Voornemens
Te fietsen | week 01

Vorig jaar nog fietste ik een heel eind op 1 januari, om het jaar eens goed te beginnen. Alleen betrok de lucht daarop, het KNMI kondigde een Code Rood af, en prompt was er vijf dagen lang op geen enkele weg meer te rijden door een hardnekkige laag ijzel.

Van goede wil zijn, is kortom éen ding. Voornemens zijn leuk en aardig, moesten de omstandigheden vervolgens wel een beetje meewerken ook.

Terugkijkend op het fietsjaar 2016 is er slechts éen ding dat ik liever anders zou doen. Al mijn lange dagen weg op de fiets waren nu in augustus en september. En vooral in die laatste maand valt de duisternis op een gegeven moment aardig vroeg in. Dat dwong me dus altijd om dan op een fiets met verlichting te rijden.

Is fietsen bij daglicht leuker bovendien.

Tegelijk geldt ook dat er amper zon was, en behoorlijk wat wind en regen, in de maanden mei, juni, en juli, waardoor er redenen genoeg waren om er in die periode geen hele dagen op uit te gaan.

Ofwel, ik kan vooraf van alles bedenken; aan fantasie mankeert het me niet. Alleen moest het weer vervolgens meewerken ook. Want bij het fietsen gaat het mij erom buiten te spelen; niet om dat buiten zijn te moeten doorstaan om éen of ander hoger doel. Want dat hogere doel is er niet.

Gelegenheid genoeg om wat te fietsen bijvoorbeeld, tussen Kerst en Nieuwjaar. Alleen werden al die vrije dagen verpest door de weersomstandigheden. Want door de klamvochtige mist rijden, zal mijn hobby nooit worden. Vroor het soms ook nog daarbij. En beroerder weer bestaat er haast niet, voor mij als fietser. Dus gebeurde er weinig.


Oud staal 5
Te fietsen | week 01

Oude fietsjes doen het met oude technologie. Wat doorgaans niet uitmaakt. Behalve als er iets vervangen moet worden door slijtage, en zo’n onderdeel al dertig jaar niet meer gemaakt wordt.

Kan het ook zijn dat de techniek van het moment aanzienlijk beter is als wat er vroeger leverbaar was. Zoals geldt voor fietsverlichting.

Ook is de kwaliteit van velgen nogal vooruit gegaan, door betere productiemethoden. Zelfs een beetje aluminium velg heeft tegenwoordig een extra kamer boven het gedeelte waar de band in rust. Daarmee wordt het geheel stijver, wat onder meer het vlechten van een wiel minder tijdrovend maakt. Bovendien treedt er door die stijfheid minder makkelijk vermoeidheid op in de spaken, waardoor die niet zo gauw meer knappen.

Doet het er daardoor al niet eens toe dat ook de kwaliteit van de spaken hoger is geworden.

Alleen brengt niet alle vooruitgang ook een verbetering.

Vroeger hadden snelle fietsjes vijf versnellingen achter, of zes, en vanaf het eind van de jaren tachtig zelfs zeven. Maar waar een achterwiel met een vijf- of zesversnellingscassete doorgaans nog met 32 of 36 spaken van dezelfde lengte gevlochten kon worden, veranderde dit toen er meer tandwieltjes werden ingezet achter.

Elf tandwieltjes achter is ondertussen het nieuwe normaal. En om daartoe de ruimte te krijgen zijn drie oplossingen ingezet. Zo zijn de nieuwerwetse tandwielen smaller gemaakt, net als de ruimte tussen de tandwielen in. Dat kon alleen omdat daarbij ook de fietsketting dunner werd gemaakt — en dus naar mijn idee veel sneller slijt.

Verder zijn hedendaagse wielen ‘paraplu’ gespaakt — aan de kant van de tandwielencassette zijn de spaken een stuk korter dan aan de andere kant — en bovendien werd de hele naaf iets wijder gemaakt. De wielen van racefietsen hebben tegenwoordig een naafbreedte van 130 mm; bij stadsfietsen en mountainbikes is dat doorgaans135 mm.

