nu net een kunststof tegenhouder om dat wegglijden te voorkomen.

Zit de opening in deze sleutel voor mijn gevoel wel vreemd gespiegeld ten opzichte van het gebruik. Alleen werkt het ding zo ook.


Navigare
Te fietsen | week 45

De prettigste route om te fietsen, is lang altijd niet de kortste route of de snelste route. En dat kon weleens de reden zijn waarom ik nog altijd geen los satellietnavigatietoestel bezit.

Want je kunt thuis wel een route plannen, als die door een voor jou onbekend gebied gaat, blijft het raden of daar een beetje aardigheid aan te beleven is. Complicerende factoren zijn bijvoorbeeld dat lang niet alle fietspaden door bossen iets te bieden hebben. En al evenmin zijn alle routes parallel aan de snelwegen per se heel saai.

Kaarten liegen bovendien. Imposant brede wegen op de kaart kunnen in werkelijkheid nogal tegenvallen.

Wat me dit jaar goed beviel, was om de routeplanner van de Fietsersbond een rondje te laten bedenken. Want het beginpunt van zo’n rit is bekend, en er zijn ook altijd wel éen of twee punten onderweg te verzinnen waar je naar toe zoudt willen gaan. Waarop die planner me altijd wel langs een pad of wat voerde dat ik nog niet kende; en dan eens ging bekijken.

Probleem voor elke fietser blijft evenwel dat nog altijd overal de auto prioriteit heeft. Fietsers moeten het doen met onoverzichtelijke kruisingen, de ene keer wel voorrang op een rotonde de andere keer niet, en nooit of te nimmer een volstrekt heldere verbinding van A naar B.

Daar voegt een geplande route al gauw extra verwarring aan toe.

Maar als ik onderweg mis rijd, is dat meestal omdat ik zelf de logica had moeten ontwaren in een volkomen onlogische situatie.

O, om vlot naar het zuiden te kunnen fietsen, had je dus juist eerst honderd meter door die nieuwbouwwijk naar het noorden moeten rijden, om dan via een links-recht combinatie en een verdekt fietspaadje bijna precies tegenover de brug uit te komen over dat anders onpasseerbare kanaal! Natuurlijk!

In zulke gevallen ben ik blij om navigatie-apps te hebben op mijn telefoon. Zodat ik bij het gevoeld verdwaald te zijn tenminste nog kan nagaan waar of ik ben. En vooral hoe die positie zich dan verhoudt tot de gewenste route.

Alleen weet ik inmiddels ook dat je minstens vier keer door een omgeving moet rijden om uit te vinden hoe daar het prettigst doorheen gefietst kan worden. Want bij een eerste keer kennismaking is alles domweg te nieuw. De tweede keer komt vaak met het misplaatste zelfvertrouwen dat je al weet hoe het zit. Waardoor er bij de derde keer pas echt inzicht komt over hoe de wegen en straten erbij liggen; al is die dan nog steeds gepaard aan onzekerheid.


Navigare 2
Te fietsen | week 45

Op den duur is er altijd een snelste weg om ergens te komen op de fiets. Vaak ook zal dit dan de kortste route zijn.

Grootste voordeel van de snelste weg is dat je grote delen daarvan op de automatische piloot kunt rijden. Aan het einde van een lange rit, of juist aan het begin daarvan, wil het weleens helpen om een behoorlijke afstand af te leggen zonder daar al te veel gedachten bij te hebben.

Nadeel is dat je op een bekende route ook te goed kunt weten wat er komt. De moeilijke of vervelende stukken. Dat veel te hobbelige klinkerstraatje hier. Het onoverzichtelijke kruispunt daar. Een brug die ’s zomers bij aankomst altijd open staat. Zo’n barrière kan namelijk ook een barrière worden in je hoofd.

Al vanaf dat ik mijn Batavus Sprint kocht, als veertienjarige, had ik bijvoorbeeld een hekel aan het fietspad langs de N381 tussen Donkerbroek en Oosterwolde. En beredeneren waarom lukt me niet goed. Er lopen wel meer fietspaden of ventwegen parallel aan een drukke autoweg. Even pal daar op.

Was het omdat dit fietspad de snelste weg was de provincie uit, en daarmee de verplichting kwam om die route te nemen?

Sinds dit jaar heeft die N381 evenwel een nieuw traject. Maar dat fietspad is gebleven waar het lag. En ineens viel me op dat het stuk tussen Donkerbroek en de eerste afslag naar Oosterwolde amper drie kilometer lang is. Een eindje van niets. Helemaal omdat het in gedachten, vanwege mijn weerzin, werkelijk kilometers langer was.

Van de weeromstuit heb ik dat fietspad waarschijnlijk nooit vaker gereden dan juist dit jaar.

Dus zit er vast een les in deze minigeschiedenis. Een optimistisch zelfhulpconclusie waar iedereen zijn voordeel mee doen kan.

Punt blijft alleen dat er een enorme inspanning van buitenaf nodig was — dat infrastructurele project van talloos veel miljoenen — om me de dwalingen in te laten zien mijner wegen. Hopen dat hetzelfde positieve effect zich vaker voor doet, is daarmee als het hopen op een wonder.


