Ynhâld fan ’e fietsen 2012-side

  1. Te fietsen | week 01  de Clubman01/2012
  2. Te fietsen | week 02  de toerfiets01/2012
  3. Te fietsen | week 03  framing01/2012
  4. Te fietsen | week 04  marsepein01/2012
  5. Te fietsen | week 05  niet fietsen02/2012
  6. Te fietsen | week 06  winterfietsen02/2012
  7. Te fietsen | week 07  routine02/2012
  8. Te fietsen | week 08  verlicht02/2012
  9. Te fietsen | week 09  viez03/2012
  10. Te fietsen | week 10  aandrijving i03/2012
  11. Te fietsen | week 11  de leegheid van die levens03/2012
  12. Te fietsen | week 12  luchtigjes03/2012
  13. Te fietsen | week 13  gebruiksartikel03/2012
  14. Te fietsen | week 13  gebruiksartikel 203/2012
  15. Te fietsen | week 14  meeleven04/2012
  16. Te fietsen | week 16  meeleven 204/2012
  17. Te fietsen | week 17  Zzipper04/2012
  18. Te fietsen | week 18  trapfrequentie05/2012
  19. Te fietsen | week 19  zadelpen05/2012
  20. Te fietsen | week 20  tegenwind05/2012
  21. Te fietsen | week 21  restauratie05/2012
  22. Te fietsen | week 22  zweven05/2012
  23. Te fietsen | week 23  houding06/2012
  24. Te fietsen | week 24  routine ii06/2012
  25. Te fietsen | week 25  regen06/2012
  26. Te fietsen | week 26  kilometers06/2012
  27. Te fietsen | week 27  peloton07/2012
  28. Te fietsen | week 28  regen ii07/2012
  29. Te fietsen | week 29  regen iii07/2012
  30. Te fietsen | week 30  lek07/2012
  31. Te fietsen | week 31  doorweekt07/2012
  32. Te fietsen | week 32  val08/2012
  33. Te fietsen | week 33  ergonomie08/2012
  34. Te fietsen | week 34  rijwind08/2012
  35. Te fietsen | week 35  vlug08/2012
  36. Te fietsen | week 36  vlug ii09/2012
  37. Te fietsen | week 37  drinken09/2012
  38. Te fietsen | week 38  e-bike09/2012
  39. Te fietsen | week 39  honds09/2012
  40. Te fietsen | week 40  verlicht ii10/2012
  41. Te fietsen | week 41  voorrang10/2012
  42. Te fietsen | week 42  demi-saison10/2012
  43. Te fietsen | week 43  centuries10/2012
  44. Te fietsen | week 44  speel goed10/2012
  45. Te fietsen | week 45  tracé11/2012
  46. Te fietsen | week 46  meten11/2012
  47. Te fietsen | week 47  routine ii11/2012
  48. Te fietsen | week 48  100 Watt11/2012
  49. Te fietsen | week 47 bis  routine iii11/2012
  50. Te fietsen | week 49  regen iv12/2012
  51. Te fietsen | week 50  Alex Moulton [1920 – 2012]12/2012
  52. Te fietsen | week 51  koufront12/2012
  53. Te fietsen | week 52  claustrofobie12/2012
  54. enkel voor navigatie op de website  click op de links voor meer12/2012

© eamelje.net 2001-2014. Alle rechten voorbehouden. All rights reserved

 

Te fietsen | week 01
de Clubman

Kon ik alles nog wel af met mijn bescheiden verzameling rollend materieel? Dat was de vraag die zich opdrong vorig jaar, nadat ik weer in fietsen geïnteresseerd raakte, als bezigheid om te doen.

Maar eigenlijk klopte die vraag zo niet. Eerst moet er een doel zijn om die fiets voor te gebruiken. En aan dat doel zijn dan ideale eigenschappen te koppelen. En vervolgens past daar weer éen type fiets het beste bij.

Deze gedachtegang leidde tot de conclusie dat ik het liefst van al nog eens een Clubman zou bezitten. Een relatief lichte fiets derhalve, van hoogstens een kilo of twaalf. Met een interne versnellingsnaaf achter, vanwege de mooie rechte kettinglijn, en om zo het noodzakelijke onderhoud flink te beperken. Want, het zou geen verschil mogen maken of het nu zomer of winter was wanneer ik het ding gebruikte. En een racestuur of in elk geval een laag stuur was zeker een vereiste — voor de passages door de polders met hun eeuwige tegenwind. Maar de geometrie moest wel aanzienlijk relaxter zijn dan die van de standaardracefiets; om al te nerveus stuurgedrag te vermijden.

De Clubman kwam direct na de Tweede Wereldoorlog in Groot-Brittannië op als model. Elk merk had daar fietsen die zomers te gebruiken waren om clubraces mee te rijden, of lange tochten mee te maken. ‘s Winters schroefden de eigenaars er dan spatborden op, hingen ze een grote tas aan het zadel, en werd er ook wel verlichting gemonteerd. En zo had zo’n rijwiel het hele jaar nut.

Maar de Clubman leek niet meer te worden gemaakt. Of alleen als een soort replica door kleine fabrikanten. Tot ik het model T200 Reims ontdekte, van de autofabrikant Cooper, die ook wat aan fietsen er bij doet. En begeerte mij toch even aanraakte.

Bleef staan dat ik de prijs aan de hoge kant vond, en geen winkel in de buurt het ding had, zodat er niet even ergens was proef te rijden.

Al is erger nog dat niet zo maar spatborden te monteren zijn.
 

 


Te fietsen | week 02
de toerfiets

Fietsen is een werkwoord met een lading die voor iedereen anders ligt. Ook al omdat in Nederlands fietsen vaak zo gedachteloos gebeurt. Men moet even ergens heen, en dat gaat hier dan al gauw het snelst en makkelijkst op de fiets.

In de meeste landen elders is het autoverkeer niet gewend om de weg te moeten delen met andere voertuigen. Fietsen wordt daar dan al gauw een avontuur. Fietsen is er een activiteit waar men zich speciaal voor omkleedt, in meerekkende kunststof, en waarbij een helm wordt opgezet.

Als ik aan fietsen denk, is het meestal meer in die buitenlandse betekenis dan in de Nederlandse.

En omkleden doe ik weliswaar zelden, laat staan dat ik een helm erbij opzet, maar fietsen zonder gereedschap mee te hebben om een band te verwisselen of een ketting te verbinden voelt nogal naakt.

Aan fietsen moet enige inspanning kleven, plus de onzekerheid of het wel mogelijk is om de hele afstand zonder problemen te rijden. En daardoor ontstaat er altijd een warm gevoel van opluchting als de bestemming bereikt is.

Om die voldoening gaat het ook. Naast de beweging. En het onderweg zijn.

Misschien dat ik hetzelfde zou schrijven over wandelen, als te voet gaan niet zo veel tijd zou kosten. Aan wandelen kleeft verder het nadeel dat elke stap zelf gedaan moet worden. Een fietser kan zich tenminste nog eens zonder inspanning van een heuveltje laten uitdrijven, die rijdt ook zonder te trappen soepeltjes van een viaduct. Het wiel is een werkelijk prachtige uitvinding.

En fietsen houdt zich aan een heel menselijke maat bij het afleggen van afstanden, ondanks de inzet van techniek. Iedere afgelegde meter hoort bij de belevenis van de inspanning. Anders dan bij het autorijden — waar de lange afstanden passief worden afgelegd in een omgeving met zo weinig mogelijk prikkels. Of anders dan het openbaar vervoer, dat nooit voor jou alleen rijdt, en je daarmee automatisch tot nummer maakt.

Daarom interesseren me eigenlijk alle verhalen, van iedereen die op de fiets stapt met een ander doel dan de eigen omgeving. En tegelijk gaat het daarbij ook weleens mis.

Toen de BBC de fiets toonde waarmee TV-presentator Helen Skelton naar de Zuidpool wil rijden, braken prompt overal online debatten los. Die helaas dezelfde lijnen volgden die vrijwel al deze discussies hebben.

De fiets deugde niet voor zijn taak, zo heette het. Waarbij het voornaamste bezwaar in het hoge gewicht zat. Alleen bestaat er geen fiets waarmee iemand de wereld intrekt waar een ander niets op aan te merken zou hebben. Wat vaak is omdat iemand veel geld heeft betaald voor een eigen reisexemplaar, en daarom de eigenschappen van zijn bezit heilig heeft verklaard.

Nu zijn discussies over techniek niet altijd zinloos. Maar als ik me daar aan bezondig hier, is dat om na te gaan waar mijn vooroordelen zitten.

Allereerst gaat fietsen toch echt om het zorgeloos onderweg zijn, en het ontspannen arriveren. Voldaan.

 


Te fietsen | week 03
framing

Het belangrijkste onderdeel van de fiets is het wielenpaar. Wielen moeten simpelweg altijd recht blijven, probleemloos draaien, en toch soepel de problemen oplossen die de weg opwerpt. Daarom zou vrijwel iedereen het prettigst rijden op dikke worstenbanden. Zulke banden hebben de minste rolweerstand. En ze dempen alle onregelmatigheden weg.

De enige groep die problemen heeft met de worstenband, zijn de types die zo snel als kan willen fietsen. Racefietsers gaat het namelijk eerst om een laag gewicht, en zo weinig mogelijk luchtweerstand. Dus nemen ze voor lief dat de vingerdikke tuubjes waar zij op rijden ongenadig hard kunnen doorgeven hoe de weg er bijligt.

Toch gaat het bij de discussies over wat nu de beste fiets is nooit over de wielen. Of hoogstens luidt nog weleens een vraag of 26 inch-wielen voor sommige toepassingen niet beter zijn dan 28-inch.

Waarschijnlijk is er te weinig op te scheppen over wielen zonder dat het meteen heel technisch wordt.

Gediscussieerd wordt er daarentegen wel altijd over het frame, en wat dan het meest ideale materiaal zou zijn om een fiets van te maken. Terwijl ik dat nu een werkelijk heel onbelangrijke kwestie vind. Omdat bijna elke oplossing werkt.

Zoek maar even online, en zie dan dat er prachtige en weinig wegende fietsframes te maken zijn van de meest uiteenlopende materialen. Er is een Japanner die ze uit mahonie maakt. Onder zelfbouwers is bamboe tegenwoordig heel geliefd. Het traditionele materiaal was natuurlijk altijd staal. Maar aluminium heeft als voordeel dat het niet wegroest. Carbon-fietsen zijn erg licht van gewicht.

En misschien is titanium wel het meest ideale materiaal om een fiets van te maken. Het heeft alle voordelen van aluminium en geen van de nadelen, zoals het gebrek aan flexibiliteit, maar is nog lichter, en gedraagt zich als het op schokdemping aankomt nog beter dan staal.

Alleen. Zo’n eigenschap als die goede schokdemping valt dus echt pas op als de wielen te veel van de weg doorgeven aan de fiets.

Dus telt er voor mij eigenlijk maar éen ding als ik naar fietsen kijk. Hun esthetiek. Waarbij dan heel simpel geldt dat ik opgroeide in een tijd dat alle fietsen nog van staal waren. En dat de fietsen waar ik naar lustte van staal waren. En deze liefde alles verkleurt.

Van zo’n plastic fiets, hoe duur het frame ook mag zijn — en de Look 695 is aan de prijs — vind ik de lijnen van het frame gauw veel te grof. In dit geval van de voorvork.

Plastic-fietsers vinden dan weer dat ik op een dranghek rijd. Maar die zijn meestal in een andere tijd groot geworden.

[wordt vervolgd]

 


Te fietsen | week 04
marsepein

Kennis is een merkwaardig goed. Ik ben opgeleid tot historicus, en werk weleens als journalist. En voor allebeide bezigheden geldt dat je je gauw en oppervlakkig nieuwe kennis moet leren eigen maken — al was het maar om te kunnen onderscheiden wat we menen zeker te weten, en wat juist nog niet bekend is.

Specialisatie, of diepgang, vindt daardoor zelden plaats. En meestal is dat geen probleem. Behalve dan in de confrontatie met een echte specialist. Omdat het zo verleidelijk is om op zijn of haar kennis te gaan leunen — terwijl dat eigenlijk niet zou moeten.

Tijdens alle jaren die ik nu nadenk over sport heb ik allerhande specialisten wijsheden horen vertellen waar achteraf meestal veel op af te dingen viel. Wat overigens allereerst betekent dat er nog heel erg weinig harde kennis is — misschien omdat de economische noodzaak voor die kennis ook nooit zo groot was.

En nu heeft Graeme Obree een boek geschreven over trainingsmethoden voor fietsers.

Obree is alleen al uniek omdat hij zich buiten de traditionele wielerploegen om tot een toprenner ontwikkelde. Zo verbeterde hij twee keer het werelduurrecord — beide malen door een lichaamshouding aan te nemen die de UCI inmiddels afkeurt.

Als over Obree iets op te merken is, dan toch zeker dat hij het experiment niet schuwt. En dus bestaande kennis niet voetstoots wenst aan te nemen.

Graeme Obree werd onlangs publiek geïnterviewd over zijn trainingsmethoden.  [1] Waarbij hij onder meer ademhalingsoefeningen deed met de zaal — omdat zijn theorie is dat vuile lucht zo gauw als kan uit de longen moet verdwijnen; dwars in tegen hoe de evolutie ons heeft leren ademen.

En de uitleg bij die ademhalingstheorie was jammer, omdat hij daarmee toch weer te veel de experimenterende autodidact leek; die niet gehinderd werd door een teveel aan benul.

Terwijl Obree tot dan zo veel zinnige dingen had gezegd. Zoals dat we tweeënhalf tot drie uur aan brandstof in onze spieren kunnen bergen — wat precies overeen komt met mijn ervaring. Of dat zelfs in de benen van Tour de France-renners 70% van de spiermassa dient om die energie op te slaan, en slechts 30% de kracht levert voor de voortgaande beweging.

Ook heeft hij uitgesproken ideeën over de voeding onderweg. Omdat fietsers doorgaans wel meer dan die tweeënhalf tot drie uur onderweg zijn, en dus die energiereserves onderwijl moeten aanvullen. En voor Obree begint het energie tanken al bij het kauwen, omdat dan enzymen aan het eten worden toegevoegd, en de verwerking van deze brandstof beter lukt.

Dus is het eten van zoiets simpels een stukje marsepein aanzienlijk beter dan het naar binnengieten van welk geoptimaliseerd gelletje of sportdrankje ook.

En nu vraag ik me af of ik Obree hierin wel geloof omdat hij net genoeg aanreikt om te kunnen wegen, met mijn kennis over de stofwisseling onder inspanning. Of dat ook mijn afkeer van mierzoete spullen als die gel het oordeel verkleurt.

Mijn voornaamste fietsvoedsel is momenteel overigens de Luikse wafel.

  1. Helaas heeft The Bike Show deze podcast niet meer online staan; anders dan daar normaal is. Wat ik natuurlijk pas ontdekte na deze woorden geschreven te hebben [ ]

Te fietsen | week 05
niet fietsen

Sinds ik weer met regelmaat fiets is ineens ook de weersverwachting van belang geworden in mijn leven. Om te weten wat er komen gaat vooral. Ik ben geen boer of schipper, voor wie het weerbericht kan bepalen hoe de rest van de dag eruit ziet. Er is weinig in mijn leven dat niet nog een dag wachten kan.