Voorheen was die breedte 126 mm, en nog vroeger 120.

Bij oude stalen fietsjes kan zich daarom het dilemma voordoen of je op den duur voor nieuwe wielen kiest, en hoe die er dan uit moeten zien. Cassettes voor vijf of zes versnellingen zijn niet zo maar te koop. Vlecht je dus nog een nieuwe velg aan een oude naaf vast? Of kies je ook een nieuwe naaf, met als gevolg dat je achtervork daar eigenlijk te smal voor is?

Ik heb er nu een aantal malen voor gekozen om naven te monteren die wijder zijn dan de opening van de achtervork breed was. Staal is veerkrachtig. Dus zo’n wiel dan tussen de achterpatten drukken, lukt wel. Maar ik koos er toch voor om de achtervork permanent naar de nieuwe breedte te spreiden. Koud vervormen heet de methode waarmee staal zo te buigen is.

Online staan er tal van methoden uitgelegd hoe dat spreiden van zo’n stalen achtervork het beste kan. Fietsgoeroe Sheldon Brown doet bijvoorbeeld iets ingewikkelds met een houten balk, die dan als hefboom moet fungeren. Mij is evenwel gebleken dat het allemaal veel makkelijker lukt; met een simpele vorkspreider; bij alle fietsenwinkels te koop. Haal het wiel uit de achtervork, zet die spreider tussen de achterpatten, en draai die een eindje open, en dan weer dicht; zodat de vork weer terugveert. Door de achtervork eenmalig zeker 25 millimeter verder te spreiden dan de gewenste breedte ben je doorgaans al een heel eind op streek.

Geef ik meteen toe dat zo’n vleugelmoer niet heel prettig draait als het frame tegenwerkt.

Zeker als een vork van 124 mm naar 135 mm gespreid is, zullen de achterpatten opnieuw evenwijdig aan elkaar gezet moeten worden. Daar is gereedschap voor.


Statussymbool
Te fietsen | week 02

‘Met hun fietsen tonen hogeropgeleiden hoe goed ze het hebben’, kopte Het Parool van de week. En dat is een claim waar ik nu al even over nadenk, met mijn afgeronde universitaire studie. Helemaal omdat bijna al mijn fietsen uit 1980 of 1981 stammen, en ooit als oud roest op Marktplaats te koop werden aangeboden.

Mijn hele stal aan fietsen samen heeft lang niet zo veel geld gekost als éen doorsnee e-bike, waar ik er dagelijks rijen van zie bij de buurtsuper.

Woon ik toch echt niet tussen de hoger opgeleiden.

Het Parool verwees naar onderzoek dat weinig meer deed dan bevestigen wat iedereen al even aangepraat wordt. Lager opgeleiden gaan hier gemiddeld eerder dood, zo luidt de stelling daarbij, want hoger opgeleiden leven iets bewuster. Gemiddeld. Want die hebben bijvoorbeeld door al die lange jaren op school onder meer geleerd dat behoeften niet altijd onmiddellijk zijn te bevredigen. Die denken aan de langere termijn.

Ondertussen leven er weinig beroepsgroepen zo ongezond als bijvoorbeeld artsen. Met hun lange hoge opleiding. Wat dan voortkomt uit de stress van hun werk, en het gegeven dat ze helemaal aan het begin van hun carrière doorgaans al de positie bereiken die ze hun hele leven zullen houden.

Gemiddelden zeggen mij daarom niet alles.

Nu zullen er weinig slecht betaalde lageropgeleiden zijn die dromen van een Idworx oPinion, of een vergelijkbare fiets van 6.000 euro. Terwijl ik toch wel enkele fietskampeerders ken, met een goede scholing, en dito baan, die zulk geld voor een fiets over hebben.

Punt is dat alleen een andere fietskampeerder de keuze in spullen van een mede-kampeerder beoordelen zal.

Net als dat enkel de mannen van het zondagochtend-peloton goed kunnen inschatten wat iemand anders aan een racefiets heeft uitgegeven.