Ninja’s
Te fietsen | week 45

Opvallend is, elk jaar weer, in de eerste weken na het ingaan van de wintertijd, hoeveel scholieren geen licht hebben op hun fiets.

Rijden ze in groepen, zoals ’s ochtend vroeg voor schooltijd, dan maakt dat euvel niet eens zo veel uit. Dan worden de lamplozen tenminste nog omringd door fietsers die wel het licht hebben gezien.

Nee, eind van de middag pas, begin van de avond, als ze in hun donkere eentje huiswaarts keren, dan loert het gevaar.

Zelden kan ik mijn sarcasme verbergen, als er weer plots zo’n duister obstakel opduikt; pas op het laatste moment gesignaleerd, ondanks mijn 80 lux koplamp. Terwijl mijn weerzin zich vanzelfsprekend op hun ouders zou moeten richten. Die staan het toe dat hun kroost zichzelf in gevaar brengt en anderen schrik aanjaagt.

Merk wel op dat ik nog geen goed woord heb gevonden voor de lichtloze fietser die onverwacht in het donker opdoemt. Een korte term die mijn sarcasme perfect zou vatten. ‘Spookrijder’ wordt als woord al voor een ander type weggebruiker benut. ‘Blindganger’ heeft al een militaire betekenis.

In de Amerikaanse strip Yehuda Moon worden fietsers zonder licht ninja’s genoemd; naar de in het zwart geklede Japanse krijgers die met ware doodsverachting hun aanslagen pleegden. En dat woord werkt voor mij al evenmin. Er schermt mij te veel Spaans door het Japans; ook al verschilt de uitspraak net wat. Niña is meisje. Neña is daarvan het meervoud weer. Die woorden zijn me te lievig. Zelfs al is La Niña ook een meteorologisch fenomeen met gevolgen.

Ninja is een te grappig ironisch woord voor een verschijnsel dat zo veel humor niet heeft.


Kou
Te fietsen | week 46

Zaterdagochtend zag mij al vroeg buiten. Donker was het nog. Al kwam de zon binnen het uur op — de rozevingerige dageraad brak zelfs veel eerder aan dan ik verwacht had, omdat het zo helder was.

Met het aarzelende licht dat de ochtend bracht, veranderde nog iets. De velden lagen er van het ene moment op het andere wit bij van de rijp. En prompt ook leek het kouder te zijn geworden.

Nog kouder.

De luchtvochtigheid was hoog, tot 97% zag ik later. En zo veel vocht in de lucht is onprettig als de temperatuur tot rond het vriespunt daalt. Koudere omstandigheden dan deze ken ik niet. Want vreemd genoeg voelt het in Nederland minder koud aan als het stevig vriest; dan is die snijdende kilte tenminste verdwenen; omdat zulke lucht minder water bevat.

Moest het natuurlijk niet onbarmhartig waaien.

Ondertussen zat ik niet ontevreden op mijn fiets. Er was een doel om buiten te zijn, zelfs al waren de omstandigheden er niet naar, en mijn kleding bood adequaat bescherming. Er zat zelfs nog leven in mijn voeten na een uur. Anders toch mijn kwetsbaarste plek bij het fietsen in de winter. Het had zin gehad om mijn schoenen groter te kopen, om daarin dan met gemak twee paar sokken te kunnen dragen.

Kies laagjes.

Eerste tegenslag was dat het water in mijn bidon al in drie kwartier in ijspap veranderde. Dus was er niets meer uit de drinkfles te krijgen, terwijl drinken moet.

Tweede probleem trad op toen ik afstapte om in de luwte van een bushokje dan maar wat uit mijn fietstas te halen. Waarbij mijn gezichtspieren te verstijfd bleken door de tegenwind om uit een blikje te kúnnen drinken. Zoals een verdoving van bij de tandarts ook nog lang de normale coördinatie beïnvloeden kan.

Goedkoopste oplossing om mijn gezicht beter tegen de weersomstandigheden te beschermen schijnt een volle baard te zijn. Die groeit vanzelf. Geheel kosteloos. Had ik alleen deze zomer al moeten ophouden om me te scheren.

Dus is het nu zoeken naar iets wat belemmert dat mijn bril de hele tijd beslaat van mijn warme adem — want dat het zin zou hebben om onder vergelijkbare omstandigheden een bivakmuts te dragen, is me wel duidelijk.


Troepje
Te fietsen | week 47

Nooit liggen de wegen er smeriger bij dan in november. Als de zon inmiddels zo ver weg staat dat een wegdek niet zo weer droog is eenmaal nat geworden van de regen. Zand ligt er dan op. Modder van de landbouwwerktuigen. Rottende bladertroep.

Drek van koeien bij de boerderijen waar ze nog niet permanent op stal zijn gezet.

Toegegeven, als oktober een natte herfstmaand is, anders dan dit jaar, begint de ellende al weken eerder.