Iedereen praat over het weer, niemand doet er wat aan; en meestal is dat niet zo erg. Fietsen gebeurt alleen wel buiten.

Het heeft ook invloed gehad om een paar keer mee te maken wat het betekent, op de fiets, buiten ergens op de vlakte, als buitenradar de hele lucht daarboven blauw heeft gekleurd met regenwolken.

Het regent doorgaans maar zelden tijden door.

Omdat ik een beperkt tal routes rijd — mijn fietsen moet allereerst een doel hebben daarbuiten — heb ik die routes nu onder zo veel weersomstandigheden meegemaakt dat zelfs een windkracht zes of meer niet meteen afschrikt. Doordat de wind ook uit een goede hoek kan komen.

Zelfs al schijnt voor fietsers alleen de wind binnen een hoek van 90° van achter als wind mee te worden ervaren, en dus alles binnen een hoek van 270° van voren als tegenwind.

De enige vrees die me daarop overbleef, was die voor de winter. Met zijn kou, en zijn gladheid, en sneeuwtroep op de weg. Domweg omdat ik de ervaring ontbeer hoe het is om uren onderweg te zijn bij zulke omstandigheden.

Waarbij het punt nog niet eens is om er dan eenmalig een keer op uit te gaan.

Het viel me moeilijk om in te schatten wat ik zou gaan doen bij een langere periode met sneeuw op de grond.

Tegen vrieskou kan een mens zich nog enigszins kleden. Tegen gladheid in de bochten, verborgen omdat het donker is, ken ik geen verweer — behalve dan om niet te gaan fietsen. Net als dat er geen slechter moment is om pecht te krijgen onderweg dan in de winter.

Maar tot nu toe vielen de weersomstandigheden niet tegen deze maanden. Er was altijd wel een moment te kiezen waarop het een paar uur redelijk bleef. Zelfs tijdens de eerste natte weken in januari.

Deze week zou alleen een nieuwe keuze vergen. Durfde ik ook te gaan fietsen bij oostenwind en minstens 5° vorst? In de herfst hadden die omstandigheden nog onoverkomelijk geleken.

En toen nam mijn lichaam de keuze voor me, door ziek te worden. Zodat het ineens beter is om binnen te blijven. Aan te sterken, en weer energiereserves op te doen. En zoals het nu lijkt, is de ergste kou uit de lucht als ik weer naar buiten mag…


Te fietsen | week 06
winterfietsen

Als het moest, was het nooit een probleem om op de fiets te stappen en naar mijn bestemming te rijden. Ongeacht het weer. Ongeacht de temperatuur.

Fietsen gaat bijna altijd. Hoogstens is het uitkijken in de bochten bij gladheid, en moet er dan niet al te bruusk worden geremd. Hoogstens is het slimmer om niet langs een kanaal te rijden als de wind kan uithalen met flarden orkaankracht.

En ik heb zowat alle weersomstandigheden inmiddels meegemaakt, in de loop der jaren. Die konden weliswaar soms grote weerstand oproepen om te vertrekken. Maar eenmaal onderweg viel er altijd mee te leven.

Zelfs de keren dat het Siberisch koud was het afgelopen decennium, en ik naar kantoor moest vijftien kilometer verderop, verdween de ergste kou in mijn lijf na een paar minuten fietsen. En was het vervolgens slechts zaak om mijn vingers en tenen te blijven bewegen om daar enig leven in te houden.

Alleen heb ik mijn leven inmiddels grotendeels naar eigen smaak ingericht. Ik moet tegenwoordig zelden nog per se ergens op tijd zijn ’s ochtends vroeg. En daarmee is ook de verweking opgetreden.

Fietsen omdat het kan, roept een heel andere gemoedsgesteldheid op dan de plicht te fietsen omdat het moet.

Na afloop is de reactie ook anders. Want, de reis had niet zo hoeven worden afgelegd. Goed dus dat er een overwinning behaald is op de vrijblijvendheid.

Beginnen is alleen zo moeilijk; omdat een goede reden lijkt te ontbreken. De wetenschap dat fietsen goed is voor mijn gezondheid, of dat mijn humeur er zo van opknapt, is een verre abstractie vergeleken met de directe indruk van de onaangename omstandigheden buiten.


Te fietsen | week 07
routine

Is er eigenlijk al een robot die kan fietsen? [1] Ik volg de ontwikkelingen op dat gebied niet zo goed. Maar herinner me wel hoe opgetogen de wereld werd dat er eindelijk een robot was die op een aannemelijke manier kon lopen als een mens. En dat zelfs op een drafje kon, met zweeffase en al.

En nee, ik lach niet om zulk onderzoek. Dat levert altijd wel ergens nuttige kennis op voor hulpmiddelen waar mensen met beperkingen iets aan hebben.

Fietsen is nog wat ingewikkelder dan lopen, omdat het lichaam voortdurend correcties moet aanbrengen om niet te vallen. Kleine kinderen rijden daarom nog met zijwieltjes rond; die hebben zich de benodigde automatismen nog niet eigen gemaakt. [Al worden zulke steunwieltjes tegenwoordig afgeraden, omdat die de ontwikkeling van het natuurlijke evenwicht zouden verstoren.]

Ik blijf het opmerkelijk vinden hoe goed dat lichaam fietsen kan als de truc eenmaal geleerd is. Met of zonder iemand achterop. Met de handen aan het stuur of helemaal los. Elke variatie lijkt binnen een paar tellen normaal.

Fietsen gaat met enige ervaring zelfs zo gemakkelijk dat makkelijk te onderschatten is hoe veel inspanning er gedachteloos verricht wordt.

Zeker iemand die op fietsvakantie gaat, en dagelijks een redelijke afstand aflegt, moet eten als een bootwerker om de verloren energie weer aan te vullen. Een goedkope manier van vakantievieren is de fietsreis daarmee zeker niet.

Maar juist die ervaring, dat fietsen energie vreet, zal de meeste mensen vermoedelijk ontgaan. Weliswaar is Nederland wereldkampioen fietsgebruik, maar dat geldt alleen voor de hele korte ritjes, van rond de 2½ kilometer. Verder reikt de dagelijkse routine niet. De fiets voor alle vervoer benutten, is iets van een vroegere tijd, toen de mensen nog niet anders hadden.

  1. Ja dus. Al zijn de eerste meters moeilijk. [ ]

Te fietsen | week 08
verlicht

De fiets vond zijn volmaakte vorm al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Toen werd de ‘safety’ bedacht, met zijn ruitvormige frame, en zijn kettingaandrijving. Sindsdien rijden we vrijwel allemaal safeties. Alle verbeteringen die sindsdien aan de fiets zijn aangebracht zijn hoogstens verbeteringen op details.

Niet dat deze stapjes voorwaarts niet voor meer fietsplezier zorgen. Mij lijken bijvoorbeeld de banden van dit moment aanzienlijk beter dan die van slechts enkele decennia terug. Blijft alleen staan dat de luchtband als vinding ook al stamt uit dezelfde negentiende eeuw.

Maar het gebied waarop in de twintigste eeuw de grootste technische vindingen zijn gedaan, is nu net de elektronica. En aan een fiets zit doorgaans die elektronica niet. Dus ging er tot nu toe veel grote en fundamentele progressie aan het rijwiel voorbij. [1]

Pas sinds LED’s — light-emitting diodes — worden toegepast in fietslampen lijken de grootste uitvindingen uit de negentiende en de twintigste eeuw elkaar te hebben gevonden.

Door LED kan een fietser tegenwoordig een betere koplamp hebben dan de gemiddelde motorrijder heeft. Mits deze fietser daarbij wat accu’s meesleept, en er rekening mee houdt dat die het licht hoogstens een paar uur brandende houden.

Voor mij hoeft het allemaal niet zo overdreven. Ik ben heel blij met wat een gewone naafdynamo en een LED-lamp aan licht kunnen genereren, zonder dat ik daar ook maar een trap harder voor hoef te doen. Zes volt, bij drie watt, levert al een indrukwekkende bak licht op, als een kwalitatief goede lamp wordt gebruikt.

Daardoor is het voor mij ineens normaal geworden om ook tijdens de avond of de nacht te fietsen; die in de winter al zo vroeg vallen. Ik hoef niet meer in angst te zitten of andere weggebruikers me wel zien. En ik weet zelf ook genoeg te kunnen waarnemen.

Het blijft telkens een mirakel om te zien dat reflectoren honderden meters verderop al oplichten voor mijn komst.

  1. Goed, tegenwoordig bestaan er dure versnellingssystemen die elektronisch schakelen. Deze werken op een batterij.  [ ]

Te fietsen | week 09
viez

Ergens einde negentiende eeuw duikt ineens het woord fiets op in het Nederlands. De oudste vindplaats schijnt uit 1882 te stammen. Maar in de bloemlezing uit de eerste 25 jaar van fietsblad De Kampioen komt het woord pas veel later voor. En dan eigenlijk alleen in samenstellingen, zoals ‘fietsreis’. Bij de keurige A.N.W.B. had men verder een duidelijke voorkeur voor ‘rijwiel’ en ‘wielrijders’. Terwijl die woorden anderhalf decennium jonger zijn volgens een bron hieronder.

De herkomst van dat ‘fiets’ is evenwel onbekend. En dat steekt de taalkundigen. Want het woord is nieuw, en helemaal nergens tot terug te leiden, terwijl de fiets toch zo’n moderne vinding is.

Dus duiken er telkens weer nieuwe ideeën op over waar het woord vandaan kan komen. Vorige week kwam een theorietje van twee Vlaamse wetenschappers in het nieuws.

Eén van hen had ergens in het Duitse cider gedronken. Dat drankje heette daar Viez, van wijnvervanging, ofwel Vize-Wein. En die associatie leverde daarop een heel bouwwerk op aan theorettes die er uiteindelijk toe leidde dat het woord fiets volgens Gunnar de Boel en Luc de Grauwe stamt van reservepaard [pdf], want leek Vize-Pferd ook al niet op Velocipé?

Taalkundige Jan Stroop weefde snel af met al deze onbewezen mallepraat. Als fiets of een variant daarvan al ergens in Duitsland gebruikt is in de negentiende eeuw, dan komt dat door Nederlandse invloed, en niet andersom.

Anderen wezen erop dat de herkomstdiscussie al sinds eind negentiende eeuw gevoerd wordt. Het digitale krantenarchief van de KB levert zelfs verwijzingen op uit die oertijd. In 1901 verwees het A.N.W.B.-lid Koenen bijvoorbeeld naar de bewondering van de dichter Gorter voor het woord ‘fiets’ Al in 1881 deed het woord hem denken aan hoe geruisloos de pas ingevoerde hoge Engelse fietsen plotseling langs konden rijden.

Later claimt een A.N.W.B.-archivaris in retrospect ook dat ‘fiets’ een klanknabootsend woord is, bedacht rond 1870 door een kostschoolleerling.

En mij, ach mij amuseert dit eeuwige debat allereerst. Veel van de woorden die we gebruiken zijn zo oud dat uitgesloten is dat daar ooit van wordt gevonden hoe ze ontstonden. Want zeggen dat iets uit het Latijn stamt, of het Sanskriet, plaatst het herkomstprobleem alleen maar naar achteren. Want, waar hadden die talen dat woord dan weer weg?

Hier kan iedereen mee leven, maar met het gegeven dat de oorsprong van ‘fiets’ onbekend is dus niet.

Maar misschien is het interessantst nog wel dat niemand meer ‘rijwiel’ gebruikt. Dat het ene Nederlandse woord duidelijk verloren heeft van het andere. Of dat ‘kar’ waar het allemaal mee begon om de fiets te benoemen alleen nog gebruikt wordt als ‘karretje’.


Te fietsen | week 10
aandrijving i


foto uit het publiek domein, bron

Sinds begin deze winter kijk ik regelmatig op Marktplaats naar een goede tweedehands fiets met een kettingkast. Fietsen komt nu eenmaal met een voortdurend onderhoud aan de draaiende delen. Dat is zelden leuk werk. En vooral bij fietsen met een derailleur moet de ketting soms elke dag worden schoongemaakt in de winter.

Bovendien is de slijtage aan een open ketting in een natte winter, als er veel gestrooid wordt op de wegen, in een week al groter dan de rest van het jaar samen.

Maar het aanbod aan gebruikte fietsen met kettingkast valt me niet mee. Weliswaar zijn er genoeg modellen op de markt met een klassieke Sturmey Archer-naaf, maar zo’n fiets met drie versnellingen blief ik eigenlijk niet. Daarvan heeft de kleinste versnelling alleen nut om snel op te trekken na een rood stoplicht. En de grootste versnelling werkt alleen leuk bij wind in de rug.

Fietsen is bij mij een zaak van trapfrequentie. Ik trap liever altijd even makkelijk dan dat ik per se altijd dezelfde snelheid wil houden. Mijn derailleurfietsen hebben me daarbij geleerd dat vier à vijf versnellingen eigenlijk wel volstaan voor het rijden door polderland. Als die versnellingen slechts ietsje van elkaar verschillen tenminste.

De aangeboden 7- en 8-versnellingfietsen op Marktplaats bekoren al evenmin bijzonder. De standaard Nederlandse fiets is me namelijk een veel te plomp ding geworden, van zeker twintig kilo zwaar, en overdreven aluminium frames. En er wordt weinig anders aangeboden.

Bovendien heb ik inmiddels bijgeleerd over de voor- en nadelen van de verschillende soorten aandrijvingen.

Met een goed gesmeerde ketting kan een derailleur tot 98% rendement halen.

Zit de versnelling in de naaf, dan is dat gauw tien tot twintig procent lager. Vooral Shimano’s 7-versnellingnaaf bleek een berucht laag rendement te hebben van rond de 80%, door het ontbreken van een directe aandrijving. Van wat de fietser er aan energie in stopt, gaat 20% verloren aan wrijving van de tandwielen in de naaf.

Ook bleken versnellingsnaven lang niet zo onderhoudsvrij te zijn als altijd wordt geclaimd. Alleen zal dit de meeste fietsers niet opvallen, omdat ze domweg de kilometers niet maken om op problemen te stuiten. Maar een beetje fietser zal om de drie maanden de olie in zulke 7- en 8-versnellingsnaven moeten vervangen.

Toch heeft mijn speurtocht iets opgeleverd. Er blijkt ineens een derde oplossing te bestaan.

Gazelle heeft nu de Friiik uitgebracht. En dat is eerste derailleurfiets met een kettingkast. De ontwerpers hebben daarvoor gewoon de kettingspanner losgehaald van het mechanisme dat van tandwiel naar tandwiel schakelt. Simpel. Het ei van Columbus. Maar nog wel duur.
 


Te fietsen | week 11
de leegheid van die levens

Vele malen las ik De renner van Tim Krabbé. En nooit leverde de beginselverklaring uit de openingsparagraaf daarbij problemen op:

Meyruies, Lozère, 26 juni 1997. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

Hoogstens zal me zijn opgevallen dat iedereen zulke ideeën wel heeft, maar dat ze zo zelden worden uitgesproken. Persoonlijke keuzes algemeen maken, en die daarmee uitroepen tot de beste keuzes, gebeurt alleen overal.

De voetbalfan snapt niet dat iemand geen lievelingsclub kan hebben. De autoliefhebber lacht schamper om de vrouwen die geen merk van het andere kunnen onderscheiden. De gelovige begrijpt de ongelovige niet. Principieel niet.