Symbolen krijgen slechts een statuswaarde tussen gelijken — dat zal mijn grootste bezwaar tegen de teneur van dat krantenstuk wel zijn. Als werkelijk iedereen auto rijdt, dan heeft de cataloguswaarde van zo’n auto dus een onderscheidend vermogen. De jongens waarmee ik mijn onderwijsuren deelde, wilden later ook altijd geen gewone auto rijden, nee, dat moest per se een ‘dikke auto’ worden.

Maar als éen bevolkingsgroep fietst, en een andere in het geheel niet, terwijl niemand dit om het geld hoeft te laten, hoe zo gaat dan het verhaal van die status nog op?

De fiets bracht velen vrijheid — zoals elk kind in mijn jeugd — en heeft historisch gezien zelfs een voorname rol gespeeld in de emancipatie van de vrouw. Mooi om te zien dat het fietsen nog altijd tegen bestaande structuren en vooroordelen in kan gaan. Toch?


Doel
Te fietsen | week 02

Het verbaast me altijd dat er mensen zijn die in augustus al weten wanneer ze het jaar daarop met vakantie gaan. Want dan al zijn ze druk met het opdoen van kennis, over de gebieden die bezocht gaan worden. Of over welke vliegmaatschappij een beetje fatsoenlijke prijzen rekent voor het meenemen van een fiets daar naartoe.

In 2017 wordt Londen-Edinburgh-Londen [LEL] weer verreden — wat van de deelnemers vereist dat ze zo’n 1400 kilometer afleggen in een kleine vijf dagen.

Ook de Transcontinental Race is er dit jaar weer. Waarvoor doorgaans rond de 4000 kilometer gefietst moet worden — de route verschilt per deelnemer, en de eindbestemming verandert inmiddels per jaar.

Nu al is zeker dat ik geen van deze tochten zal rijden, noch dat ik later dit jaar voor weken naar een ver warm buitenland trek om daar te fietsen. En dit spijt me verder niet. Ik lig daar niet wakker van. Behalve dan dat zulke evenementen mij er mee confronteren dat ik werkelijk nooit iets plan voor mijn fietsen.

Hoogstens wordt er bij het boodschappendoen een dag van tevoren rekening mee gehouden dat ik een hele dag weg wil.

Maar daarmee bestaat er dus ook geen hoger doel — wat nog daaraan toe is — en neem ik al evenmin die extra stap moeite om me goed voor te bereiden. Terwijl mijn fanatieke hardlooptijd vroeger toch als kennis heeft opgeleverd dat je net wat meer kunt, en doet, als een training onderdeel is van een cyclus aan trainingen, met een eindbestemming.

Helemaal in januari, als het fietsen niet per se een plezier is, zou het geen kwaad kunnen eens een trainingsschema op te stellen, voor een prestatie een heel eind verderop in het jaar. Want het afronden van een trainingsritje komt met zijn eigen voldoening.

Alleen heb ik dat hogere doel dus niet. En bovendien groeide er in de fanatieke sporttijd een hekel aan alle werk daar omheen; zoals de tweehonderd sit-ups op een dag.

Dus telkens als de gedachte opwelt: ik zou eens echt moeten gaan trainen — dan is er ook het akelige besef: ja, fijn weer buikspieroefeningen doen.


De kunst van het winnen
Herman Chevrolet

[…] Zeker is dat de introductie van mobiele communicatie nogal wat versjteerd heeft voor mij bij het kijken naar de koers op TV; omdat ploegleiders daarmee vanuit hun auto’s de wedstrijd kunnen controleren; door hun renners aan te sturen alsof het robotjes zijn.

Rondes als de Tour de France volg ik daarom amper meer; omdat daarin te vaak éen ploeg alles domineert, en iedereen koerst om allereerst niet te verliezen, waardoor er geen etappe nog spannend verloopt.