Door het wonder dat luchtband heet, hobbel je dan als fietser doorgaans overal wel overheen. Spatborden op je fiets, liefst met een beetje lengte, en je merkt nauwelijks iets van de zooi. Tot alle opgeworpen troep zo’n dikke korst in dat spatbord heeft gevormd, dat er dan toch wat begint aan te lopen.

Hebben lange spatborden ook nog het nadeel makkelijk blaadjes van de weg op te lepelen, waarop ze gillend vast kunnen komen te zitten.

Maar elk jaar ben ik net te laat met het waxen van mijn winterfietsen. Terwijl de datum me toch bekend is. Ik kan zelfs al kalenders lezen.

Was op een fiets maakt dat alle troep net wat makkelijk weg te borstelen is, eenmaal droog. Daar kun je een verzorgingsproduct voor gebruiken dat eigenlijk voor auto’s is bedoeld. Alleen kan een meubelwas, zoals Pledge, die bescherming ook wel bieden.

En het kan zeker geen kwaad om een fiets helemaal schoon te soppen, voor de was wordt opgespoten. Kun je alle onderdelen nog eens goed bekijken, en zien of er nog iets vervangen worden moet. Ware het niet dat zo’n poetsbeurt domweg leuker was geweest in de zomer, of de nazomer. Toen het warmer was. En de fiets nog niet zo vies.


Zo dus
Te fietsen | week 47

Er kwam een auto aan rijden van rechts, en van een heel groot belang leek me dat niet. Ik fietste op een vier keer bredere voorrangsweg. En de auto remde al af.

Toen ineens stond ik dwars op de weg, einden naar links. Want in plaats van te stoppen, had die automobilist juist gas gegeven, om de voorrangsweg op te rijden en daar rechtsaf te slaan. Dwars door mij heen. Omdat ik daar al reed.

Het onvermijdelijke ongeluk vond alleen net niet plaats. Eén of andere oerreflex had mij nog net op tijd radicaal opzij gestuurd. Remmen deed ik pas daarop.

Meest idioot aan de gebeurtenis was nog wel dat er geen plotselinge adrenalineroes kwam, die me oneindig kwaad maakte op de automobilist en diens poging tot moord. Wat overheerste was enorme verbazing.

Ik reed toch op een voorrangsweg? Ik had toch een lamp op, overdag? Die chauffeur moest toch van een verhoginkje af? Wat nog eens benadrukte dat hij uit een uitrit kwam?

En tegelijk was er toch ook twijfel of niet juist ik verkeerd was geweest. Omdat de fout van die automobilist zo onbevattelijk groot leek.

De man zei vanuit de auto toen: ‘sorry, ik had je niet gezien.’ Het klonk beduusd, alsof hij om medelijden vroeg. Zijn motor draaide nog altijd, enkel het raampje in het portier was omlaag gegaan. Daarop reed hij heel langzaam weg.

En ik stond daar enkel nee te schudden. Hatelijke antwoorden vielen me pas later in. Veel later.

Alleen heb ik er nu dus wel een nachtmerrie bij, over idioten in het verkeer in hun twee ton wegende moordwapens. Zo, dus, zal er nog weleens een aanrijding volgen. Met aanzienlijk meer schade dan. Als ik voordien al niet dood gereden ben door een onbenul die zijn telefoon belangrijker vindt dan de verkeersveiligheid. Of door een klootzak die niet doorheeft hoe dronken hij is.

Door andermans zelfoverschatting.


Prestatiedruk
Te fietsen | week 47

Vijftig kilometer fietste ik zaterdag. Wat normaal niet de moeite waard zou zijn om te vermelden. Maar het is nu die andere helft van het jaar. De klok staat op wintertijd. En alle normaal ligt net even anders dan in de zomer.

’s Zomers fiets ik met regelmaal na het avondeten nog een rondje van vijf kwartier, anderhalf uur. Ter ontspanning. Om nog even buiten te spelen. Veertig kilometer is heel een normale afstand dan. En uitschieters naar meer komen voor. Ik heb ook weleens spontaan negentig kilometer gereden zo. Honderd.

Mag ik wel beweren dat het hebben van doel alle fietsen makkelijker maakt, logenstraffen die zomerse avondritjes zonder reden deze wetenschap direct.

De vijftig kilometer van afgelopen zaterdag waren aan de pittige kant. Het was te kil, de gevoelstemperatuur lag net boven nul, het regende af en toe flink, en het waaide met krachtige uitschieters.

Weliswaar zijn er nog beroerder weervarianten te bedenken. Alleen spreekt het daarbij dan al niet meer voor zich om te gaan fietsen. Zondag zou het bijvoorbeeld gaan stormen, dus moest zaterdag wel, wilde er gefietst worden in het weekend.

Alleen bracht dat zaterdagritje amper gratis kilometers — mijn aanduiding voor het vreemde gemak waarmee je als fietser ineens sneller rijden kunt dan normaal, of moeiteloos een afstand blijkt af kunnen leggen. Die vijftig lange kilometers toen toonden weer eens aan dat fietsen allereerst een geestelijke inspanning vergt, voor wie voldoende lichamelijk is getraind.