Het TV-programma Benali Boekt besteedde afgelopen weekend aandacht aan De renner. En daarbij bleek dat de schrijver die beginselverklaring meteen wilde uitspreken in het boek. Alleen duurde het even voor hij de juiste formulering had teruggebracht tot de huidige zeven woorden.

Op de still hierboven is te zijn dat er in een vroege versie stond:

De belachelijke zinloosheid van hun levens grijpt me diep aan. Het is mij niet duidelijk hoe mensen die niet aan wielrennen doen voor zichzelf kunnen volhouden dat hun leven een zekere betekenis heeft.

Schrijven is schrappen. Voor de meesten.

Tegelijk heeft Krabbé’s beginselverklaring ook iets grappigs binnen de Nederlandse verhoudingen. Iedereen fietst hier, gewoon om van A naar B te komen. Slechts heel weinig mensen met een fiets kiezen ervoor om in wedstrijdverband hard te gaan fietsen. De meerderheid weet wel beter dan om zich ongenadig te gaan inspannen. Dat een kleine fanatieke minderheid daar wel voor kiest, en die keuze verheiligt, maakt ze ook aandoenlijk.

Bij vele wielerkoersen ligt de start toch gewoon op dezelfde plek als de finish.

Krabbé’s woorden krijgen alleen een andere lading in een buitenlandse context. In de VS bijvoorbeeld, waar slechts gekken en fanatici de fiets als middel gebruiken om van A naar B te komen. Waar de fiets voor de meesten eerder iets is als hier de surfplank. Leuk om eens uit het berghok te pakken op een mooie zomerse dag.

Alle fietsers weten daar tot een kwetsbare minderheid te horen, die met regelmaat door automobilisten beschimpt wordt. De beleving is er daarom anders.

Toen ‘Velouria’ van het veelgelezen weblog Lovely Bicycle! onlangs The Rider las, moest ze het boek meteen na de eerste alinea wegleggen.

In the course of my own life, I’ve been fortunate enough to live and work in the midst of various “important” people – researchers dedicated to finding treatments for diseases, rescue workers in war-torn countries, politicians who have the power to effect change with a single signature, and fine artists whose work is exhibited in the worlds’ greatest museums. Not once have I heard any of them refer to others’ lives as empty. If anything, they often question their own choices and complain that their work is not as fulfilling in reality as they had imagined it would be. I’ve also known serious athletes, who, while passionate about their sport, were not consumed by it to the exclusion of all else. But I do know roadcyclists whose thoughts reflect that famous sentence in The Rider. In fact I’ve met quite a few.

Wie zei ook weer dat vertalen onmogelijk is?

zie de uitzending van Benali Boekt »»


Te fietsen | week 12
luchtigjes

Een week is het prettig lenteweer, en meteen schrijven de kranten dat we de warmste maand maart ooit beleven. Dit is een mechanisme die ik nooit zal begrijpen. Dat zelfs het weer inmiddels niet meer kan worden gebracht zonder sensatiezucht en dramatisch overstatement.

Gemiddeld weer bestaat alleen in de statistieken. Een gewoon patroon aan weer bestaat niet. De aarde staat nu eenmaal wat scheef. Daarom varieert er van alles, het hele jaar door.

Al neemt deze relativering niet weg dat ook ik blij ben met iets hogere temperaturen. Kleding belemmert de beweging, en winterkleding al helemaal. Dus hoe minder laagjes ik hoef aan te trekken, hoe liever het me is.

Deze winter is me wel opgevallen dat het nog niet eens de kou was die ik onprettig vond. Met de kou viel namelijk doorgaans goed te leven.

Maar een gevolg van lage temperaturen is simpelweg dat de lucht ‘dikker’ wordt. Waardoor de luchtweerstand tijdens het fietsen zo veel groter lijkt dan ‘s zomers. Bovendien ademt koude lucht moeilijker in — misschien omdat het lijf moeite moet doen om de lucht op te warmen voor die in de longen komt.

De grootste verandering die ik merkte toen het eenmaal weer boven de zes graden Celsius was geworden — gemiddeld, tijdens mijn fietsen — was hoe veel makkelijker ik ademde dan in de weken daarvoor. En hoe veel prettiger de reis daarmee werd.

Dit effect zal voorlopig nog wel even aanhouden. Acht graden voelde alweer prettiger dan zes. Tien graden vermoeide minder dan acht. Tot er vanzelf een grens wordt bereikt. De vroege lente nu maakt het hooikoortsseizoen waarschijnlijk lang. En hoewel ik geen hooikoortspatiënt ben, kan er elk jaar toch ook even een negatieve reactie komen op alle stuifmeel in de lucht.

En ooit zal het te warm zijn om te fietsen. Hoewel me dat in 2011 niet overkwam. Maar dan nog, zelfs hitte duurt hier altijd maar even, in dit gematigd zeeklimaat.


Te fietsen | week 13
gebruiksartikel

Fietsen hebben toch weinig nodig om er uit te zien als fiets. Een frame. Twee wielen. De hint van een zadel. Het is genoeg.

Pas bij nadere beschouwing van de foto hierboven valt op dat het stuur en de hele aandrijflijn ontbreekt. De ketting is weg. De cranks. Het kransje met tandwielen voor. De pedalen.

Ik besteedde zondagmiddag eindelijk eens dat uurtje om een fiets uit elkaar te halen die al jaren niet meer gebruikt werd; en in de weg stond. Vooral omdat die al zolang goed was om weg. Veel nuttige onderdelen leverde deze exercitie me niet op. Maar nu kan ik de fiets tenminste stukje bij beetje gewoon met het huisvuil wegdoen.

De fiets was een goedkope Raleigh mountainbike. Toen die nog fiets was. En mountainbikes zijn niet heel nodig hier op de vlakte van het oneindige laagland. Maar het type fiets is wel heel sterk, en heeft plezierig stevige wielen. Ik kocht het ding vooral om er veel bagage aan te hangen, en er dan mee op vakantie te gaan.

Dat idee bleef er altijd wat bij.

In plaats daarvan werd het ding een tijd ingezet in het woon- werkverkeer. Want dat er versnellingen op zaten, was wel handig. Alleen hoeft een fiets in die functie maar een paar natte winters mee te maken, en dan niet heel goed onderhouden te worden, om geheel te verslijten.

Een duurdere fiets, met betere naven, had dat regime hoogstens wat langer volgehouden.

Maar een duurdere fiets was misschien nog wel gerepareerd. Ondanks alles. Ondanks dat de bracket al voor de tweede keer versleten was, en de fietsenmaker waarschuwde dat hij voor reparatie een hele nieuwe bevestigingsgroef zou moeten inslijpen; omdat een goedkoop aluminium frame en stalen bracketcups zo vaak niet heel goed samengaan.

Gedachteloos gebruikt, zo moet het eindoordeel wel luiden. Deze woorden daarom een requiem noemen voor een fietsje is te veel eer. Mijn onverschilligheid lijkt me tekenender, en ook illustratiever voor hoe fietsen in Nederland gebruikt worden. Helaas.


Te fietsen | week 13
gebruiksartikel 2

En dan zet iemand precies dezelfde fiets, die je zelf helemaal hebt opgereden, en meegeeft met het oud vuil, vrijwel ongebruikt op Marktplaats.

Ik zou dus in de herkansing kunnen gaan.
 

Kunnen gaan.


Te fietsen | week 14
meeleven

De eerste voorjaarsweken brengen elk jaar meer dan alleen het plezier dat de gure winter voorbij is; en dat ik weer mag fietsen zonder jas. Dit zijn ook de weken van de grote wielerklassiekers. Met elk weekend een nieuw hoogtepunt.

Goed, Milaan – San Remo is een koers voor sprinters, die bijna driehonderd kilometer duurt, om toch altijd pas in de laatste driehonderd meter beslist te worden. Maar dan nog is de beklimming en de afdaling van de Poggio, flink voor het eind, elk jaar een spektakel.

De Ronde van Vlaanderen fascineert mij vooral om de drukte die de Vlamingen erom maken. Als ik in een jaar al Belgische kranten lees, dan is het om de eindeloos gedetailleerde voorbeschouwingen op deze Ronde. Zonder verder nu veel met deze wedstrijd te hebben.

Zondag wordt Parijs – Roubaix verreden. Ooit was dat mijn favoriete wielerwedstrijd, omdat de idiote kasseienwegen alle normale ploegentactiek verhinderen. Geen wielerwedstrijd is er meer een man tegen man gevecht. Inmiddels is me duidelijk dat daardoor meestel dezelfden winnen. En dat is juist saai.

De enige Nederlandse wielerklassieker heet de Amstel Gold Race, en die bestaat uit een wedstrijd waarvoor een parcours bij elkaar verzonnen is. Door het gebrek aan historie, en de willekeur van de route, interesseert deze wedstrijd mij het minst.

Mijn favoriete koers om te volgen, is al een tijd Luik-Bastenaken-Luik. Ik schreef daar vaker over. En het is mijn favoriet mede omdat ik de wegen ken waarover de wedstrijd verreden wordt. Zulke kennis is namelijk voor mij de extra dimensie die aan het wielrennen kleeft. De wedstrijden gaan over wegen die de rest van het jaar open zijn voor iedereen. Niet zelden heb ook ik daar al eens gereden.

En het is altijd heel merkwaardig om te merken hoe veel wegen in mijn geheugen staan opgeslagen, en hoe makkelijk dat besef op te roepen is tijdens het kijken naar wielerwedstrijden op televisie.

Is er nog het gegeven dat ook mijn hartslag versnelt in de finale van de koers, omdat ik met de sporters meeleef en om hun in spanning zit. Maar die kwaliteit is niet uniek voor het wielrennen.


Te fietsen | week 16
meeleven 2

Woensdag werd de Waalse Pijl verreden. Zoals elk jaar de Waalse Pijl verreden wordt op de woensdag tussen de Amstel Gold Race en Luik-Bastenaken-Luik. En ik was dat vergeten, voor het eerst in misschien wel vijfentwintig jaar.

Niet dat ik veel gemist heb. Wielerkoersen hebben tegenwoordig vrijwel allemaal hetzelfde patroon. Als er tot twintig kilometer voor de finish nog renners bijeen zijn, zijn er veel renners bijeen. Waardoor de wedstrijd telkens pas spannend wordt in de laatste minuten.

De Waalse Pijl volgt al jaren dat scenario. Die wedstrijd begint eigenlijk zelfs pas in de allerlaatste kilometer, als nog even een helling beklommen moet worden die voor het gevoel bijna loodrecht omhoog gaat. De Muur van Hoei.

En ik ken die Muur. Ook omdat ik nog eens speciaal op de fiets naar Hoei/Huy ben toe gereisd om deze helling te beklimmen. De lokale camping was er opvallend dicht bij een kerncentrale. Dat de warme douches er gratis waren, is iets dat ik daardoor niet meer vergeet.

Beklimming van die Muur viel nog niet eens tegen de eerste keer. Maar dat kwam omdat ik net dagen een fiets met bagage over Ardennenhellingen had gezeuld. Zonder fietstassen was alles opvallend veel makkelijker.

Een latere kennismaking maakte al meer duidelijk. Omdat ik toen vrijwel ongetraind aan de voet van de helling verscheen, en die ene kilometer omhoog zich toen wel tot in het oneindige leek uit te strekken.

Toen ik woensdagmiddag ontdekte de Waalse Pijl te zijn vergeten, waren de renners misschien nog wel bezig. Wellicht had ik nog best de laatste minuten van de koers kunnen meepakken. Om dan het enige te zien wat er toe deed: hoe mannen elkaar in een paar tellen kunnen smoren door zo hard als het kan bij een Muur omhoog te fietsen.

Alleen is zelfs een hevig slotakkoord niets waard zonder een symfonie vooraf. Ik moet in een wedstrijd zitten om de koers mee te kunnen leven. En dat inleven vergt een meditatie van zeker veertig kilometer wedstrijd; een uur waarin alleen de koers telt en anders niet.


Te fietsen | week 17
Zzipper

Een mens kan best met éen fiets volstaan. Zo’n ding kan veel. Maar wie veel fietst, merkt al gauw dat elke toepassing met zijn eigen eisen komt. En dat er dan eigenlijk geen fietsen zijn die alles kunnen.

Zulke mensen bezitten dan al gauw meer fietsen. Een heel oude om naar de kroeg of het station te rijden. Eentje om mee op vakantie te gaan. Eentje om mee door de eindeloze polder te snellen.

En juist in de winderige polder openbaart zich het best wat er niet deugt aan de traditionele fiets. Die is geheel niet aërodynamisch. Terwijl wind daar nu net de grootste tegenstander wordt.

Wie harder rijden wil, merkt namelijk meteen dat de tegenwind kwadratisch toeneemt met de snelheid. Daarbij geldt bovendien dat de kracht die vereist is om deze weerstand te overwinnen stijgt met een derde macht.

Geen betere fiets voor de polder daarom dan een ligfiets, met een klein frontaal oppervlak.

Maar geen beroerder ding om op te rijden eenmaal uit de polder dan een ligfiets in de stad.

Mede daarom heb ik nooit veel gevoeld voor het bezit van een ligfiets, laat staan een velomobiel. Hard rechtuit kunnen rijden, is wel een heel beperkte specialiteit.

En daarom overweeg ik al een hele tijd om eens een Zzipper windscherm te importeren. Omdat die de tegenwind zo aardig breken dat je op een gewone stadsfiets al menige vrijetijdsracer zult passeren.

Wat me tegenhoudt, is de moeite. En dat ik in Nederland nog nooit iemand met zo’n scherm heb zien rijden. Hoogstens hebben moeders weleens iets vergelijkbaars om hun kindje voorop uit de wind te houden.

Tegelijk geldt ook dat er geen conservatiever wereld dan de fietswereld bestaat. Waarin de wielerunie UCI het liefst zou zien dat iedereen nog op dezelfde stalen fietsen zou rijden als Eddy Merckx ooit deed. Hoeveel innovaties aan het frame zijn er inmiddels wel niet verboden voor wedstrijdrijders?

En dat er zo weinig aan fietsen verandert, komt natuurlijk ook omdat het oerontwerp bijna volmaakt is.

Bijna.


Te fietsen | week 18
trapfrequentie

De eerste fiets die ik — na lang sparen — kocht met versnellingen, had een typische poldercassette achter. Het grootste tandblad achter had eenentwintig tanden, het kleinste veertien. En dit gecombineerd met de traditionele 52 en 42-bladen voor leverde een fiets op die eigenlijk slechts goed op het vlakke was te gebruiken. Want zodra het heuvelachtig wordt is een tandwiel met minstens 28 tanden achter toch heel erg fijn.

Maar dat stoorde mij niet.

Wel had ik wat merkwaardige ideeën over versnellingen als jongetje van veertien, vijftien. Zo meende ik oprecht dat je om harder te gaan het best meteen naar een grotere versnelling kon schakelen.

Dat mijn bovenbenen daar dan van branden gingen, hoorde er bij. Wielrennen was afzien. Zo had ik gehoord.

Ik had indertijd zelfs een geliefde versnelling. 52 x 16.

Tegenwoordig word ik al moe bij de gedachte aan het gigantisch verzet dat ik als jongetje rondtrapte. Zelfs dat hele voorblad 52 zou al niet meer gemonteerd hoeven te worden. De 42 volstaat eigenlijk wel. Want wil ik sneller dan gaat eenvoudigweg de trapfrequentie een ietsje omhoog.