Professioneel wielrennen is mede om al dit een sport van verhalen — de uitslag hoeft niets over de race te zeggen — zodat er ook na een wedstrijd gauw eens na te praten valt over wat er nu echt allemaal gebeurd is. En die verhalen zijn dan ook nog eens op verschillende manieren te vertellen.

Herman Chevrolet zette daartoe voor De kunst van het winnen een gimmick in. Hij ziet in koersen de ploegleiders nogal elementaire fouten maken, in hun blinde wil om te winnen. Bovendien is wielrennen vanouds een professionele sport. Chevrolet legt daarom aan de wielerploegen voor om eerlijkheid voortaan te vergeten. […]

boeklog 13 i 2017


Vaste voet
Te fietsen | week 03

Zou 2017 dan toch het jaar worden van de bewuste bandenkeuze? Ik schreef daar al iets over in mijn terugblik op het vorige jaar.

Maar het zijn beroerde fietsomstandigheden dezer dagen, met telkens die sneeuw- en ijsresten op de weg. Rotzooi waarover het zo makkelijk glibberen is. Ook al omdat er zo’n groot verschil in rijkwaliteit kan bestaan tussen de wegdelen in de zon, en die in de schaduw.

Ik ben nu erg blij vorige zomer 55 mm brede Big Apples te hebben gemonteerd onder mijn aluminium boodschappenfiets. Zelfs al was dat toen allereerst om onbezorgd door het bos te kunnen crossen. Om die fiets toch ook nog eens te gebruiken.

En wat goed rijdt door mul zand doet het heel niet verkeerd op sneeuwresten — ik voel me er in elk geval aanmerkelijk zekerder op dan op de 28 mm of 30 mm banden van mijn normaal meest gebruikte fietsen.

Schreef Velouria vervolgens ook nog een lofzang op tubes; die zoveel lekkerder zouden rijden dan de gebruikelijke combi van binnen- en buitenband.

Eén van de fietsjes die ik ooit derdehands kocht, kwam met tube-wielen. En die was mede daarom ook zo goedkoop. Want het rijden op tubes, die aan de velg vastgeplakt moeten worden, is meer iets voor de wel heel fanatieke fietser, of de professional; voor wie het team alles doet.

Ik hoef daarom enkel nog die oude tubes van de oeroude wielen te pulken. Die wielen dan opnieuw stellen natuurlijk. Om voor een paar tientjes drie tubes te kopen, twee voor het echt en éen als reserve, en lijm, en voorgelijmde tape. Zodat ik met slechts een kleine investering meer kom te weten.

Waarom dat dan niet al eerder gedaan? Omdat ik eigenlijk betrekkelijk weinig klachten over de bandjes die ik tot nu toe monteerde. Dit maakt het moeilijk om me te bedenken hóe het dan beter zou kunnen.

Ken ik bovendien het placebo-effect al te goed — dat iets wel beter moet zijn omdat er tijd, aandacht, en geld in is gestoken.


Gewenning
Te fietsen | week 04

Aan het eind van elk jaar, in november meestal, is het ineens weer koud. Daarvoor hoeft de thermometer dan nog amper onder de tien graden Celsius te zijn gezakt.

En dan weet ik inmiddels dat die kou altijd wel weer went. Gevoelsmatig. Dat ik een paar maanden later een temperatuur van 6° C overdag ineens bijna behaaglijk kan gaan vinden, als het de weken daarvoor tenminste telkens rond het vriespunt was.

En in januari 2017 was het gemiddeld 1½° C.

Alleen kost gewenning steevast tijd. Kou is voor mij dus eerder een psychische last dan een lichamelijke ervaring.

Komt daar dan in de winter bij dat er weinig uren zijn om te fietsen zonder lamp op, omdat de dagen zo vreselijk kort zijn. En als het dan ook nog kwakkelt, zoals het in Nederland doorgaans doet, en er smeltende sneeuw, of andere troep, op de wegen ligt. Dan kan het nog tegenvallen om met blij gemoed de kou buiten in te willen.

Vrijwillig. Als het per se niet hoeft.

Voorzichtig glibberen is geen fietsen.