Terwijl ik nu net uit fietsen ging om nog even van die getraindheid te genieten; en nog even te voelen hoe het is om een lichaam te hebben dat moeiteloos presteert; voor dat achter de centrale verwarming verpietert in de winter, en opbolt door alle eten dat de feestmaand brengt.


Begrenzing
Te fietsen | week 48

De ene gemeente is in praktijk aanzienlijk guller met straatverlichting dan de andere — helemaal als het om lantaarns gaat in het buitengebied. In de donkere maanden kan daardoor ineens opvallen waar een gemeentegrens ligt. Terwijl dat normaal geen gegeven is dat me vreselijk boeit.

’s Zomers valt zo’n grens hoogstens op door een bordje laag in de berm, of als de kwaliteit van het asfalt plots verandert.

Maar vlakbij bijvoorbeeld ligt een fietspad van een kilometer of twee waar nogal wat schooljeugd gebruik van maakt in de ochtenden. En de ene helft is wel verlicht — daar staan zelfs opvallend veel lantaarns langs — terwijl de andere helft in de buurgemeente geheel in het donker moet worden afgelegd. Daar staat nog net éen straatlamp op de kruising aan het einde.

Nu schijnen zulke verschillen soms al lang geleden ontstaan te zijn. Rink van der Velde maakte er tenminste begin jaren zeventig al opmerkingen over in de satirische roman Feroaring fan lucht. Daarin wordt dan het nabijgelegen Drachten grootheidswaan verweten, omdat de straatlantaarns er nooit uit gaan ’s nachts.

Dat boek speelt zich deels af in Opsterland; wat een veel armere gemeente was.

Opsterland had bijvoorbeeld ook nooit geld om de vaarten te dempen in Gorredijk. Terwijl in Drachten indertijd alles dat ooit vaarweg was in geasfalteerde straat veranderd werd. De nieuwe God auto hoorde immers ongehinderd ruim baan te krijgen.

Veel later bleek dat Gorredijk een permanente attractie had door dat water, die toeristen blijft lokken. Waarop Drachten voor veel geld éen vaart naar het centrum weer open liet graven. Een doodlopend stuk water.

Nu zijn er meer kunstmatige begrenzingen dan straatlantaarns alleen. En opvallend is dat ook die bij de het donkere deel horen van het jaar. Waar er gestrooid wordt op de weg is zo’n indicator, en hoe vaak. Of gevallen herfstblad ergens blijft liggen rotten, of niet.

Wist ik overigens niet dat bladeren doorgaans vlug verwijderd worden, omdat het wegdek er sneller van slijt als die blijven liggen. Onder zo’n blad blijft het te nat.


Unica
Te fietsen | week 48

Dat ik meer dan éen fiets heb, komt uit een oerangst voort. Al helpt ook mee dat geen enkel model alles kan; een beetje fietser heeft diverse exemplaren nodig met heel verschillende eigenschappen; elk met een doel.

En die angst laat zich merkwaardig slecht verklaren. Zelfs niet als ik mijn eigen Freud word.

Weegt wel door, dat er meerdere fietsen van me gestolen zijn. De meest traumatische diefstal vond plaats toen ik op fietsvakantie zou, en mijn dure op maat gemaakte fiets domweg verdween tijdens het transport.

Ik wil niet te afhankelijk zijn van éen fiets; om mijn plannen dan doorkruist te zien worden als dat ding stuk is of weg. En toch kwam telkens dat gevoel van afhankelijkheid weer terug. Die te beklemmende vrees voor het verlies.

Zoiets speelt er.

Paradoxaal genoeg heeft het opknappen van enkele oude fietsjes de afgelopen jaren dus ook gewerkt als therapie. Nu lukt het me eindelijk wel om fietsen als vervangbare gereedschappen te zien, en het bezit sterk te relativeren. Mede omdat ik van meer dan éen fiets inmiddels alle onderdelen vervangen heb, behalve het frame.

En éen daarvan krijgt straks een ander frame.

Alles is kortom vervangbaar.

Dus begrijp ik de man die ooit een fiets kocht als jonge jongen zo mooi dat hij er niet op durfde rijden. Daarom hing dat pronkstuk ruim dertig jaar lang in een kelder. Om nu voor veel op eBay te koop te worden gezet.

En tegelijk begrijp ik de frustratie van de maker ook. Die aan het begin van zijn carrière als zelfstandig framebouwer zijn uiterste best deed om een zo goed mogelijke fiets te maken; om nu pas te ontdekken dat daar nooit op gereden is.

I cannot envisage someone buying a beautiful handcrafted boat, but then never putting in the water because they were afraid to get it wet.

Had Dave Moulton alleen wel gelijk om te stoppen met het maken van zulke high-end fietsen. Het kan niet uit om iets te mooi te maken.


Fietsconditie
Te fietsen | week 48

Er is een derde reden waarom ik meer dan éen fiets heb, en zelfs nu nog rond blijf kijken op Marktplaats naar meer. Ik zit er tegenwoordig anders op dan vijf jaar terug. Mijn rug is soepeler geworden, mijn buikspieren zijn sterker, en daardoor strek ik me het liefst veel verder uit naar voren.