Het heeft lang geduurd, misschien, maar tegenwoordig maak ik zeker zo veel omwentelingen per minuut als een Lance Armstrong deed in zijn beste dagen. Het kleine molentje volstaat. Terwijl negentig revs per minuut geadviseerd wordt, haal ik er zo al honderd. Fietsen moet geen moeite kosten.

En dat alles komt vooral omdat snelheid inmiddels niet meer het belangrijkste is. De inspanning moet enkel zo weinig mogelijk inspanning kosten. Dus hijg ik er niet eens bij. Hoogstens is er enige transpiratie — maar dat komt ook omdat ik me gauw eens te warm kleed voor onderweg.

Neemt niet weg dat er fietsen zijn waarop rijden meer moeite kost dan andere.


Te fietsen | week 19
zadelpen

De fiets die ik eenendertig jaar geleden kocht, vol trots, raakte op een gegeven moment op. Alles wat draaien kon was versleten. Het frame werd al eens gelast, na een breuk. En de technologie van het ding was bovendien achterhaald door de tijd.

Daarom liet ik herstel op een gegeven moment na. De kosten wogen niet op tegen de baten. Dus werd het ding gepensioneerd, aan een haak in de schuur. Want meteen wegdoen was zonde; daarvoor hadden de fiets en ik te veel doorgemaakt al die kilometers tezamen onderweg.

Ruim tien jaar later kwam restauratie er alsnog van. Inmiddels was er zoiets als Marktplaats.nl ontstaan; waarop honderden landgenoten hun fietsen te koop zetten. En daar, in de mêlee, werden ook weleens identieke tweelingbroers en -zussen aangeboden van wat ik had.

Dus kocht ik voor een paar tientjes een donorfiets. Want daarmee werd een goede opknapbeurt ineens geen onnozele investering mee. Zelfs al is een amper bereden donorfiets ook niet heel gaaf meer na dertig jaar tijd.

De opknapbeurt leerde me veel. Het had bijvoorbeeld iets om losse kogels te kopen, voor het gebruik in het bracket of de wielnaven; met veel nieuw vet. Om uit al die losse onderdelen weer iets samen te stellen dat kwaliteit had, en waar zo weer leven in kwam.

Was er alleen nog dat kleine punt dat de aluminium zadelpen was vastgeroest aan het stalen frame van mijn oude fiets. Zoals zo vaak gebeurt met oude fietsen. Vet gebruiken, is bij alle onderdelen van die dingen een behoud.

Maar die oude zadelpen stond nog op de goede hoogte. En die was nog handig in gebruik ook, nuttig omdat er zo bij het verven van het frame éen onderdeel was waar geen verf op hoefde.

Het aluminium van de zadelpen was alleen wel erg lelijk geworden, door krassen die soms diepe littekens hadden achtergelaten. En er was nog dat andere gegeven. Dat de fabrikant het indertijd handig had gevonden om een slot aan een stalen kabel aan de pen te verankeren.

Dit slot was altijd extra balast geweest, omdat het echte dieven niet zal hebben kunnen afschrikken. Daar wilde ik ook weleens vanaf.

De laatste oplossing om vastgeroeste zadelpennen te verwijderen is om ze door te zagen, om dan nog eens over de hele lengte een zaagsnede aan te brengen. Zulks moet met de hand. Anders wordt het te moeilijk om te voelen wanneer er niet langer dan aluminium gezaagd wordt maar er in het staal van het frame.

Ik zag op tegen dat gedoe.

Daarom probeerde ik of het lukte om de pen uit het frame te slaan, door een mikpunt op de top van de zadel te monteren.

Dit lukte. Maar kostte tijd. En daarna paste de mooie glimmende nieuwe zadelpen niet; zelfs al heeft die dezelfde diameter als de oude. De wet van behoud van ellende had weer eens toegeslagen.

[wordt vervolgd]


Te fietsen | week 20
tegenwind

Nog niet eerder had ik meer dan honderd kilometer aan éen stuk gereden, sinds mijn terugkeer naar de fiets. Maar afgelopen weekend gebeurde dit wel. Twee keer achter elkaar zelfs, op opeenvolgende dagen. Met als bijzonderheid dat de harde wind die ik vrijdag tegen had op zaterdag gedraaid was, zodat die me weer tegemoet kwam. Om me daarbij weer voortdurend uit te fluiten.

De wind had al op vrijdag zullen draaien. Maar weerberichten zijn alleen goed in het achteraf verklaren van wat het weer was, en hoe dit zo kwam.

Toch was het probleem op beide dagen nog niets eens de tegenwind. Of tenminste niet direct. Op hedendaagse fietsen is altijd wel nog een lichtere versnelling te vinden, zodat de beweging zelf nooit tot harken hoeft te worden. Ook tegen de wind in is wel te fietsen.

Er ontstond alleen indirect een probleem. Door de permanente windmuur lag mijn snelheid niet zo hoog. Dus liet de vooruitgang op zich wachten. En wie zich dan op de kaarsrechte wegen in de Flevopolder waagt, beweegt zich vervolgens tergend langzaam door het meest vervelende decor denkbaar. Het landschap is er getekend met de lineaal.

En fietsen is allereerst toch een mentale bezigheid, omdat de inspanning geen moeite hoort te kosten.

Terug reed ik daarom om, in plaats de tientallen kilometers Niemandsland te trotseren waar de routeplanner van de Fietsersbond me door had geleid. Een tocht van dorp naar dorp had tenminste het voordeel dat het passeren van elk nieuw plaatsnaambordje een evenement was dat zich liet registreren. Een naam kon van de lijst worden afgestreept. Er was naar het volgende dorp uit te kijken. Kijk, de volgende kerktoren was al zichtbaar. Die kwam met elke trap dichterbij.


Te fietsen | week 21
restauratie

Nooit is een fiets schoner en mooier dan als het laatste onderdeel is gemonteerd, is afgesteld; en eindelijk de vingerafdrukken van het metaal kunnen worden geveegd. Even mag de fiets dan puur een object zijn. Terwijl het ding toch allereerst dient als transportmiddel.

Als het goed is telt straks wel de tocht, of de prestatie, maar moet de fiets onmerkbaar zijn functies hebben verricht.

Mijn oude Batavus Sprint rijdt nu weer zo strak en solide als in 1981, het jaar van de oorspronkelijke aanschaf. Daarvoor is wel een donorfiets opgeofferd, voor nogal wat onderdelen, en diende ik alsnog zakjes met losse kogeltjes aan te schaffen voor alle lagers.

Origineel is slechts nog het frame, de framepomp, de cups van het bracket en de trapas, en het balhoofdstel. Verder werd alles vervangen. Bovendien was het nodig om het frame te lakken. Er was roest onder de originele lak ontstaan, waardoor die bubbelde op nogal wat plaatsen. Wegschuren kon nog betrekkelijk makkelijk. Maar het frame eiste daarna wel nieuwe bescherming.

En natuurlijk kan zo’n restauratie eigenlijk niet uit. Om het geld, of de moeite. Zo bijzonder was het origineel niet — geen verzamelaar zou er iets voor gegeven hebben. En een nieuwe fiets is ook al snel een stuk lichter in gewicht.

Maar mij leerde het proces bijvoorbeeld veel over fietsen en hoe ze in elkaar zitten.

Bovendien is de fiets na alle moeite waarschijnlijk beter dan die ooit was. Zo ben ik blij dat bijvoorbeeld de remmen tegenwoordig een stuk krachtiger zijn dan ze in de jaren tachtig waren; en dat die goede remmen zelfs op oude fietsen passen.

Waarbij de frames van oude stalen fietsen dan weer fijn de ruimte bieden om dikke banden te monteren, anders dan de racemonsters van tegenwoordig toelaten. En vette banden rijden aanzienlijk comfortabeler dan dunne harde racebandjes als het allemaal niet op racetempo hoeft.

Maar het meest opvallende aan mijn oude fiets is dat mijn ideeën over hoe een fiets eruit hoort te zien zijn veranderd. De dunne buisjes van de staande achtervork lijken nu wel heel erg iel, de voorvork zelfs belachelijk dun; helemaal door de dikke banden.

Zowiezo is vreemd dat pas bij een foto opvalt dat de voorvork zo relaxed is gemaakt dat de bovenbuis van het frame ‘sloping’ is, maar dan wel de andere kant op als tegenwoordig gebruikelijk. Terwijl de fiets toch ook zo al in de folder stond indertijd.


Te fietsen | week 22
zweven

Het lijkt een simpel trucje; een ideetje dat misschien even jaloers maakt omdat jij het niet had; een gimmick die na een paar tellen al doorzien wordt.

Zhoa Huasen nam een stuk of wat straatfoto’s vanaf een hoog standpunt, zodat er lekker veel grijs aan asfalt als achtergrond kwam. Daarmee werd het relatief makkelijk om de fietsen weg te photoshoppen waarop de mensen in de afbeeldingen reden.

Maar door telkens de schaduw van de fiets te laten staan, werd bij nadere beschouwing het wonder verklaard dat de mensen in de foto konden zweven.

Toch heb ik langer gekeken naar deze reeks foto’s dan strikt noodzakelijk was. Omdat Zhoa Huasen met de beelden mij ook iets fundamenteels verteld over het fietsen.

Op de foto’s lijkt het of de mensen zweven. In werkelijkheid vliegen ze natuurlijk.

En als het goed gaat is een fiets zo onmerkbaar aanwezig dat we al heel gauw vliegen.

Fietsen bestaat bij de gratie van beweging. Want stilstaan lukt vrijwel niet zonder het evenwicht te verliezen. Vooruitgang is verplicht op de fiets. Daarom is de fiets wel degelijk daar. Maar de fiets is er ook niet, omdat het rijden verder geen noemenswaardige inspanning of denkkracht hoeft te kosten.

Mits er natuurlijk vaker werd gefietst. En het lichaam geleerd heeft om altijd de balans te houden op die draaiende wielen.

Misschien hebben daarom de grammenjagers op hun dure carbon wel een beetje gelijk. En helpt het om zo weinig kilo aan fiets te hebben als maar kan, om dichter bij het totale gevoel aan vrijheid te komen.

Maar mooi lijkt mij nu net dat iedereen kan vliegen die zijn fiets een beetje onderhouden heeft.


Te fietsen | week 23
houding


click voor groter

Hoewel de fiets zijn ideale vorm vond in de negentiende eeuw, en die daarom in principe niet veranderd is, betekent dit niet dat er sindsdien niets veranderde. Er moest nog van alles uitgevonden toen de Safety er eenmaal was.

Zo vond ik bovenstaande foto uit een Amerikaans archief, ergens in de staat New York, prachtig illustratief. Daarop staat een rijtje stoere mannen afgebeeld die een wedstrijdje gaan rijden op een baan. En wat daarbij meteen opvalt, is dat ze allemaal idioot rechtop zitten.

Sterker nog, de meesten kunnen niet eens verder voorover buigen. Want dan zit direct hun hoge stuur in de weg.

De grote Amerikaanse baansprinter Major Taylor zou enkele jaren later dan ook claimen de lage zit op de fiets te hebben uitgevonden. Maar dat was slechts onderdeel van zijn folklore. Hij zei wel meer om nog interessanter te lijken.

Feit blijft dat iemand heeft moeten bedenken dat je sneller fietst als je je over het stuur buigt. En vervolgens dat het daarbij nog meer helpt om dat stuur laag op de fiets te monteren.

Maar hoe laag dat stuur dan gemonteerd moet worden, is nog altijd geen vraag die beantwoord lijkt te zijn. Ook al omdat de geometrie van de fietsen eens in de zo veel tijd nog weer lichtjes verandert. Het frame van mijn oude toerfiets, die indertijd door iedereen racefiets werd genoemd, heeft bijvoorbeeld een heel korte bovenbuis vergeleken met de fietsen die nu op de markt zijn. Fietsers worden tegenwoordig geacht zich veel verder naar voren uit te strekken dan voorheen. En die houding heeft dan weer invloed op hoe het stuur moet staan.

Dat is, voor wie zich graag spiegelt aan professionele wielrenners. En dit willen er nogal wat.

Mij gaat het er om zo comfortabel mogelijk tegen een redelijke snelheid afstanden te kunnen afleggen. Daarbij mag ik niet hijgen, en eigenlijk niet eens zweten — maar dat laatste is vrijwel onmogelijk zonder me te koud te kleden voor de momenten van de fiets.

Dus ben ik altijd wel blij als ook anderen dat slaafse imiteren van de profs relativeren. Bijvoorbeeld doordat de negentiende-eeuwse heren op hun onhandige fietsen tonen dat fietshouding ook maar een mode is. Bijvoorbeeld doordat de Fries Wiebe Idsinga toonde dat alles kan, voor wie de tijd neemt. Hij kreeg uiteindelijk ook de medaille de Elfstedentocht van 240 kilometer uit te hebben gereden. Zelfs al zat hij onmogelijk op zijn fiets, en was hij als allerlaatste onderweg.
 


Te fietsen | week 24
routine ii

Nooit let ik beter op dan als ik een route voor de eerste maal rijd. Elk zijweggetje wordt gezien — want misschien moest ik daar zo wel afslaan. Elk opvallend punt wordt in het geheugen vastgelegd om de oriëntatie te helpen bij een volgende keer.

Maar nooit zie ik minder als een route routine is geworden. Misschien omdat ik dan te zeer in mijn gedachten schuilen kan.

Het merkwaardige aan het fietsen op routine is daarmee dat je hele stukken rijden kunt zonder die te beleven. Opeens besef je, hé ik ben het grote viaduct over het kanaal al over. Terwijl dan niet meer terug te halen is hoe je deze helling hebt beleefd. Deed die pijn ditmaal? Stond je bijna stil? Ging het fluitend?

Routine is daarom zowel een vloek als een zegen. Je schiet al gauw flink op tijdens een routineritje — wat fijn is als het rijden een last is — maar je negeert daarbij de eigenlijke reden om meer te gaan fietsen; om onderweg te zijn, in een landschap, en daar deel van uit te maken.

Daarom moet ik de laatste tijd vaak denken aan de woorden van een lange-afstandfietser, die me adviseerde om alle straten in een straal van honderd kilometer rond mijn huis te leren kennen.

Die man komt wel uit Canada, waar er een stuk minder wegen zijn. Dus moet zo’n advies vertaald worden naar Europese verhoudingen; waar er zowel wegen liggen op Middeleeuwse trajecten — naar dorpen die allang niet meer bestaan — als straten die recent op de tekentafel ontstonden.

Dus wordt het zaak om alle doorgaande wegen binnen een straal van veertig vijftig kilometer te leren kennen. Al was het maar omdat telkens de luikjes even opengaan als ik een route voor de eerste keer rijd. En ik dan zie.

Daar wordt ook mijn mentale plattegrond van de regio zo veel rijker van.

En die kennis is dan weer te gebruiken om een routineritje even op te peppen met een klein uitstapje naar links of rechts. Ook al omdat parallelle routes vaak nauwelijks langer blijken te zijn.


Te fietsen | week 25
regen

Terwijl de kranten juni alvast tot de natste juni ooit uitroepen, valt mij toch op dat het zelfs deze maand lang niet de hele dag regent. Dus houdt wat mij betreft de oude wetenschap stand dat het in Nederland voor zeker >90% van de tijd droog is.