Strikt lichamelijk heb ik het nooit koud meer. Mijn schoenen houden mijn voeten goed warm, ook na 75 km. Het lichtste type handschoenen volstaat normaal wel. En sinds ik mijn kleding koop op hun vermogen om de wind niet door te laten, blijft ook mijn kern goed op temperatuur.

Heb ik inmiddels wel door dat je beter iets warms in een thermos mee kunt nemen als drinken onderweg, dan water dat toch maar bevriest. Dat is wel zo behaaglijk.


De filosofie van de heuvel
Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva

[…] éen van de beter gelukte boeken […] over een fietsreis.

Het genre is in praktijk dan ook vrijwel onmogelijk. Alleen al omdat de auteurs het doorgaans nalaten om over het belangrijkste onderdeel schrijven. De beweging. Het fietsen. Dat simpele onderweg zijn. Boeken over fietsreizen gaan normaliter vrijwel alleen over de momenten dat er niet wordt gefietst; en dit deugt er voor mij dan principieel al niet aan.

Maar Ilja Leonard Pfeijffer wist in zijn boek meermaals wel iets in woorden te vangen over die beweging. Wat dan mede kwam omdat hij zijn ongetrainde, in alcohol gemarineerde dichterslijf, aangekweekt om imposant over te komen, op een oude stalen racefiets over tal van heuvels en berghellingen te slepen had. Die veertig dagen onderweg van Leiden naar Rome.

Potsierlijk aan nogal wat hoger opgeleide mannen is alleen wel dat ze er zo verbaasd over lijken dat hun lichaam ook nog wat kan, dat deze prestatie vervolgens tot in het ridicule opgeblazen wordt.[…]

boeklog 9 ii 2017


Snotraket
Te fietsen | week 05

Nimmer zit ik op een fiets te juichen hoe prachtig het toch is om een lichaam te hebben dat vrijwel probleemloos werkt. Dat zelfs nauwelijks protesteert als het onmogelijke opdrachten te verrichten heeft; zoals om tien uur lang vrijwel dezelfde houding aan te moeten nemen, omdat ik toevallig het idiote idee had 250 kilometer te willen doen.

Het is zo gemakkelijk om gezondheid, en een goed functionerend lijf, als volkomen vanzelfsprekend te ervaren. En om nooit eens stil te staan bij dit rijk bezit.

Toegegeven, sommige van mijn lichamelijke vermogens zijn iets te perfect. Zodra het kouder wordt, verhogen de slijmvliezen in het hoofd hun productie nogal. Dan zit ik onder het fietsen al gauw met een onnodig grote lading snot in mijn kop. En aan die overbodigheid moet dan met regelmaat wat gebeuren.

Dus heb ik me al heel lang geleden aangeleerd éen neusvleugel met een vinger dicht te drukken, en de andere half over mijn schouder leeg te maken, zonder daarvoor mijn loop- of fietsbeweging te onderbreken.

Neussnuiten lijkt me niet de juiste benaming voor deze handeling — voor dat snuiten heb je iets nodig dat de boel opvangt of afdekt, zoals een zakdoek.

Amerikanen zouden zeggen dat ik snotraketten lanceer. Alleen klopt die metafoor van de raket ook niet helemaal; of het zou moeten zijn dat menig raket na de lancering in stukken uiteenvalt; opvallende sporen achterlatend in de lucht.

In elk geval is tekenend dat ik enerzijds de goede woorden niet weet te vinden om deze lichamelijke handeling te beschrijven — wat er op wijst dat de zinnen niet klaar liggen; en daarmee dat er taboes kleven aan het hebben van snot; terwijl al dat neusslijm vanouds nochtans een tamelijk nuttige functie heeft om te kunnen overleven.

Maar bestond er al een taboe op spugen in het openbaar of snot lanceren in de tijden van voor het TBC-gevaar?