De fietsjes die ik opbouwde in 2012 en eerder zijn me inmiddels te krap geworden; daarvan staat het stuur te dicht op het zadel.

Lang altijd niet is dat probleem weg te nemen door een langere stuurpen te monteren, en het zadel verder naar achter te zetten. Daarom heb ik ook al eens een groter frame gekocht; derdehands.

Ongetwijfeld zal er een dag aanbreken dat ik weer rechtop wil gaan zitten, te oud en stram om anders. Voorlopig is het idee dat mijn fietsconditie vooruit gaat van jaar tot jaar. En dan heb ik nog niet eens specifiek geoefend, door intervaltraining te gaan doen op de fiets, of mijn buik en rug gericht te versterken.

In mijn echt fanatieke fietstijd, eind jaren tachtig, had ik dus geen specifieke fietsconditie, zo is me daarmee duidelijk geworden. Mijn fitheid in het algemeen was gewoon bijzonder goed. Maar hardlopen was bijvoorbeeld aanzienlijk belangrijker toen dan fietsen. Dus ging dat hardlopen vast ook ten koste van het fietsen. De ene inspanning benut de spieren anders dan de andere.

Tegenwoordig schrikt zelfs een eindje wandelen me al af; dat gaat me niet snel genoeg, en het duurt daardoor te lang. Waardoor er bijvoorbeeld een vouwfiets werd aangeschaft toen mij er éen werd aangeboden.


December
Te fietsen | week 49

Met een kleine acht uur aan daglicht slechts is december een maand vol van lampen en van binnen zitten. Putje komt op de eenentwintigste als de zon net 7½ uur te zien zal zijn; als er dan tenminste geen wolken voor hangen.

En toch heb ik het altijd opvallend veel lastiger met november. Want dan is al die donkerte nog nieuw. Daar moet dan weer aan worden gewend. Zelfs al wordt het elk jaar weer herfst en daarop winter.

Wennen aan dagen die lengen, hoeft daarentegen nooit.

Ook het fietsen moet in december gauw eens met de lamp op — wat geen enkel probleem vormt sinds ik de naafdynamo ontdekte als nauwelijks voelbare bron van energie. Zulke basale technologie heeft mijn bewegingsvrijheid voor het gevoel enorm vergroot.

Maar, simpelweg omdat er in de schemering of in het duister zo veel minder te zien is, wordt het fietsen ook een introvertere daad. Niet langer ben ik een tijdelijk deelje van het landschap, onderweg naar de volgende coulisse. Omgeving is er namelijk niet. Veeleer beweeg ik me voort in mijn eigen cocon, vlak achter de koplamp aan. Warm gekleed; om toch vooral niets van de elementen te voelen. Gesproken woord in mijn oren van een podcast.

Heb ik bovendien geen enkele informatie over hoe hard het gaat, en daarmee hoe lang het nog duurt voor ik op de plaats van bestemming ben. Want het donker maakt de fietscomputer onzichtbaar. Het fietsen moet ineens puur op gevoel; wat doorgaans wel lukt ook, behalve dan dat ik daar behoorlijk van kan inkakken.


Verkeersgeleidesystemen
Te fietsen | week 49

Remco Campert schreef ooit iets als: ‘begin nooit een tekst met de dodelijk saaie woorden: De Europese Commissie heeft besloten dat…’

Hij wist dan namelijk meteen bij het vervolg in slaap te zullen vallen. De verdere inhoud zou niet tot hem doordringen.

Zoveel naïviteit kan ik me niet helaas veroorloven. Wat de Europese Commissie besluit, heeft wel degelijk invloed op mijn leven. Al komt het tegelijk zelden voor dat ik van zo’n politieke beslissing flink onder de indruk ben.

Vorige week evenwel kwam er toch nieuws uit Brussel dat me enige stille vreugde bezorgde. Er wordt namelijk plots serieus werk gemaakt van intelligente transportsystemen. En vooral de streefdatum waarop de eerste resultaten van deze inspanning zichtbaar moeten zijn, maakte indruk op mij.

2019.

In twee, tweeënhalf jaar al moeten de eerste auto’s, bussen, en trucks op de weg dus niet alleen onderling met elkaar gaan communiceren, de weginfrastructuur moet zich ook met de snelheid van zulke voertuigen kunnen bemoeien. Er vallen namelijk weer te veel doden in het verkeer.

Hopelijk komt het dan nog eens zo ver dat auto’s in een 30 km-zône ook echt niet sneller rijden dan die 30 km/uur. En dat ze fietsers van rechts wel automatisch voorrang verlenen.

Het viel me op dat de VPRO er in de aflevering van Onzichtbaar Nederland over steden en vervoer als vanzelfsprekend vanuit ging dat de door een mens bestuurde auto verdwijnt — na dus een eeuw overlast te hebben gebracht, zo dacht ik toen daarbij.