Alleen iemand die dagelijks op een vast moment ergens naar toe moet, zal daarom weleens door de regen fietsen.

En goed, wie het grootste deel van de dag buiten is, loopt ook altijd kans nat te worden. De Buienradar is geen instrument dat voorspelt hoe de wolken er over een uur of drie bij hangen.

Vorige week werd ook ik verrast door een plaatselijke moesson, met onmogelijk dikke druppen. De weg stond in éen keer blank.

Maar die bui maakte me allereerst vrolijk. Koud was het niet — al schrok ik wat verderop wel, omdat de buitenthermometer daar toonde dat het plots slechts 14° was. Ik kon in mijn normale tempo door rijden. En op zo’n abnormale hoosbui kan toch niemand zich kleden.

Regenkleding voor op de fiets werkt trouwens altijd maar even. Hoe duur ook. Regenjassen, ponchos, en regenbroeken houden het hoogstens twintig minuten zonder problemen vol. En voor de meeste fietsers is dat lang genoeg.

Wie langer onderweg is op de fiets, en zelfs zijn schoenen waterdicht heeft gemaakt, zal na een tijdje merken dat water toch altijd een weg vindt naar zijn of haar huid. Is het niet via de polsen, dan wel via de nek.

Bovendien komt regenkleding, hoe duur ook, met het probleem dat de fietser daarmee gauw te warm gekleed is voor zijn inspanning, en dus extra gaat zweten. En dat kan meer problemen opleveren, aan dehydratie en dus krachtsverlies bijvoorbeeld, dan wat een beetje regenvocht vermag.

Regenkleding aantrekken, legt dus paradoxaal genoeg de eis op dat je een stuk langzamer moet gaan rijden. Terwijl de eerste reactie op regen juist is om sneller te fietsen, om eerder binnen te zijn. Uit de elementen.

Misschien bestaat de beste regenkleding daarom wel uit een paar wollen sokken. Zelfs al zijn die nat, dan nog houden ze de drager warm. En dat is een nuttige eigenschap. In de winter.


Te fietsen | week 26
kilometers

Ik versimpelde de waarheid een beetje veertien dagen terug. Toen beschreef ik hoe puur door de routine alles op een vaste route onzichtbaar kan worden bij het fietsen, daar waar je bij een eerste kennismaking juist alles ziet.

Maar, om iets te zien die eerste keer, moet je nog wel in staat zijn om te kunnen kijken.

En bijvoorbeeld met vermoeidheid onderweg komt ook meteen de tunnelvisie. Of de blik omlaag, naar enkel het asfalt.

Voor mij is dit mechanisme een reden om mijn maximale dagafstanden tegenwoordig relatief bescheiden te houden. Sterke stukken heb ik genoeg gepresteerd, al is dat inmiddels lang geleden. Maar een probleem alleen al aan die afstandsprestaties is dat ze geen enkele herinnering hebben opgeleverd. Op een gegeven moment werd niet alleen het fietsen op zo’n dag simpelweg een automatisme, ook mijn gedachtenleven kromp ineen tot vrijwel niets.

Om lang en ver te kunnen fietsen op een dag moet je zelf eerst fiets worden. En heel interessant vind ik die transformatie niet meer.

Daarom nam ik ook met een mengeling van bewondering en afschuw kennis van het nieuwe wereldrecord om-de-wereld fietsen. Dit heeft de Brit Mike Hall onlangs gevestigd met een tijd van 91 dagen en 18 uur.

Hall reed 29080 kilometer, op vier continenten. Al was hij langer onderweg dan die kleine 92 dagen, maar tijd in de lucht en op de vliegvelden wordt niet meegerekend volgens het reglement van het Guinness Recordboek.

Dit kilometeraantal betekent dat Hall bijna tweehonderd mijl per dag reed, ofwel ruim driehonderd kilometer.

‘s Nachts sliep hij slechts een uur of vier. Verder was hij aan het fietsen en aan het eten.

En veel zal hij niet hebben gezien onderweg, zo lijkt me.

Dat er een wereldrecord rond-de-wereld fietsen is, raakte een paar jaar terug bekend door de Schotse avonturier Mark Beaumont. Hij wist een documentaire over zijn belevenissen aan de BBC te slijten. En sindsdien zijn velen hem gevolgd op zijn pad. Waarbij Beaumont’s record vrij makkelijk viel.

Beaumont reed indertijd ook amper honderd mijl per dag — de helft van wat Hall presteerde.

Beaumont reed bovendien op een trekkingfiets, met een vlinderstuur; en sleepte een heel pakket aan opname-apparatuur mee. Mike Hall bouwde gewoon een carbon crossertje om. Zijn racefiets woog met bagage achttien kilo.

En het merkwaardige is nu dat ik Mark Beaumont’s prestatie eigenlijk interessanter vindt dan die van Mike Hall. Misschien omdat bij hem nog gold dat die honderd mijl per dag ook voor mij haalbaar waren geweest. Zijn wereldreis leek te doen voor iemand met wat doorzettingsvermogen en te veel vrije tijd.

Maar tweehonderd mijl fietsen per dag is het werk van een fanaat. Die prestatie verdient misschien bewondering, maar nodigt geen moment uit om me in zijn plaats voor te stellen.


Te fietsen | week 27
peloton

Weinig is onvoorspelbaarder dan een rechtstreeks uitgezonden sportwedstrijd. Doorgaans dan. Favorieten kunnen opzichtig falen, underdogs het onmogelijk presteren. Het scenario aan verwikkelingen wordt in sport pas geschreven tijdens de wedstrijd zelf.

Daarom kijk ik zelfs naar de Ronde van Frankrijk. Hoewel daarin de eerste week zelden iets bijzonders gebeurt, en het bij de meeste etappes volstaat om de laatste tien minuten even te gluren naar het eindresultaat.

Tegelijk is het kijken naar sport tot vermaak geworden, voor mij. En misschien dat er daardoor een dimensie mist vergeleken met vroeger. Ooit kon ik dromen zelf nog eens iets te gaan presteren. Ooit had zelfs wielrennen op televisie iets inspirerends.

De sport leende zich bovendien ook goed voor dagdromen. Rijd wat in je eentje rond, en je bent al gauw een koploper, eenzaam vooruit. De flauwe stijging van het lokale viaduct kan in de verbeelding heel makkelijk tot steile helling worden in het hooggebergte.

Zwijg ik er nog over dat profwielrenners over dezelfde wegen rijden als normale stervelingen. En dat daarmee zelfs de knulligste fietser nog het parcours van een profkoers echt kan narijden.

Maar ik merk tegenwoordig nooit meer in vergelijkingen te denken. Mijn fietsen is allereerst ontspanning geworden. En van de weeromstuit misschien zijn mijn wensen ook heel anders.

Zo voelt het momenteel vooral als een gemis dat ik nooit tot een wielerpeloton heb behoord. Nimmer ben ik meegezogen door een grote groep rijders; in de buik van de roedel; als vanzelf meetrappend; op een veel hogere snelheid dan ik in mijn eentje ooit had kunnen bereiken; tegen een veel lagere inspanning bovendien.

Wielrennen is een teamsport. Geen renner kan het af in zijn eentje. De dromen die ik als jongetje had, negeerden dat wezenlijke aspect voor het gemak. De fietser die ik werd weet dat je alleen rijdend te weinig kilometers gratis krijgt.


Te fietsen | week 28
regen ii

Het regende toen ik even een eindje om ging, gisteren. Zoals het wel vaker regende deze zomer. Maar heel nat was het niet. En het waaide al evenmin. Bovendien was het niet koud, dus ging ik gewoon uit rijden in een shirtje en een korte broek.

Bloot vel mag nat worden. Dat is niet erg.

En het was goed, zo in de regen. Er was verder helemaal niemand op straat, midden op de vrije dag. Behalve dan dat heel af en toe wat mensjes in blik passeerden, achter glas; met de ruitenwissers aan.

Als het regent schijnt er meer zuurstof in de lucht te zitten. Mensen leveren niet zelden betere sportprestaties dan.

Mij viel deze rit allereerst op hoe groen de wereld er bij lag deze keer.

Als de zon schijnt, is er namelijk automatisch ook heel veel schaduw; waardoor je lang niet alles goed kunt zien.

Waait er wind, dan bewegen de bomen en de struiken, wat hun vormen al evenzeer vertekent.

Dus reed ik nu door lanen die er ineens kalmpjes bijlagen als groene kathedralen; omdat hoog boven mijn hoofd de bomen aan weerskanten van de weg een gewelf hadden gevlochten.

En ik deed het mij aan tijd. Ik had gelegenheid om te kijken, en daarmee te zien dat al het vertrouwde er net even anders bijstond deze keer.

Was het ondertussen droog geworden ook na een uurtje op de fiets. Want dat is zo merkwaardig aan het rijden in de regen. Op een gegeven moment neem je de nattigheid niet meer waar. Maar al evenmin valt daardoor op dat de neerslag opgehouden is.


Te fietsen | week 29
regen iii

Toen ik mijn oude Batavus Sprint in oude luister herstelde, besloot ik bewust om eens geen spatborden te monteren. Dat was een rijkelijk optimistische daad. Want hoewel het absoluut mogelijk is om nooit een tel in de regen te fietsen, betekent dit niet dat de wegen altijd droog zullen liggen.

Al gauw bleken me de nadelen van het rondrijden met blote wielen. Plassen op het pad zijn lang altijd niet te ontwijken. En vies water spat vervolgens opmerkelijk hoog op.

En als ik kiezen moet tussen de luttele tijd die het kost om eenmalig spatborden te monteren, of de herhaalde plicht om altijd maar weer mijn fiets van spatten te ontdoen. Dan wordt die keuze niet moeilijk.

Het Nederlandse zeeklimaat is te nat om geen blijvende voorzorgen te nemen tegen de overlast. Helemaal nu de seizoenen zijn opgeheven, en de enig overgebleven jaargetijden bestaan uit ‘lang licht’ en ‘vroeg donker’.

Bovendien zijn zelfs aan zoiets basaals als de ‘mud guards’ voor fietsen nog verbeteringen mogelijk gebleken. Het bedrijf SKS heeft in overleg met lange-afstandrijders een type spatborden ontwikkeld die werkelijk alle vuiligheid tegenhouden die van de weg omhoog wordt geworpen. ‘Longboard’ heet dit model. En bijzonder daaraan is dat de spatlap aan het voorspatbord amper nog een paar centimeter boven het wegdek zweeft.

En goed, dan zijn ‘Longboards’ ook zelf te maken. Iedereen kan zijn bestaande spatborden verlengen met stukken vijverplastic; of andere flexibele kunststoffen die niet meteen vergaan van een paar maanden UV-straling.

SKS zal de vormgeving van zijn spatborden vast ook hebben afgekeken op wat anderen al eens gehobbyd hadden.

Maar als ik dan toch mijn fiets moet aankleden dan is confectie misschien wel beter dan maatwerk.


Te fietsen | week 30
lek

Wie vele kilometers fietst zonder ooit een lekke band te krijgen, weet desalniettemin dat hij niet voor eeuwig gespaard zal blijven. Eens komt het moment dat het voor of achter leeg loopt. Banden zijn gebruiksartikelen, met een relatief beperkte levensduur. Zelfs al worden ze tegenwoordig geleverd met het kevlarpantsers en andere technologie om het lek worden te beletten.

En het enige dat tegen een lek gedaan kan worden, is om altijd spullen mee te hebben, die het probleem kunnen wegnemen. Zoals een goede pomp. Zoals een nieuwe binnenband.

Mijn eerste lekke band na zeker tienduizend kilometer overkwam me op een zeldzaam gunstig moment. De zon scheen, maar het was niet heel warm. Ik hoefde niet haastig ergens heen. Het fietspad waarop ik reed, was leeg en rustig. Het gras in de berm stond hoog, zodat de fiets goed neer te vleien viel nadat ik het voorwiel had losgemaakt.

Want opvallend genoeg was het wel mijn voorband waar ineens alle lucht uit weg was. Lekke achterbanden komen namelijk zeker twee keer vaker voor, zo is mijn ervaring.

En de binnenband omwisselen voor een nieuw exemplaar was weinig moeite. De pomp had ik weliswaar nog nooit in een noodsituatie geprobeerd, maar ook die werkte boven verwachting. Heel de pech was in enkele minuten opgelost. Ik had zelfs water genoeg bij me om met een microvezeldoekje mijn handen nog heel aardig schoon te krijgen.

Maar waar ik niet op gerekend had, was dat een lekke band toch ook onzeker maakt. Plotseling had mijn fiets, ondanks al die probleemloze uren onderweg, zich feilbaar getoond.

Wat evenmin hielp, was dat ik niets in de buitenband had aangetroffen dat het plotselinge lek verklaarde.

Dus zal het een tijd duren voor ik weer helemaal gerust onderweg zal zijn. Zelfs al kwam ik probleemloos thuis die dag. Het kost even voor ik een volgende lekke band gewoon onderga als domme pech; en niet als een straf die ik over mijzelf heb afgeroepen.

Want magisch denken bestaat; zelfs bij zoiets logisch als de hardware van een fiets.


Te fietsen | week 31
doorweekt

De paradox van de manier waarop ik fiets is dat ik wel snel wil, maar dat dit geen inspanning mag kosten. Hijgen is daarmee verboden. En zweten eigenlijk ook.

Alleen is dat zweten niet altijd te voorkomen in de zomer.

Ook valt me op dat mijn innerlijke thermokoppel pas na een vijftien minuten werkt. Het lijkt alsof mijn lichaam dan ineens merkt: het is hem menens met die inspanning zeker? En op dat moment pas de goede afstelling gevonden wordt.

Tot dan kan het transpiratievocht me soms ineens in een onverwacht krachtig stroompje de ogen inlopen.

Of beter, ik dacht dat het grote zweten altijd ophield als ik eenmaal op temperatuur was gekomen. Maar sinds ik doorgaans een nauw aansluitend zwart onderlijfje draag, weet ik beter. Droogt die stof helemaal op. Thuisgekomen. Dan verschijnen daar toch vaak ineens behoorlijke zoutbloemen op.

Nu schijnt iedereen die een paar plakken brood per dag eet alleen daarmee al in zijn zoutbehoefte te voorzien. En evenmin heb ik ooit last van spierkrampen tijdens het fietsen of achteraf — wat de verschijnselen schijnen te zijn van een plotseling natriumgebrek. Toch is het vreemd telkens zulke grote zoutbloemen te zien bloeien nadat enige inspanning werd verricht.

Tenzij ik de zaak anders bekijk. En me bedenk dat de zwarte stretchstof van het onderlijfje is als een nieuwe medische scanner. Ineens zijn daarmee allerlei verschijnselen waar te nemen waar voordien gedachteloos aan voorbij werd gegaan. Dan ligt het weliswaar voor de hand om meteen allerlei theorieën te gaan ontwikkelen. Of om angstig te worden, zelfs misschien.

Maar meten is niet altijd weten.


Te fietsen | week 32
val

Typen gaat nog wat moeilijker dan anders. Een grote korst op mijn linkerpols belemmert de normale beweging van mijn hand. Ik trof een hond op mijn pad toen ik fietste. Of misschien werd het beest net ontweken. Het welzijn van het dier boeide me niet bijzonder meer nadat ik eenmaal was gevallen.