Anderzijds betrap ik mijzelf er nogal eens op dat wat ik me aanwendde tijdens het sporten in de buitenlucht gauw eens het normaal is. Mits niemand me daarbij zien kan. In het zicht, of binnenshuis, is het geen enkel probleem om even een zakdoek te gebruiken. Al blijft dat hulpmiddel onhandig. En vies.


Februari
Te fietsen | week 06

Hoewel het lang duurde voor ik eindelijk meer dan duizend kilometer had gefietst in 2017 — waar dat ’s zomers weleens binnen veertien dagen lukt — was er toch wel enige tevredenheid over mijn fietswinter tot zo ver. De omstandigheden hadden me er niet onder gekregen. Zo meende ik.

Hoe anders was dat niet geweest in die winter vijf jaar geleden, toen het van november tot en met april met grote regelmaat vroor ’s nachts?

Punt was alleen dat ik in deze vergelijking vergat dat de wind toen vrijwel steeds uit het oosten heeft gewaaid. En dat het daarom telkens lijden was geweest indertijd. Want oostenwind is toch echt iets anders, in de winter, dan westenwind of zuidenwind. Zo’n ooster komt dan gauw met een kilte die dwars door alles heen snijdt, en het zo vijf à zes graden kouder voelen laten kan als het werkelijk is.

Deze winter kwam de oostenwind pas langs in februari. Dat was laat. Winter werd het daarmee gevoelsmatig pas echt aan het einde van de winter. Vlak voor het moment dat het licht er ineens ook weer was, en de dag niet enkel een korte onderbreking van de eindeloze nacht scheen; amper de moeite waard om de lamp voor uit te doen.

Voorjaar wordt het overigens pas echt als ik mijn handschoenen thuis durf te laten zonder daar over te hoeven nadenken.


Stootlek
Te fietsen | week 07

Lekke banden overkomen de fietser. En doorgaans is dat enkel pech. Want tot dan kan het best tienduizend kilometer goed zijn gegaan. Op een dag ligt er dan alleen altijd wel ergens een stukje glas op de weg dat zich de band in vreet, een scherpe splinter metaal, een stuk vuursteen, een doorn.

Druk maak ik me dan ook nooit over een lek onderweg. Zelfs al is er naderhand, als ik de nutteloos geworden binnenband verwisseld heb, vaak wel iets veranderd aan de rit waar ik mee bezig ben. Die heeft dan ineens een veel groter survival-gehalte gekregen.

Want doorgaans heb ik slechts éen reservebandje mee.

Een volgend lek zal me daardoor doen stranden.

Enkel als ik zeker weet een eind te gaan fietsen, gaan er twee binnenbandjes mee, en bandenplak. Plus nog een hele rits ander gereedschap meer, waar ook nog eens aandacht aan gegeven moet worden hier.

Eén soort lekken bestaat er evenwel waarover ik me wel altijd wel wat schuldig voel. De stootlekken. Die ontstaan als een voorwiel, doorgaans, met te veel kracht op een scherpe rand botst. Omdat die lekken te voorkomen waren geweest als ik beter had uitgekeken; zo lijkt het soms tenminste.

Amerikanen noemen zo’n lek een snakebite — omdat de binnenband er in éen klap twee gaatjes van krijgt; daardoor lijkt het of er in gebeten is.

Een snakebite ben ik wel eens opgelopen doordat er een baksteen onverwachts op het fietspad lag. Vaker komt het voor dat ik met een te grote vaart een gat in de weg in rijdt. En aan zulk slecht wegenonderhoud, of aan freak accidents, doe je als fietser weinig. Daar een schuldgevoel aan overhouden, is onzinnig.

Laatst, evenwel, liep ik een stootlek op in het stikkedonker nadat ik over een stuk fietspad had gereden waarvan de toplaag aan asfalt grotendeels was weggefreesd. Daardoor lag dit deel dus lager dan het normale fietspad. En was er een harde rand ontstaan tussen het tijdelijke wegdek en het oude pad. Hoe hoog die richel was, bleek ik verkeerd te hebben ingeschat. Hoeveel lux mijn koplamp ook heeft.