Maar voor dat gebeurt, zullen tallozen het bezit van hun auto nog massaal verdedigen. Mede omdat elke automobilist in de waan leeft een betere chauffeur te zijn dan gemiddeld.

Toegegeven, de toekomst is redelijk voorspelbaar soms — alleen het tempo waarin veranderingen plaatsvinden niet, noch de emoties die daarbij gaan spelen.


Vluchtplan
Te fietsen | week 49

Als de dijken breken, kan de Randstad het best per fiets worden geëvacueerd. Want als iedereen in de auto zou stappen, loopt alles vrijwel direct vast. En dat is niet best, als er toch al paniek onder de bevolking heerst. Fietsers nemen aanzienlijk minder ruimte in op de weg.

Dit stellen enkele deskundigen tenminste vast. Wat nog daaraan toe is. Alleen opperen zij voor om zo’n massa-ontruiming ook eens te oefenen. Bij voorkeur op een autoloze zondag dan.

En alleen om dit voorstel bleef hun idee toch in mijn gedachten hangen. Want op wat duinenrijen na liggen de hoger gelegen gronden namelijk nogal een eind weg van pak hem beet Den Haag, of Rotterdam.

Met hoeveel mensen zou zo’n oefening realistisch worden? En hoe ver zouden zij dan moeten fietsen; alle winkels langs de route leegrovend daarbij?

Negeer ik voor het gemak nog even dat de paniek van een echte watersnood moeilijk na te bootsen zal zijn. Tenzij er misschien enige tienduizenden mensen te veel tegelijk aan de oefening mee zouden doen.

Toegegeven, ik kwam het besef vaker tegen dat de fiets nuttiger kan zijn als vluchtmiddel dan welk motorvoertuig ook. Toen ik nog oorlogsstrips las, die vaak Frans of Belgisch van oorsprong waren, kwamen daar altijd vluchtelingen in voor, met gestrande auto’s door kokende motoren of benzinegebrek, en fietsers die luid bellend de lopende menigte voorbij wilden.

Is daar verder de Vaderlandsche geschiedenis nog, met onze gezamenlijke herinnering aan de Mof die fietsen confisqueerde om weg te kunnen komen, op het eind.

Maar levert een overstroming vergelijkbare oorlogsscenario’s op?


Naverbranding
Te fietsen | week 50

’s Winters kleed ik me vaker om voor het fietsen dan in welk ander jaargetijde ook. Terwijl ik dan toch minder vaak rondrijd, en zeker minder lang.

Daar zit een vreemde paradox in.

Punt is dat fietsen weliswaar een heel efficiënte manier van bewegen blijft, maar dat het lichaam dat de fiets voort moet stuwen niet zo heel zuinig omsprint met zijn energie. Het lijf maakt als het zich inspant nogal wat warmte aan ook in de spieren. En in de winter kan die warmte niet zo heel goed weg; omdat heel het lichaam omhuld is met kleding; om de kou van buiten te weren.

Nooit zweet mijn lijf meer dan een paar minuten na thuiskomst, als alle processen om energie naar de spieren te sturen nog lopen, terwijl die inspanning dan al niet meer nodig is.

Naverbranding, zo noem ik dit verschijnsel.

Mocht daarbij ook het weer nog tegenwerken, en me telkens natregenen onderweg, dan is het niet vreemd als tal van radiatoren thuis telkens weer bedekt worden met kledingstukken die drogen moesten. Kleding die allemaal door mij tot fietskleding is bestempeld, anders dan gewone kleding, of daagse kleding. Omkleedkleren.

En hoewel ik er vrij goed in ben geworden om in te schatten welk jack en welke trui het best passen bij het weer buiten — om het behaaglijk te hebben op de fiets — lijkt me niet dat het ooit lukt om me perfect te kleden in de wintertijd. Naverbranding is er altijd als ik meer dan tien kilometer fietste. En ik kleed me liever iets te warm dan net te koud.

Enkel toen ik nog hardliep, maakte ik in de winter weleens een duurloop met alleen een hemdje en een broekje aan — want daar ging ik zo lekker van gloeien eenmaal weer thuis gekomen. Maar zoiets kan op de fiets helemaal niet. Domweg omdat het verkeer en de infrastructuur je ook zo vaak tijdelijk tot stilstand dwingen.


Infrastructuur
Te fietsen | week 50

Opmerkelijk dat er deze weken ineens allerlei rapporten verschijnen die iets hebben van een jaarverslag. Mede omdat jaarverslagen zo’n typisch lenteverschijnsel zijn normaal.

Zo meldde de SWOV dat het tal fietsers dat omkomt in het verkeer al jaren gelijk blijft. En dit is zorgelijk, omdat de trend tot vorig jaar was dat het wegverkeer almaar veiliger wordt. In 2015 vielen er 185 doden onder de fietsers; wat dertig procent is van het totale aantal verkeersslachtoffers. Bovendien nam het aantal ernstig gewonde fietsers toe.

Van die 185 doden waren er 135 ouder dan 60 jaar. En een verklarende uitleg ontbreekt — al zullen statistieken zelden de details weergeven waar ik in geïnteresseerd ben.