Evenmin heb ik veel tijd besteed om uit te zoeken waar die hond ineens vandaan kwam. Mijn bril had mijn linkerwenkbrauw stuk gesneden. Bloed liep over mijn gezicht en drupte van daar op mijn shirt, mijn broek, en mijn schoenen.

Maar ik voelde geen pijn, en elk ander teken ontbrak dat er serieus iets mis was.

Alleen dat donkerrode bloed bleef gestaag opwellen, en het maakte al meteen mijn zakdoek nutteloos omdat er te veel van was. Ik moest dus naar huis. Veiligheid vinden. Zelfs al was dat huis een kilometer of drie terug.

Dus stapte ik weer op de fiets, nadat het ding weer gebruiksklaar was gemaakt. De ketting lag eraf. En ik had wat spaken in het voorwiel kapot getrapt, dus begon het wiel te wiebelen tijdens het rijden; waardoor de voorrem los moest.

Thuis pas was de schade op te nemen, en toen viel me op dat mijn hele linkerkant nogal geschaafd was. Vel remt goed af. Mede daarom bezocht ik wat later toch maar de huisartsenpost.

Toch, als gebeurtenis zal me hier waarschijnlijk weinig van bijblijven. Het is van mijn kindertijd geleden dat ik even dramatisch gevallen ben. Maar als je niet huilt, en er zelf geen probleem van maakt, stelt zo’n val met wat oppervlakkige schade niet bijzonder veel voor.

En je kunt, zoals ik, honderdduizenden kilometers rijden zonder dat er ooit onverwachts een hond of kat op je pad komt.

Fietsen is een heel veilig manier van bewegen.


Te fietsen | week 33
ergonomie

Het lichaam kan aan alles wennen. Het kan zelfs leren om probleemloos uren op een fiets te zitten.

Al is zitten dan misschien niet meer het goede woord. Wie enigszins voorovergebogen rijdt, om minder wind te vangen, leunt daarbij hoogstens nog op zijn of haar zadel. De benen dragen dan de grootste last. En de handen helpen ook een beetje.

En misschien heb ik domweg geluk, maar er zijn ook weinig zadels die me problemen geven. Al heb ik wel degelijk een voorkeur voor ouderwets hard en glad leer. Dat gaat naar je zitbotjes staan. En het broeit ook niet zo in de zomer.

Mijn probleem bij lange tochten is veeleer het stuur. Of misschien beter: ik heb het merkwaardige idee dat een goed stuur uren in dezelfde houding is vast te pakken. Zonder dat daarover nagedacht hoeft te worden.

Terwijl het lichaam er juist baat bij heeft als het regelmatig een net wat andere houding inneemt. Juist dan blijven de pijntjes uit.

Het beste stuur is dus het stuur dat zo veel mogelijk verschillende zithoudingen mogelijk maakt.

En zo bezien scoort een racestuur heel niet verkeerd. Zelfs als de onderste positie nooit gebruikt wordt, zijn er nog drie vier heel andere comfortabele houdingen te vinden om de handen neer te zetten.

Dus schafte ik mij een racestuur aan dat speciaal ontworpen was voor randonneurs; om zo comfortabel mogelijk lang op een fiets te kunnen zitten. Een 3TTT Morph. Ergonomisch gevormd. Ontworpen met de kennis van jaren.

Om na een heleboel kilometers dan toch te besluiten dat ik niet aan dat stuur wennen kon. De hoeken waren me te recht. En toen een ouderwets racestuur te monteren. Zonder ergonomie. Een gewone traditionele Maes-bocht. En meteen te merken dat dit stuur wel goed was, en helemaal bij me paste.

En misschien klopt dat ouderwetse stuur wel alleen omdat ik al zo veel kilometers meer in mijn systeem heb zitten met zo’n zelfde klassiek stuurtje.

En wellicht kan het lichaam aan veel wennen, maar als het wennen niet wil, is dat toch ook een duidelijk teken.


Te fietsen | week 34
rijwind

Ook tijdens het ‘warmste weekend van de eeuw’ heb ik gefietst. En dat leverde geen enkel probleem op. Integendeel zelfs.

Zolang het asfalt nog niet smelt, en er geen steentjes aan je banden blijven kleven, lijkt fietsen me zelfs te verkiezen boven stilzitten. Ook tijdens de grootste hitte genereert de fietser namelijk vanzelf tegenwind. En die rijwind brengt dan koelte.

Het punt wordt dan alleen om ‘s ochtends te gaan rijden tijdens de warmte. De kwaliteit van de lucht neemt namelijk behoorlijk af in de loop van een hete dag. Smog is dan niet zeldzaam. En vieze lucht maakt elke inspanning vervelend. Ozon bindt zich sneller aan het bloed dan zuurstof.

De hitte was telkens ook het grootst aan het einde van de middag het afgelopen weekend, de lucht het smerigst, en de wegen het volst. Maar toen zat ik al binnen, en was het siësta.

Een gevaar kan dan nog zijn tijdens de hitte dat de fietser extra snel uitdroogt. Dus moet er misschien wat meer drinken worden meegenomen dan normaal. En het helpt ook vast om gepland te drinken — om de zo veel minuten, in plaats van op het moment dat er dorst is. Dorst op een fiets betekent overigens altijd dat men eerder meer had moeten drinken.

Het viel me overigens wel op dat ik geen enkele fata morgana zag tijdens mijn fietsen tijdens de hitte. De lucht trilde nergens onbedaarlijk in de verte boven het asfalt — iets dat ik me toch zo goed uit vroegere zomers herinnerde.

Zo heel erg heet is het dus blijkbaar helemaal niet geweest.


Te fietsen | week 35
vlug

Lang geleden, toen ik als jongetje mijn Batavus Sprint kocht na heel wat jaren sparen, was het heel belangrijk om snel te kunnen fietsen. Alleen branden mijn bovenbenen altijd zo als het hard moest. Want om snelheid te krijgen schakelde ik altijd op naar de grootste versnelling. Met onvolledige verbranding in de spieren en melkzuurvorming als gevolg.

Tegenwoordig kan snelheid me niet het meeste schelen, zo meende ik. In de stad kun je toch altijd maar eventjes hard; want dan komt er alweer een bocht of een kruising, en moet er worden geremd. En ik fiets meestal in steden.

Tegelijk blijkt de ontkenning van hierboven ook weer niet waar te zijn.

Mijn ideaal is het om én ontspannen te fietsen, zonder te hijgen of te zweten, en daarbij toch telkens iets verder te kunnen rijden dan voorheen. Slechts het spiervezeltype I mag worden aangesproken; de spieren die wij mensen benutten om kalmweg de hele dag werk te kunnen verrichten. Training van spiervezel type II is eigenlijk uit den boze — ik heb vroeger domweg te veel gesport.

En bij al dit treedt een paradox op.

Tijd blijkt namelijk van groter belang te zijn dan afstand. Waarschijnlijk om puur mentale redenen. Want altijd na een uur of drie rijden, verdwijnt mijn fietslust zo langzamerhand; ongeacht het aantal afgelegde kilometers. Van het ene op het andere moment kan het fietsen dan van plezier in taak veranderen.

Rijd ik die honderdtachtig minuten sneller dan voorheen, dan neemt navenant mijn bereik toe. Dus is een hoge gemiddelde snelheid toch belangrijk. Zij het dat ik me naar mijn idee nog altijd niet bijzonder mag inspannen om die snelheid te bereiken.

Maar ondertussen heb ik me wel degelijk met regelmaat ingespannen. Ongemerkt bezit ik na ruim een jaar ineens fietsbenen, waar ik die vroeger nooit gehad heb. Ook na al mijn fietsvakanties niet. Mijn quadriceps zijn langzamerhand heel anders gevormd dan toen ik nog atletiekte. En mijn kuiten wellicht ook, alleen zie ik die niet zelf.

Ineens kan ik mij zelfs voorstellen dat wielrenners hun benen zo mooi vinden, dat ze daarom geschoren moeten worden, en in de olie gezet.

En al die kilometers op de fiets hebben me ook nog vlug gemaakt. Omdat het me makkelijk is geworden als ik al 32 km/u fiets net even wat meer te doen en 35 à 36 km/u te rijden.

Afgelopen zondag haalde ik op die manier een drietal wielertoeristen in op dure fietsen, en deze konden mij vervolgens pas vijftien kilometer verderop achterhalen. Omdat ik toen bijna thuis was. Terwijl ik niet eens wist in een race betrokken te zijn.

Toch houdt ik een dubbel gevoel over de toegenomen snelheid. Die vraagt namelijk een veel grotere aandacht voor mogelijke verstoringen. Er moet eerder worden geremd. En snel fietsen vermoeit me eerder, en dieper, waardoor het steeds moeilijker wordt de juiste concentratie te blijven houden.

Bovendien heb ik doorgaans geen zin om een lycrapakje aan te trekken. Of een helm op te zetten. Clickpedalen te monteren. Wielrenner wil ik niet wezen. Wielrijder zijn, is het ideaal.


Te fietsen | week 36
vlug ii

Groot nieuws was het in de media dat automobilisten sinds zaterdag op vele stukken snelweg 130 km/u mogen rijden in plaats van 120 km/u. Terwijl deze verandering vooral nadelen schijnt te hebben. De vervuiling met fijnstof neemt toe overal, het autoverkeer maakt meer lawaai, en bestaande geluidsschermen moeten voor veel geld worden verhoogd. Vermoed wordt dat er door de snelheidsverhoging zo’n twaalf doden extra per jaar gaan vallen in het verkeer.

Ondertussen is de autorijder dolblij dat hij nu slechts 27,69 seconden over een kilometer doet, in plaats van 30 seconden. Mits er geen ander verkeer op de weg. Want anders valt de snelheidswinst veel lager uit; als die er dan nog is.

En ergens op een parallelweg in de verte heb ook ik snelheidswinst gemaakt dit jaar, terwijl er geen wetten in de weg stonden, maar enkel praktische bezwaren.

Waar ik vorig jaar nog rekening hield met een gemiddelde snelheid van 20 km/u, is dat tegenwoordig ineens 30 km/u geworden. En dit maakt een wezenlijk verschil omdat mijn benul zo snel niet is nog.

Bij 20 km/u kost het drie minuten om een kilometer af te leggen.

Met 30 km/u is dat ineens twee minuten geworden. Dan duurt het twintig minuten om 10 kilometer te fietsen.

En vrijdag reed ik aardig op mijn gemak 90 kilometer in drie uur en drie minuten. De 10 kilometer die toen nog moesten, gingen gewoon weer in twintig minuten.

Een dag later, op de terugweg, toen de wind veel minder gunstig was, kostte het grote deel dat ik alleen reed nauwelijks meer tijd.

Toch plan ik mijn tochten nog altijd uitgaande van die 20 km/u — zelfs al reed ik ook vorig jaar al sneller. Zo is de afstand tot de dichtstbijzijnde universiteitsbibliotheek van huis net iets meer dan een marathon. Ofwel, rond de twee uur fietsen heen in het slechtste geval, en dan nog twee uur terug.

Het zal me benieuwen wanneer ik uit mezelf denk: die > 42 kilometer kosten nog geen anderhalf uur. Ik heb nog een paar uur over vanmiddag. Laat me even boeken gaan omruilen zo meteen.


Te fietsen | week 37
drinken

Op maandag kwam het waterbedrijf iets doen met de brandkraan schuin voor mijn huis. Prompt had ik anderhalf uur geen kraanwater meer binnen. Buiten stroomde veel van dat over de weg.

Normaal maakt dit allemaal niet uit. Maar nu kwam de afsluiting onaangekondigd. En had ik net de voorbereidingen getroffen om te gaan koken. Daarop werd dat voedsel dan maar bereid met water dat ik de dag ervoor in een bidon had gedaan, voor het fietsen, om daarna niet te gebruiken. Driekwart liter die nodeloos een heel eind rondgereden was, en nog altijd op de fiets in de houder zat geklemd.

Ik had ook bronwater kunnen gebruiken om te koken, met bubbels, uit een flesje; maar dat leek me overdreven.

En ik peinsde hierdoor wat over de routines die gegroeid zijn rond het fietsen, en wat de afgelopen twaalf maanden me gebracht hebben aan kennis.

Zo moet ik nog altijd nadenken bij het drinken onderweg. Wat komt omdat goed drinken allereerst een investering is die zich pas veel later uitbetaald. Dorst krijg ik namelijk niet zo gauw.

En iedereen kan ook best een uurtje rondrijden zonder daarbij iets aan water nodig te hebben. Vaak genoeg heb ik twee tot tweeënhalf uur zonder drinken gedaan. Al zit daar wel de grens. Na een inspanning van drie uur, met enig zweten, ben ik zeker zo gedehydrateerd dat mijn lichaam minder goed functioneert; dus is er veel eerder al vochtaanvoer van buiten gewenst.

En gek genoeg spreekt het vanzelf om als ik honderd kilometer rijden ga meteen een strikt eet- en drinkregime te handhaven. Zelfs al ben ik nog vol van de maaltijd vooraf aan de rit, een paar slokken water na elke tien kilometer zijn dan verplicht.

Het zijn nu net die inspanningen van twee uur en korter waarop ik soms domweg vergeet om water mee te nemen. Terwijl die inspanningen misschien nog makkelijker te dragen zouden zijn met het behoud van een goede vochtbalans.

Drinken en blijven drinken was de gewoonte ook niet in mijn jeugd — zelfs niet tijdens al die zondoorstoven middagen die ik doorbracht op de atletiekbaan. Gedronken werd er ook dan meestal pas na de training. Waarbij het water misschien nog net bij het herstel zal hebben geholpen.

Pas later, tijdens mijn studie, kwam ik voor het eerst in contact met fanatieke flesjeslurkers. Waarbij ik nooit heel goed begrepen heb waarom al die jonge vrouwen overal zo opzichtig liters water mee sleepten. Het gerucht ging ook dat zo’n flesje allereerst een code was.

Vrouwen met een blaasontsteking moesten voortdurend blijven drinken, en telkens naar de wc. En aan die blaasontsteking kwamen ze waarschijnlijk alleen omdat ze sexueel actief waren. Zo werd gefluisterd.

En het zal wel prozaïscher hebben gelegen. Een volle en klotsende maag weerhoudt mensen ervan om te snoepen. En zijn de meeste vrouwen niet constant aan de lijn?

Maar al die lurkende vrouwen hebben er dus ook niet aan bijgedragen om mij als vanzelfsprekend aan het water te krijgen. Dat wreekt zich nu.

Behalve dan dat deze gewoonte betekent er altijd nog wel ergens een gevulde bidon op een fiets zit geklemd. En dit voor de verandering toch eens nut had.


Te fietsen | week 38
e-bike

Niets heb ik er op tegen dat de elektrische fiets steeds populairder wordt. Behalve dan dat ik nu al te vaak gezien heb dat oudere Nederlanders niet altijd meer de reflexen hebben voor de snelheid die ze ineens maken, op hun e-bike.

Als ze dan vallen, vallen ze vervelend.

Maar om nu zelf een elektrisch hulpmotortje te willen hebben. Nee, dat heeft principieel al geen zin. Zo’n motor is de oplossing voor een probleem dat ik niet heb. Bovendien zijn vrijwel alle elektrische fietsen plomp en zwaar, dus lillijk; en niet aantrekkelijk om te bezitten.