Die lekke band van dat moment zie ik wel als een domme fout van mij.


Maart
Te fietsen | week 08

Het voorjaar van 2017 brak voor mij aan bij het vallen van de avond op zaterdag 4 maart. Hoewel ik toen al wat krokussen had zien staan, een paar dagen eerder.

Sneeuwklokjes vallen me nooit op, vreemd genoeg.

Maar die 4de maart was het voor de eerste keer warm genoeg geweest, in de middag, om het landschap opnieuw van geur te voorzien. En ik rook die geuren, tijdens mijn korte avondrondje op de fiets; dat veel langer werd dan oorspronkelijk gedacht, omdat het weer ineens zo mild leek, relatief, dat het trappen vanzelf ging.

’s Winters mist er dus domweg een dimensie aan het buiten zijn. En niet eens alleen omdat mijn hoofd dan zo makkelijk vol snot komt te zitten.

Geuren maken de ruimte buiten zo veel groter, en aanweziger.

’s Winters dringt hoogstens de meest penetrante geur nog door tot het bewustzijn. Autobussen die zwarte dieselrook uitstoten. Kwade walmen van het stinkfabriek bij Burgum, waar de kadavers van dieren worden ontleed.

Al herinner ik me toch ook een tochtje tussen kerst en nieuwjaar een paar jaar terug, toen me al vanaf Terherne een prettige koffiegeur tegemoet waaide van de Douwe Egberts in Joure. Dat maakte me toen dorstig.

Nu is voor mij de constatering niet nieuw dat fietsen in de winter dwingt tot een innerlijke migratie. Als er amper 7½ uur daglicht is, moeten vele kilometers in het donker worden afgelegd. Waarbij er niets te zien valt. Dus luister ik dan doorgaans naar podcasts.

Dwingt het weer vaak toch al tot het buitensluiten van de elementen, tot winddichte jassen en broeken, en handschoenen aan. Hoogstens mijn gezicht is dan nog bloot.

Toch, dat ook ik uitbot in de lente, en mijn zintuigen dan weer proeven kunnen aan de wereld, is iets dat blijkbaar wel ieder jaar opnieuw ontdekt moet worden.


Samen
Te fietsen | week 09

In een boeklogje over een bloemlezinkje uit het werk van Renate Rubinstein schreef ik dat me de eenzaamheid zo opviel die het opgenomen materiaal uitwasemde. Steeds was er een vrouw alleen aan het woord, die alles wat op haar af kwam zelf maar had op te lossen.

Nu kwam deze observatie toevallig goed overeen met wat ik wist over Renate Rubinstein, die de laatste decennia van haar leven alleen woonde.

Tegelijk kan zo’n opmerking absoluut niet. Omdat schrijven allereerst reduceren is; uit elke tekst wordt weggelaten wat er niet toe doet. Al het goed is. En familieomstandigdheden doen er zelden toe voor het eigenlijke verhaal.

Want ik besefte door zo over Rubinstein te schrijven ineens heel goed dat precies hetzelfde over de reeksjes Te fietsen is te zeggen, om over boeklog nog te zwijgen. Ik heb het hierin namelijk nooit over de keren dat ik mét iemand fiets. Terwijl dat nu toch steeds vaker gebeurt.

Hoogstens heb ik het hier in negatieve zin gehad over fietsen met anderen — door de niet heel gelukkige herinneringen aan mijn eerdere fietsleven, toen ik weleens deel uitmaakte van een pelotonnetje vol testosteron, dat elkaar veel te veel opjutte.

Heel veel valt er ook niet te zeggen over het fietsen in iemands gezelschap. Domweg omdat het fietsen dan anders beleefd wordt. Ik ben dan geen bewegend onderdeel van het landschap. Want ik ben dan allereerst gezelschap. Op een fiets. De aandacht is voortdurend op die ander gericht. Alleen al om elkaar niet per ongeluk omver te rijden.