Is dit de vloek van de e-bike bijvoorbeeld? Waardoor 60-plussers enerzijds langer blijven fietsen dan ze voorheen deden, wat enkel toe te juichen valt. Maar waarmee ze toch ook ineens technologie onder de kont krijgen geschoven waar de fietsvaardigheden en het reactievermogen vooral niet goed meer op berekend zijn?

Ander onderzoek dat ik tegenkwam, ging over de kwaliteit van de fietspaden overal. Waarbij die vooral lijken te zijn beoordeeld op hun kwaliteiten voor toeristen. Een doelgroep waaronder ik mijzelf waarschijnlijk dien te scharen, en waar ik dan toch liever niet toe behoor.

Een derde van de Nederlanders pakt de e-bike voor een tochtje blijkt daar dan toch uit. Wat allereerst iets zegt over de leeftijdscategorie die nog wel eens fietst.

De e-bikers merken dat fietspaden niet altijd berekend zijn op hun snelheden — zo luidt dan een klacht. Die niet gek is. Mij werd weleens verteld dat een toeristisch fietspad bochten heeft waar je hoogstens met 25 km/h doorheen kunt.

Ook ik fiets doorgaans sneller.

Dit jaar kwam er voor het eerst in Friesland een fietspad voor doorrijders — zoals er zo ontiegelijk veel meer zouden horen te komen, tussen de vier grootste plaatsen in de provincie bijvoorbeeld. Maar de route langs de Centrale As — die zes kilometer tussen Nijega en Sumar — is breed, van goed asfalt, en dwingt de fietser slechts drie keer tot het nemen van een haakse bocht.

Staan er in Smallingerland zelfs lantaarns langs, anders dan in Tytsjerksteradiel.


Lessen geleerd
Te fietsen | week 51

Misschien wel de nuttigste lessen geleerd over het fietsen kwamen er niet bijster bewust, die kennis ontstond geleidelijk in de afgelopen jaren. Ik kan inmiddels bijvoorbeeld heel goed inschatten welke kleding ik aan moet, om het weer en de mogelijke verwachtingen daarin. En toch werd daar nooit gericht studie naar verricht. Terwijl het o zo makkelijk is om te veel aan te trekken in de winter; en dan te veel te zweten.

Net zo is mijn pacing doorgaans in orde. Aan het einde van een rit hoor ik even ontspannen en snel te kunnen fietsen als aan het begin. En dat gaat me goed af. Vast omdat ik nooit vreselijk snel fiets op het vlakke. In sporttechnisch jargon: ik blijf altijd ruim onder mijn omslagpunt.

Dit jaar kwam er wel een nuttig inzicht bij. Vermoeidheid op de fiets ontstaat namelijk niet door de inspanning alleen. Het comfort van een fiets weegt nogal zwaar mee.

En het enige probleem waar ik last van bleef houden, was dat mijn handen op den duur, na een uur of drie vier vijf in het zadel, konden gaan tintelen.

Daarop ben ik gaan experimenteren met de bandendruk voor; opdat de voorvork niet zo over het wegdek stuitert, en de trillingen van de weg al in de band konden worden gedempt. Een heel exacte wetenschap blijkt dat variëren van de bandenspanning vervolgens niet te zijn — wat de spanning worden moet voor, blijkt van de fiets af te hangen, het type band, en de buitentemperatuur zelfs. Maar in elk geval is me wel duidelijk geworden dat ik mijn voorband voorheen altijd veel te hard heb opgepompt.


Lessen nog altijd niet geleerd
Te fietsen | week 51

Er is genoeg waar ik niets over weet op fietsgebied, maar waarvan het me niet echt schelen kan de kennis te ontberen. Achillespeesproblemen uit mijn hardlooptijd, lang terug, maken het bijvoorbeeld nog altijd onmogelijk om met mijn voeten gefixeerd aan de pedalen rond te fietsen. Dus heb ik ook geen interesse om meer te weten over clickpedalen.

Wel zou ik veel meer kunnen experimenteren met banden. Mede omdat mijn voorkeur de afgelopen jaren vooral uitging naar bedrijfszekerheid, en lekbestendigheid. Er bestaan ook soepeler fietsbanden, evenwel. En wellicht levert het iets op om daar eens een paar van te monteren.

Puur praktisch gezien, stuitte ik dit jaar op twee problemen.

Mijn gevoel voor navigatie wordt weliswaar elk jaar iets beter. Alleen hoeft mijn fietscomputer maar kapot te gaan, en de onzekerheid slaat al toe.

Fietsend door onbekend gebied, bij een bedekte hemel, kan ik me nog altijd behoorlijk vergissen in welke richting ik fiets. Is er de smartphone weliswaar, met zijn atlassen daarin. Staan er in sommige streken zelfs met regelmaat landkaarten langs de weg. En toch zou ik voor mijn gevoel niet van zulke hulpmiddelen gebruik horen te hoeven maken.