En toen overviel me afgelopen weekend toch e-bike envy. Dat kwam simpelweg doordat ik dezelfde weg ging door de polder als een oudere vrouw op een bedaagde fiets met tassen achter. En het mij moeite kostte om haar bij te halen, vanwege de wind die met 4 à 5 Beaufort tegen blies.

Bij de inhaalmanoeuvre was ik dan ook opgelucht om te zien dat zij een hulpmotortje in haar voorwiel had. Mijn trots als fietser was anders gekrenkt.

Alleen haalde zij wat later ook mij weer in, door slimmer te zijn bij het oversteken van een kruising, en honderden meters aan de verkeerde kant van de weg te rijden. Dus kon zij doorfietsen waar ik minuten op een groen stoplicht stond te wachten. Met als gevolg dat ik daarna weer vele kilometers bezig was om haar te achterhalen.

Zo veel kilometers zelfs dat ik me begon af te vragen waarom ik me zo inspande. Het ging namelijk net te hard tegen die wind voor de omstandigheden. Ik zweette. Bovendien moest ik nog helemaal terug naar huis ook, zo meteen na het biebbezoek. En het was me heel wel bekend dat het bij zo’n ritje met vrij extreme wind niets opleverde om me te forceren op het zware deel.

Maar toen sloeg de vrouw rechtsaf waar ik rechtdoor wilde, en was het directe probleem van de wedijver ineens weg.

Behalve dan dus dat ik besef dat er iets onnozels in mij leeft dat als vanzelf tegen hulpmotoren strijden wil — daar zelfs een erezaak in zie.


Te fietsen | week 39
honds

De val van begin augustus heeft voorlopig éen blijvende open wond nagelaten. Als ik op de fiets zit, en een hond mij nadert, word ik direct onredelijk kwaad. Van de ene tel op de andere. Terwijl zo’n beest vast niet anders dan spelen wil.

Gemiddeld komt dit zeker twee keer voor per week. Want mensen houden hun hond zelden aan de lijn waar dat moet. Dus maak ik vele vrienden onderweg. Als zo’n beest me te dicht nadert, en er is een baasje bij, ga ik namelijk heel grof schelden.

Maar tot meer dan blaffen komt het niet. Van beide kanten. Een fiets is een te wankel platform om naar zo’n dier te trappen. En Nederland is ook weer geen Turkije; waar fietsers soms op hele roedels wilde honden stuiten. Tot verdere bewapening overgaan hoeft nog niet.

Toch is me opgevallen dat ik met meer belangstelling dan ooit lees wat fietsers elders doen om zich de honden van het lijf te houden. In de VS schijnt het niet zo vreemd te zijn om een busje pepperspray bij de hand te houden, in een klemmetje aan het stuur.

Anderen zoeken het in apparaten met een penetrante pieptoon die voor ons onhoorbaar is.

Sommigen daar prefereren het zelfs om vuurwapens mee te nemen. En dat gaat ver.

En misschien zijn die laatste discussies wel het vreemdst omdat ik dergelijke woordenwisselingen wel ken uit Nederland, maar ze hier eind negentiende eeuw werden gevoerd.

Gewoonte, en het vertrouwen dat iedereen zich zo goed mogelijk houdt aan die gewoonte, is alles in het verkeer.


Te fietsen | week 40
verlicht ii

Het is alweer zo vroeg donker dat het licht weleens op moet, op de fiets. En nog steeds ben ik verbaasd over de kracht van de twee goede LED-lampen in mijn bezit, de IQ Cyo’s van de Duitse fabrikant Busch & Müller. Hun kwaliteit went niet, waar kwaliteit anders zo gauw blasé maakt.

Toegegeven, binnen de bebouwde kom is de extra waarde van zo’n redelijk dure koplamp vrijwel nul. Daar waar de straten verlicht worden met lantaarns kan het op de fiets wel toe met een koplamp van 15-25 lux.

Maar buitenuit is 40 lux aan licht eigenlijk wel het minimum, en 60 lux nog net een ietsje mooier. Want weinig is prettiger om een lamp te hebben waarmee meer gezien wordt dan overdag. Omdat alle verkeersborden daarmee al einden van tevoren oplichten — daar waar ze er overdag wat ongemerkt bij staan langs de weg.

Is er nog het niet geringe voordeel van zulke koplampen hoe ze kunnen voorkomen dat tegenliggers je verblinden. Het is niet heel moeilijk om meteen de aandacht te hebben van een tegemoetkomende automobilist door de lamp even een tikje hoger te zetten. Dan dooft deze diens grote licht vrijwel direct.

Enfin, krachtige LED-lampen werken het best met een naafdynamo. En zo’n naafdynamo zit altijd in het wiel, en maakt dat wiel een tikje zwaarder, en daarmee logger voor het gevoel.

Een fanatieke lichtentester klaagt online zelfs dat de naafdynamo van SON, die zo duur is dat iedereen dat ding heiligt, zijn voorwiel vaak zo vervelend trillen liet.

Dat is allemaal waar. Maar een beetje fietser heeft meer dan éen fiets, elk met een verschillend doel. Dus is het goed om tenminste éen fiets te bezitten met subliem licht.

Want wat is het prettig om bij het rijden alvast éen zorg niet te hebben.


Te fietsen | week 41
voorrang


click voor groter

Misschien is het niet meer dan een gedachtespinsel. Maar ik heb het idee dat nogal wat ongelukken op de weg gebeuren als mensen bijna thuis zijn. Als ze de straten inrijden waarin ze dagelijks verkeren, en die vanzelfsprekendheid het verleidelijk maakt om even niet meer aan het verkeer te denken. Af te dwalen in gedachten.

Zeker is dat ik geen gevaarlijker rotonde ken dan het rondpunt het dichtst bij mijn huis.

Ook al omdat dit verkeerspleintje buitengewoon slecht ontworpen was.

Fietsers die wilden oversteken moesten altijd zowat achterstevoren gaan zitten om te zien of er ander verkeer was. En reed er een auto direct links naast hen, dan was door de heg ertussen niet te zien of deze zijn richtingaanwijzer naar rechts had uitstaan of niet.

En dat telde zwaar; want dit maakte het rondpunt nu net zo link. De automobilisten hadden er voorrang, en ze namen dit voorrecht ook altijd agressief.

Voor de auto’s die van buiten de stad kwamen, hield hun privilege doorgaans in dat ze pas op de rotonde begonnen te remmen. Zeker als ze meteen rechtsaf moesten – dan was het haast niet eens nodig om vaart te minderen.

Bovendien vervangt de rotonde een vroegere T-splitsing en geen volledig kruispunt. De vierde weg in het kruis is slechts een fietspad een nieuwbouwwijk in, richting verschillende basisscholen.

Vrijwel elke fietser die van dat fietspad komt, rijdt de rotonde daarom linksom, in plaats van de goede kant op. Dat is overzichtelijker, en vergt maar éen gevaarlijke oversteek, in plaats van twee.

Geen plek is er om dit al waar ik vaker ternauwernood aan een aanrijding ben ontkomen dan daar.

Soms was dat door mijn eigen onnozelheid – als het bijna-thuis-syndroom toesloeg en ik niet helemaal oplette. Vaker kwam het bijna tot een aanrijding doordat auto’s veel te laat afremden en ik nog aan het oversteken was.

Maar sinds vorige week is de voorrangsregel omgedraaid op de rotonde, en de layout iets aangepast, en kunnen fietsers er eindelijk ongestoord doorrijden zonder daarmee lijf en goed te wagen. Waardoor mijn levensverwachting waarschijnlijk ineens met vele decennia gestegen is.

Omdat er mijn woonplaats zo veel rondpunten meer zijn waar de fietsers voorrang hebben, rijst nu wel de vraag waarom deze simpele verbetering toch jaren op zich heeft laten wachten.


Te fietsen | week 42
demi-saison

De fietspaden zijn weer leeg, zo valt me op. Alleen ‘s ochtends vroeg, voor de middelbare scholen ingaan, zijn er nog grote roedels fietsers onderweg. Het seizoen van de meeste mooiweerrijders is voorbij. Terwijl ik door blijf gaan.

Niet dat het ‘s zomers wel heel druk is aan fietsers onderweg. Nederland mag dan een vol land heten. Tussen de steden in is er ook met mooi weer nauwelijks een kop te zien.

Maar de meeste bomen staan nog in blad. De wind heeft nog lang niet overal vrij spel. Het fietst nog niet heel anders dan toen het warm was. Behalve dan dat er meer kleding aan moet, vanwege de lagere temperaturen.

En het is met die kledingkeuze niet heel simpel.

De oude wet luidt dat je net genoeg moet aantrekken om het nog een beetje koud te hebben bij het vertrek. Omdat fietsen een constante inspanning eist waarvan je vanzelf warm wordt.

Alleen regent het nogal eens in dit jaargetijde. En kleding die de regen goed keert, ademt meestal niet zo goed bij inspanning. Terwijl nat worden evenmin een optie is; want nat maakt extra koud.

Ik had mijzelf daarom een nieuw jack geschonken, voor het fietsen bij lagere temperaturen en regen. En op de eerste beste wat langere fietstocht drupte het vocht me de regenbestendige mouwen uit. Of dat nu condensatie was of transpiratie weet ik niet. Het voelde vies in elk geval, en de tape op mijn stuur werd er glibberig van — dus onveilig is die jas ook nog.

Blij ben ik wel met mijn lange broeken. Weliswaar zijn die van 100% kunststof — wat minder fijn aanvoelt als een katoentje. Maar ze ademen, en keren ook de regen nog een behoorlijke tijd. En wordt alles nat, dan waait alles binnen een paar minuten gewoon weer droog, zodra de regen gestopt is.

En dat simpele gegeven voelt nog elke keer als een wonder.


Te fietsen | week 43
centuries

Twee centuries reed ik dit weekend. Binnen vierentwintig uur. Een imperial van honderd mijl laat op de vrijdag en een metrische honderd kilometer op zaterdag. Alles op een gewone toerfiets, met naafdynamo, spatborden, en een bagagedrager met een tas. Omdat dit zo kon. Het weer was goed tot redelijk; er stond nauwelijks wind, en ondanks mijn blote benen was het niet koud.

Wel was die tweede century er net te veel aan. De laatste vijfentwintig kilometer van die rit raakte de brandstof in mijn benen plotseling op, waardoor ik weinig meer kon dan zo ontspannen mogelijk doorrijden. Dat ging nog net op het postbodetempo van twintig kilometer in het uur. De fiets is zelfs bij grote vermoeidheid een heel efficiënt vervoermiddel.

Verder was er geen enkel fysiek probleem. Bovendien bleef ik er vrolijk bij.

Zondag was alle pijn in mijn benen van zaterdag alweer weg, waardoor ik vermoed vooral gedehydrateerd te zijn geweest. Een herstelritje van vijfentwintig kilometer kostte vervolgens geen enkele moeite.

Maar ik heb hierdoor wel moeten nadenken over wat profwielrenners doormaken in een etappekoers. Hoe ze de vermoeidheid van de vorige dag telkens moeten meeslepen tot er geen goed herstel meer mogelijk is.

Ook al omdat hierdoor zo duidelijkheid wordt wat de betekenis van doping is. In het klassieke verhaal van de Amerikaane afstandfietser die zich eens optimaal wilde verzorgen, dat ik al eens linkte in 2004, heette het:

With your hematocrit levels higher, you don’t produce as much lactic acid, which means you can ride harder, longer, with less stress. The growth hormone and testosterone help you recover faster, since you’re stronger to start with and recover more quickly. All those little muscle tears repair much more quickly.

Als er middelen zijn die zo goed helpen, is het vrijwel uitgesloten dat die niet zullen worden gebruikt.


Te fietsen | week 44
speel goed

Zowel Lego als Playmobil hebben op het moment een setje in het assortiment met een hard gevallen fietser.

Althans, zo wordt de inhoud door menigeen geïnterpreteerd. Want er is een ambulance nodig na de val. En het helpt niet dat Lego een animatiefilmpje heeft gemaakt van het ongeluk  [1]

Al dit was mij nooit opgevallen als er geen mensen waren geweest die online geklaagd hadden over de strekking van dit speelgoed. Kinderen werden maar op rare ideeën gebracht; zoals dat fietsen levensgevaarlijk is, heette het daarbij.

Eerlijk gezegd heb ik moeite met die interpretatie. Ik zie alleen twee speelgoedfabrikanten die blitse ambulances op de markt wilden brengen. En natuurlijk horen er poppetjes bij een ambulance, en liefst ook een patiënt. Maar omdat dit tezamen wat saai is, en geen verhaal oplevert om na te spelen, moest er ook wat gevonden worden om de aanwezigheid van die patiënt in de ambulance te verklaren.

En dan is er weinig goedkoper voor een fabrikant om enkel een fietsje toe te voegen. Plot duidelijk, verhaaltje rond.

Had er een hond bij het pakket gezeten in plaats van een fiets, was de implicatie geweest dat honden bijten. En dat had tot een speelgoedboycott van dierenliefhebbers geleid. Want als mensen niets te klagen hebben, dan vinden ze wel wat.

Overigens zou het fietsen steeds onveiliger worden, volgens cijfers van de Fietsersbond en stichting VeiligheidNL. Al blijkt uit de toelichting ook dat dit probleem vooral geldt voor kleine kinderen, en oude mensen.

Realistisch gezien had er dus een bejaard lijkend Lego-poppetje of Playmobil-mannetje op die brancard moeten worden gelegd.

  1. overigens blijken hele volksstammen animaties te maken met Lego-pakketten. [ ]

Te fietsen | week 45
tracé

Wie fietst is daarbij aangewezen op verkeersluwe wegen. Om het prettig te houden. Met als hoogtepunt natuurlijk het fietspad, waarop auto’s niet eens mogen komen. Maar een kenmerk van die rustige wegen is dat ze zo zelden rechtstreeks van A naar B gaan.

Wie fietst komt daarmee overal en nergens langs. En wie het fietsen spannend wil houden speelt daar ook mee, door de onbekende weggetjes juist op te zoeken. In een vreemde omgeving kijkt men nu eenmaal beter, omdat alles er nog nieuw lijkt.

Wie enkel op routine fietst wordt ziende blind, en is daarmee niet anders dan een open auto die zich rechtstreeks door een prikkelarme omgeving naar zijn bestemming spoedt.

Wie bewust fietst kan telkens weer de mentale plattegrond uitbreiden die er is van zijn of haar omgeving. Daarbij kan Google maps aanvankelijk een grote hulp zijn, omdat de werkelijkheid nogal tegen kan vallen voor de fietser. Verkeersluwe wegen beginnen niet altijd logisch; lijken dikwijls naar het erf van een boerderij te leiden; zijn soms niet eens meer verhard. Maar Google maps is lang niet feilloos. Uiteindelijk telt alleen de ervaring ergens al eens eerder te zijn geweest om te weten hoe het er is.

Wie veel fietst heeft daarom meestal wel een adequaat antwoord op wegomleggingen en andere verstoringen van het normale traject. Het innerlijke navigatiesysteem wordt met de jaren beter. Zolang het maar daglicht is.

Wie veel fietst heeft daarom een beeld van zijn directe omgeving dat weinig anderen zullen hebben. Wat bijvoorbeeld meetelt als er nieuwe snelwegen worden aangelegd, en deze tracés krijgen die van de bestaande routes afwijken.