Moest ik wel toegeven dat het goed is om zo af en toe met iemand te rijden die wel nog grote doelen nastreeft, en daartoe dan domweg kilometers wil maken. Zeker als het lichaam redelijk getraind is, en je geleerd hebt om op tijd te eten en drinken, dan vergt meerdere uren aan fietsen enkel nog een geestelijke inspanning. En die is in deze koude maanden makkelijker op te brengen als een ander ook rijden wil.


IPWR
Te fietsen | week 10

Er speelt op het moment van alles in het wereldje van het lange-afstandfietsen, en ik merk daar toch niet echt in geïnteresseerd te zijn.

Zo is Steve Abraham opnieuw begonnen met een poging om zo veel mogelijk kilometers te fietsen in een jaar. Exact twee jaar nadat zijn eerste poging eigenlijk strandde; omdat een brommer hem omver reed en hij zijn enkel daardoor brak.

In 2015 was dat nog wat, die eerste aanval op dat jaarrecord. Ook al omdat dit onnoemelijk scherp stond; terwijl het toch al uit 1939 stamde. Ik heb de inspanningen van Abraham en zijn concurrent Searvogel toen redelijk intensief gevolgd.

Maar ondertussen rijdt in de VS ene Amanda Coker al maanden dagelijks honderden kilometers af op een afgesloten circuit van 7 mijl, met een gemiddelde van boven de 32 km/u. En ze reduceert het jaarrecord fietsen al doende tot de onzin die het eigenlijk is.

Iemand is bezig een jaar uit zijn of haar leven op te offeren, om een saai record te zetten dat bijna niemand iets zegt. Om het daarna ongetwijfeld weer heel rustig aan te gaan doen met de fiets.

Jaarrecords zeggen mij voortaan hoogstens iets als iemand elk jaar fietst, en dit ook blijft doen, en zich daar dan eenmaal opvallend in verbetert. Tegelijk heb ik aan mijn eigen jaarafstanden gemerkt dat het weer van veel grotere invloed is op het tal afgelegde kilometers dan mijn fietskwaliteiten.

Nee, dan de Indian Pacifici Wheel Race (IPWR) van het moment — een non-stop fietsrace van 5460 kilometer langs de zuidkant van Australië tussen Perth en Sydney. Die een crime om te doen is vast, door alle kaarsrechte wegen. En toch spreekt zo’n evenement dan wel tot de verbeelding, omdat ik weer een paar keer dag aan dot-spotting kan doen online.


Zomertijd
Te fietsen | week 11

Dat ene uurtje daglicht extra aan het einde van de dag, als het ondertussen lente is geworden… Misschien begint het fietsjaar voor mij pas echt als de klokken naar zomertijd zijn gegaan. Want dan kan ik er na het eten nog even rustig op uit.

Bij goed weer tenminste. Die luttele zeven maanden van het jaar. Fietsen moet geen werk gaan worden.

En altijd na zessen pas. Omdat ik dan de ruimte buiten tenminste niet hoef te delen met al het onbeschaafde volk met hun rothaast om thuis te komen, dat juist op smalle weggetjes veel te hard rijdt in hun vervuilende spamblikken.

Zeker als ik dan spontaan anderhalf uur, of twee, weg ben geweest, is het heel prettig thuiskomen. Er hoeft dan namelijk verder niets meer op zo’n dag. Ontspanning is ingetreden, en daar ging het om. Misschien. Kan ik best nog een boek lezen, of wat, e-mails schrijven desnoods. Alleen is er geen plicht om dat te gaan doen.

’s Winters kan zo’n avondrondje natuurlijk net zo goed. Op de dagen dat het wel prettig is om buiten te zijn. Alleen ben je in dat jaargetijde verplicht om lampen op je fiets te hebben, en spatborden vaak ook. En bovendien is winterfietsen een zo veel meer naar binnen gerichte daad als lentefietsen of zomerfietsen; omdat de wereld zo goed mogelijk buiten wordt gesloten dan.

In de winter is het zo veel moeilijker om tot onthechting te komen onderweg. De inspanning, zowel fysiek als geestelijk, weegt dan al gauw te zwaar door.