Vervelendste probleem blijft dat ik nog altijd geen goed idee heb over hoeveel drinken er mee moet, helemaal niet als ik een hele dag ga buitenspelen. Deels komt dit omdat de omstandigheden nogal wat invloed hebben — op sommige dagen is het dorstiger weer dan op andere. Deels is dat omdat je in de zomer meteen al met drinken moet beginnen, terwijl verder vrijwel steeds in het jaar enige dehydratie juist helemaal geen problemen oplevert.

Dus sleep ik doorgaans te veel drinken mee. En bij mooi weer en lange dagen ’s zomers kunnen dat daarmee vervelend veel kilo’s extra zijn aan gewicht.


Zo’n jaar in cijfers
Te fietsen | week 52

De statistieken voor dit jaar liggen wel zo ongeveer vast, met minder dan nog een week aan december. Veel kan daar in 2016 niet meer aan veranderen. En tegelijk valt op dat de patronen zelfs al enige jaren redelijk vast liggen.

Ik fiets in totaal dus weer ergens tussen de 12.000 en 15.000 kilometer — het ritme dat ik elke drie jaar in afstand de evenaar éen keer rondrijdt werd niet gewijzigd. Zo’n jaartotaal komt alleen veel meer door toeval tot stand, dan door geldingsdrang, of toewijding. Veel lees ik daar niet aan af.

De langste dagafstand was 250 kilometer. En die kostten me minder dan tien uur aan pure zadeltijd. Wat mede aangeeft dat ik die dag waarschijnlijk veel te snel startte; want na 160 kilometer kwam er een duidelijke inzinking; waarmee ook het gemiddelde nogal kelderde.

Misschien dat daardoor die 160 kilometer — de Imperial Century — dit jaar een duidelijke favoriet was voor een dagje buitenspelen. Op de goede momenten — waarbij vooral het weer van belang is — kostten die iets van zes uur in het zadel. Op de slechtste dagen duurde zo’n rit meer dan zeven uur. Maar dan nog is dat minder dan een hele werkdag op de fiets. Waarmee zo’n dag niet helemaal wordt weggegooid. Eenmaal thuis heb ik nog wat aan de overgebleven uren.

Geef ik wel toe dat het nut had om eens 250 kilometer te rijden, en toen een flinke inzinking te krijgen. Langeafstandsfietsen is allereerst een geestelijke inspanning; barrières slechten hoort daarbij.

Fietsmaand met de meeste kilometer was september, met 1657. Mede omdat ik in augustus twee dagen minder in het zadel zat. Laagste maandtotaal was er in januari; met 699 km; vooral omdat die maand begon met vijf dagen ijzel op de weg.

In januari waren er ook negen dagen waarop ik geen meter fietste. In november en december elk zeven.

De vouwfiets, die er begin dit jaar kwam, legde dit jaar 1077 kilometer af — met mij er op fietsend tenminste; want het aantal kilometers afgelegd in treincoupés en kofferbakken ligt aanzienlijk hoger. De meeste ritjes op de vouwer waren minder dan zes kilometer in lengte. De aanschaf vulde een duidelijke niche.


Flessenhouder
Te fietsen | week 52

Het frame van mijn vouwfiets bestaat uit éen balk. En precies midden op die balk zou je een bidonhouder kunnen monteren, volgens de fabrikant. Voor de dagen dat het prettig is om drinken mee te nemen onderweg.

Ik heb dat nog net éen keer uitgeprobeerd, met een bidonhouder daar. Om meteen al op te merken dat het ding er dan zeldzaam onhandig geplaatst is. De kans wordt namelijk te groot dat je er bij het op- of afstappen tegen aan trapt. En op- of afstappen moet weleens, Zonder daar bij na te hoeven denken liefst.

Handiger is het dus om een bidonhouder aan de immens lange zadelpen te klemmen — liefst dan wel met een klem die ook makkelijk los te halen is; zoals er gelukkig meerdere op de markt zijn.

Het fietsjaar 2016 werd daarmee toch ook een jaar van de flessenhouders onderweg; het tal kleine problemen dat anders onbecommentarieerd zou passeren, stapelde zich op. Zo moest ik de klassieke aluminium bidonhouders op mijn Clubman vervangen door net iets anders ontworpen exemplaren, waaraan mijn broekspijpen níet telkens vast zouden komen te zitten als het waait.

Ging er bovendien ook een bidonhouder stuk, door een vermoeidheidsbreuk in het dunne metaal. Wat ik nog niet eerder meemaakte. Hoogstens heb ik eerder eens zo’n houder scheefgetrokken als er een broekspijp aan vast bleef zitten.

Een houder gemaakt van dunne stalen buis is dan gelukkig vrij simpel te repareren. Stop een net niet helemaal recht stukje spaak in de buis, als een zichzelf klem zettende spalk, en het ding is al bijna weer bruikbaar. Lijm erbij om de spalk te borgen. Klaar.

Had ik een aluminium bidonhouder toch nooit zo durven repareren. Hebben aluminium houders bovendien het eeuwige nadeel vieze strepen te maken op de meegenomen flessen.