Ik bekeek de geplande werken aan de N381 en de Centrale As, en begreep bij het lezen van de kaarten al hoe de nieuwe tracés gaan lopen, plus wat dit betekent. Alsof ik de wegen zelf moest gaan aanleggen en alles al eens langsgelopen was.

Dat gevoel van overzicht is nieuw.


Te fietsen | week 46
meten

Lang geleden, toen ik bijna dagelijks rondjes draaide op een atletiekbaan was mijn tempogevoel groot. Na een 200tje of een 400tje wist ik simpelweg hoe snel die was gegaan. De blik op de stopwatch diende slechts ter controle.

Aan fietsen valt me op dat ik er juist heel slecht in ben om mijn tempo in te schatten.

Nu fiets ik ook nooit in een gecontroleerde omgeving, en evenmin is mijn fietsen de zoveelste korte herhalingsoefening in een reeks. De enige zekerheden die ik heb, is dat als het hard lijkt te gaan ik sneller rijd dan 30 kilometer in het uur. Maar of snel dan 36 is of 31 km/u: geen idee.

Gaat het naar mijn gevoel te langzaam, dan schommelt de snelheid rond de 20 kilometer per uur. En wordt deze relatieve traagheid veroorzaakt door tegenwind, dan kan ik in de luwte toch ook ineens 26 à 27 km/u rijden. Terwijl het dan enkel lijkt of het fietsen even lichter gaat.

Dus trek ik me doorgaans weinig aan van mijn snelheidsmeters — in de herfst en ‘s winters zijn die in het donker toch ook niet af te lezen. Fietsen gaat op gevoel. En span ik me vreselijk in, dan is de tijdwinst zelfs op lange trajecten hoogstens enkele minuten op een veel ontspannener rit. Dus gaat het losjes.

Daarom zou het me niet moeten ergeren dat de twee fietscomputers die ik heb van het merk CicloSport zich wat apart gedragen. Ik bezit een basismodel van het type CicloMaster, en een wat luxer type. Beide gebruiken dezelfde houdertjes voor op het stuur, en dezelfde magneetjes in het wiel. Beide zouden probleemloos uitgewisseld moeten kunnen worden tussen mijn fietsen. Die fietsen hebben namelijk dezelfde maat aan voorbanden – die leggen in principe per omwenteling evenveel millimeters af.

En toch is het ene model te optimistisch als het om de aangegeven snelheid en afstand gaat, en het andere te pessimistisch. De afwijking is zelden gelijk — wat me eveneens bevreemdt — maar wissel ik de computertjes van fiets, dan kan een gereden afstand zo maar ineens 4% langer zijn. Of 2% korter dan de kaart of GPS aangeeft.

Dus heb ik een oude waarheid herontdekt.  [1]

Wie een klok heeft, weet hoe laat het is. Wie twee klokken heeft, twijfelt altijd aan de juiste tijd.

  1. Had ik de computertjes niet een keer omgeruild, was me dit natuurlijk nooit opgevallen. [ ]

Te fietsen | week 47
routine ii

Er moet een tijd zijn geweest dat ik nog niet kon fietsen. Me herinneren doe ik dat niet.

Wat ik nog wel weet, is dat ik mijn eerste fiets op mijn zesde verjaardag kreeg. Een rode Batavus. En dat fietsen vervolgens niet zo heel moeilijk was, omdat ik al jaren stepte op de autoped; en daar enig evenwichtsgevoel door had gekregen.

Maar wellicht vergeet ik hierbij een paar stappen.

Evenmin weet ik wanneer ik de eerste stunts uithaalde op de fiets. Bijvoorbeeld wanneer het geen probleem meer was om te rijden zonder handen aan het stuur. Wel zijn er vaag herinneringen aan de ontdekking dat het allemaal vanzelf ging; dat het zelfs simpel was om zonder het stuur aan te raken gewoon met de bocht mee te gaan.

Inmiddels gaan er weken voorbij zonder dat ik met losse handen fiets. Toch lukt me dat altijd nog wel.

Een nuttige vaardigheid om te hebben, is het zelfs. Geen snellere test om te zien of een wiel weer goed gemonteerd werd dan door even een eindje rechtuit te rijden zonder de handen aan het stuur.

En op lange tochten is er altijd wel een banaan of een verpakking die even om de inzet vraagt van twee handen tegelijk; voor er iets te eten is.

Dat zijn handelingen die allemaal zonder nadenken schijnen te gebeuren, maar waarbij het evenwichtsgevoel overwerk verricht; net als dat naamloze zintuig waarmee het lichaam zijn positie in de ruimte beseft.

Uitleggen wat er allemaal onbewust plaatsvindt bij het fietsen is nog steeds niet gelukt door de wetenschap.

Bovendien wordt het raadsel enkel groter. In typisch Nederlands onderzoek is vastgelegd dat Parksinson-patiënten die niet normaal meer kunnen lopen volkomen normaal fietsen.

Wellicht kost het even moeite om dat fietsen te leren. Een leven lang duurt het plezier.


Te fietsen | week 48
100 Watt

Sommige wielrenners trainen met meters in hun fiets die rechtstreeks het geproduceerde vermogen tonen. Robert Gesink is zo’n renner. Vandaar dat hij altijd zo’n belachelijk klein versnellinkje trapt als de weg omhoog loopt. Dat kost dan het minste kracht.

Anderen trainen met een hartslagmeter om, en zorgen ervoor nooit boven een bepaalde hartfrequentie te komen.

Nog weer anderen doen het op hun gevoel. Omdat een mens heel wel in staat is om te voelen dat een inspanning te veel inspanning kost. Maar dit is dan weer niet wetenschappelijk, dus daar hebben trainers en coaches een hekel aan.

In mijn tijd als atleet heb ik nog net de opkomst van de hartslagmeter meegemaakt. En de ervaringen die anderen daar mee hadden, zetten me niet aan om naar zo’n ding te verlangen. Al was het wel grappig op training om de lopers met een meter te dwingen om zich iets te forceren; zodat de meter piepte dat hun hartslag te hoog was; en ze meteen hun tempo een heel eind moesten laten zakken.

Maar met zo’n onmogelijk dure vermogensmeter zou ik weleens willen fietsen. Al was het maar om te zien hoeveel Watt ik er toch nog in stop als het fietsen vanzelf gaat, snel voor de wind. Want dat vermoeit meer dan het lijkt.

TestKees van de Fietsersbond legde ooit vast hoe snel verschillende typen fietsen gaan als de man of vrouw daarop 100 Watt aan energie produceerde. Waarbij een constatering was dat de meeste fietsers in Nederland luie fietsers zijn — niet ten onrechte overigens, op de standaard fiets zit je zo rechtop dat een grotere inspanning je amper sneller laat rijden. De luchtweerstand is veel te groot.

Bob den Uyl kon zich daar begin de jaren zeventig nog vreselijk kwaad om maken.

Overigens gaat een fietser in een velomobiel met diezelfde 100 Watt inspanning bijna twee keer zo snel als op een omafiets.

In een terzijde meldde TestKees hoe bevreemdend het was om telkens die 100 Watt op een elektrische fiets te rijden. Omdat het motortje daarbij zo ongemerkt meehielp.

Bij tegenwind was de accu wel leeg na een uur. En dat staat er in de foldertjes toch zelden bij.


Te fietsen | week 47 bis
routine iii

Forced-rate bicycle exercise appears to be an effective therapy for Parkinson’s disease.

‘Study: Biking Restores Brain Connectivity in Parkinson’s’


Te fietsen | week 49
regen iv

Dit jaar teken ik telkens even aan hoeveel kilometers er gefietst werden die dag, en in hoeveel ritjes dat totaal behaald werd.

Daarbij gaat het me niet om records; noch om het de ene maand beter te doen dan de vorige. Ik ben gewoon benieuwd of er enige regelmaat in mijn fietsen te ontdekken is. En zo ja, waar die dan uit bestaat.

Bovendien is dat overzichtslijstje gewoon een tekstbestandje. En per se geen spreadsheet, waarin de kilometrages in de cellen elke maand automatisch worden opgeteld; met gemiddelden, en standaarddeviaties en al.

Het is zo makkelijk te overdrijven bij dit. Bij alles.

En toch had ik éen factor moeten toevoegen aan dat overzichtje met die kilometerstanden. Wat voor weer het was, speelt nogal een rol bij de beslissing om de fiets te pakken. Alleen al omdat ik alternatieve methoden heb om ergens te komen.

Terugkijkend op november valt me bijvoorbeeld op dat er geen maand was in 2012 met meer lege vakjes. Terugkijkend meen ik ook dat het nogal eens regende in november.

En als ik fietste waren de wegen vrijwel altijd nat.

Toen ik er eenmaal op lette, viel op dat het vrijwel geen dag zonder spatborden had gekund. En dat ik zelden zo vaak het zand van de fietsframes heb moeten borstelen.

Maar misschien vergis ik me, en was juist oktober zo nat; en begonnen die eeuwig natte wegen al veel eerder. Het KNMI heeft het namelijk over een een droge en warme herfst.

De herinnering corrumpeert nogal gemakkelijk. Helemaal waar het om bijzaken gaat. Willen aantekeningen een goed tegengif zijn, dan moeten die wel voldoende informatie bieden.


Te fietsen | week 50
Alex Moulton [1920 – 2012]

Mijn eerste fiets had een model zoals zelfs de kinderfietsen nu niet meer hebben. Het frame bestond uit een dikke vierkante balk die van het balhoofd schuin omlaag liep naar achteren, en na de zitbuis splitste in de achtervork.

Een F-frame

Ook waren de wielen wat kleiner dan tegenwoordig normaal is bij kinderfietsen.

Daar tegenover stond dat het zadel einden omhoog was te zetten.

Op mijn zesde verjaardag kreeg ik kortom een fiets die nog jaren mee kon. En zo geschiedde. Met plezier.

Pas decennia later denk ik na over de vorm van die fiets. Nu pas valt me op dat deze vorm had die in de jaren zestig ineens populair was geworden — om het ontwerp van Alex Moulton — en door talloze fietsenfabrikanten werd geplagieerd.

Verder heb ik ook nooit meer een fiets gehad heb met zulke kleine wielen, en zonder een diamantframe van dunne buizen.

Voor een deel komt dat uit vooroordelen. Kleine wielen zijn hoogstens handig in de stad, om snel vanuit stilstand in gang te komen. Grote wielen zijn wat trager daarin.

Maar kleine wielen maken het stuurgedrag van een fiets gauw onrustiger. En ze rijden minder lekker over een hobbelige of slecht onderhouden weg.

Bovendien vind ik mezelf er al belachelijk groot uitzien op een normale fiets, met 28-inch wielen; als mijn beeld toevallig weerkaatst wordt bij het passeren van een spiegelend venster.

Er moet enige schaamte overwonnen worden, wil ik op een fiets met 20-inch of 16-inch wielen plaatsnemen; zoals vouwfietsen die hebben.

Dit vooroordeel maakt overigens wel dat de dure plooifietsen van sommige treinreizigers, zoals de Brompton, geen enkele begeerte oproepen. Hoe handig het ook zijn zou om altijd een fiets bij me te hebben.

En toch zou ik best eens een tijd op een Moulton willen rijden. Mits daarbij dan maar een zithouding gekopieerd kan worden van een normale snelle fiets. Een fietser heeft nu eenmaal slechts die drie contactpunten nodig — zadel, stuur, en trappers — en de prettigste verhouding daartussen kan ook bij kleine wielen blijven.


Te fietsen | week 51
koufront

Fietsen vergt meer inspanning als het koud is. Aanzienlijk meer inspanning soms. En daar zijn verschillende oorzaken voor aan te wijzen. De voornaamste lijkt me dat koude lucht stroperiger is dan warme, waardoor je er moeilijker doorheen fietst.

Bovendien heeft de fietser in de kou meer kleding aan, wat nog eens extra bijdraagt aan de toegenomen luchtweerstand.

Daardoor kost fietsen in de winter meer energie, en moet er onderweg paradoxaal genoeg misschien wel meer gedronken en gegeten worden dan in de zomer.

Want ook het lijf moet op temperatuur blijven in de kou, en dat alleen al vreet.

Maar dat ik de afgelopen twee weken aanzienlijk minder reed dan anders had een andere reden. De wegen waren me te vies.

Het winterde namelijk wat. Alleen net niet helemaal echt. Doordat de temperatuur rond het vriespunt bleef schommelen smolt de sneeuw die viel overdag zo’n beetje weg. Waarop ‘s avonds het dooiwater en de sneeuwrestanten bevroren.

Verraderlijker condities om te fietsen zijn er waarschijnlijk niet. Zeker niet in het donker – en het is veel donker in deze tijd van het jaar, met zijn amper zeven uur en veertig minuten daglicht. Het wegdek kan glimmen omdat het nat is, of omdat er ijs ligt. En dat verschil maakt nogal uit.

Dus dacht ik met grote gretigheid te kunnen fietsen toen de wegen weer schoon waren zaterdag, en het eindelijk droog leek te blijven. Om vervolgens al na een uur als een oude man rond te rijden vanwege de harde wind – en ondanks alle extra voedsel en water mee.

15% à 30% meer energie kan het kosten in de winter om dezelfde snelheid te halen als ‘s zomers, volgens deze website. Denk daar niet over na, en alles forceert.


Te fietsen | week 52
claustrofobie

Sinds de lampen op mijn fiets goed zijn — mensen hebben me weleens gezegd te denken dat ik een auto was met éen kapotte koplamp — is het niet vervelend meer een rit in het donker te moeten maken.

En gelukkig ook maar. Zeker in deze weken van het jaar, met zijn hun hoogstens 7 uur en 37 minuten aan daglicht op mijn breedtegraad, is het telkens al vlug weer nacht.

Fietsen in het donker heeft zelfs éen voordeel boven het fietsen bij dag. Ik rijd volkomen op gevoel dan. De snelheidsmeter is onzichtbaar. Niets dicteert mijn tempo, behalve de wens dat ik prettig rijden moet.

Daarom wisselt mijn snelheid in het donker veel meer dan overdag.

Maar vorige week moest ik ineens door de mist in het donker — zo veel nevel hing er dat de volgende lantaarnpaal telkens onzichtbaar was; hoewel die hoogstens dertig meter verderop kon staan.

En ineens kostte het fietsen me opmerkelijk veel concentratie. Het werd zelfs moeilijk om op het fietspad te blijven. Want dat kronkelde opvallend meer dan me ooit bij daglicht was opgevallen.

Door al die extra bochten leken de stukken tussen de dorpen bovendien aanmerkelijk langer dan normaal — mijn oriëntatievermogen raakte van slag.

En doordat de mist het licht uit mijn fantastische koplamp soms gewoon terug kaatste, werd fietsen een nogal claustrofobische ervaring. Mijn zintuigen kregen veel minder prikkels dan normaal door al het vocht in de lucht.

Merkwaardig genoeg ging ik door al dit steeds sneller fietsen. Wat ook zonder heel veel moeite kon, doordat alle wind ontbrak. Terwijl door die snelheid de mist nu juist tot een groter obstakel werd.

Maar iets primitiefs in mij wilde zo gauw als kon weg uit de soep; zelfs al werd het gevaar juist groter door de vluchtpoging.


enkel voor navigatie op de website
click op de links voor meer

Ook hierna bleef ik proberen om elke week wat gedachten te verwoorden over fietsen in het algemeen, en mijn gefiets in het bijzonder.

Latere reeksjes volgden in 2013, en in 2014.