Ynhâld fan ’e lezen-side

  1. Dennett’s Law of Needy Readers01/2004
  2. boeklog i: bekentenissen van een verwende lezer02/2005
  3. boeklog ii: bekentenissen van een snelle lezer02/2005
  4. Dit zijn de boeken die iedereen moet lezen?03/2005
  5. boeklog iii: bekentenissen van een kritische lezer03/2005
  6. boeklog iv: bekentenissen van een onbevoegd recensent03/2005
  7. Boeklog: terugkijkend op een gedocumenteerd jaar lezen12/2005
  8. Wat leest daar?04/2006
  9. Boeklog xxii: Mijn leesgewoonten08/2006
  10. Boeklog xxv: boeken, boeken, boeken10/2006
  11. Boom roos vis02/2007
  12. Fictie is…03/2007
  13. Wat vind ik nu een goed boek07/2007
  14. Bekentenissen van een snelle lezer | 207/2007
  15. Lezen voor de lijst03/2008
  16. Lezen voor de lijst | 203/2008
  17. Lezen voor de lijst | 304/2008
  18. Wie, of wat, maakt ons dom?06/2008
  19. Boeklog, tussen maker en publiek07/2008
  20. Hoe lees ik een boek?09/2008
  21. Hoe lees ik een boek? ii09/2008
  22. Hoe lees ik een boek? iii09/2008
  23. Zoals lezen het leven voedt, verrijkt leven het lezen04/2009
  24. Wel in huis, dikwijls geprobeerd, nooit uitgekregen05/2009
  25. 15 in 1506/2009
  26. Lezen voor de lijst | 407/2009
  27. boeklog x: vooroordelen revisited08/2009
  28. Lezen van een scherm10/2009
  29. Boeklog, en het eeuwige compromis12/2009
  30. 365 dagen, 365 boeken05/2010
  31. Wie, of wat, maakt ons dom? | ii07/2010
  32. 500 fictieboeken. Toch nog07/2010
  33. Serieel lezen09/2010
  34. Serieel lezen | 2  Elias Canetti10/2010
  35. Quote of the Day | 021902/2011
  36. Citaat van de dag | 022102/2011
  37. Zitat des Tages | 022302/2011
  38. Quote of the Day | 030103/2011
  39. Citaat van de dag | 041304/2011
  40. Quote of the Day | 061406/2011
  41. Quote of the Day | 072007/2011
  42. Quote of the Day | 082608/2011
  43. Quotes of the Day | 121812/2011
  44. Quote of the Day | 012301/2012
  45. Quote of the Day | 021002/2012
  46. Quote of the Day | 021102/2012
  47. Quote of the Day | 021902/2012
  48. Kaf en koren02/2012
  49. Quote of the Day | 022902/2012
  50. Quote of the Day | 031503/2012
  51. Quote of the Day | 031803/2012
  52. Quote of the Day | 031903/2012
  53. Quote of the Day | 033003/2012
  54. Quote of the Day | 040104/2012
  55. Quote of the Day | 040704/2012
  56. In de herhaling04/2012
  57. Quote of the Day | 042004/2012
  58. Quote of the Day | 070407/2012
  59. Quote of the Day | 072307/2012
  60. Terwijl je leest  Gerard Unger11/2012
  61. Quote of the Day | 110811/2012
  62. Quote of the Day | 112511/2012
  63. Quote of the Day | 122812/2012
  64. Sex  week 0201/2013
  65. Quote of the Day | 041404/2013
  66. Quote of the Day | 052505/2013
  67. Citaat van de dag | 052705/2013
  68. Quote of the Day | 111411/2013
  69. Citaat van de dag | 111511/2013
  70. Stereotype of the day | 13121112/2013
  71. Citaat van de dag | 121912/2013
  72. Een geschiedenis van het lezen  Alberto Manguel12/2014
  73. A History of Reading  Steven Roger Fischer12/2014

© eamelje.net 2001-2014. Alle rechten voorbehouden. All rights reserved

 

Dennett’s Law of Needy Readers

On any important topic, we tend to have a dim idea of what we hope to be true, and when an author writes the words we want to read, we tend to fall for it, no matter how shoddy the arguments. Needy readers have an asymptote at illiteracy; if a text doesn’t say the one thing they need to read, it might as well be in a foreign language. To be open-minded, you have to recognize, and counteract, your own doxastic hungers.

From the 2004 Edge Annual Question.


boeklog i: bekentenissen van een verwende lezer

Ik herinner met niet als klein jongetje ooit blij gedacht te hebben: nu kan ik lezen. Nee, mijn sterkst aan lezen gebonden herinneringen dateren van veel later. Bijvoorbeeld van toen ik eindelijk besefte: in deze kultekst staat niets dat mij boeit, en voor het eerst een boek durfde weg te leggen zonder het uit te lezen.

Zo heilig was een gedrukte tekst voor mij. Dat er ook tal van boeken om platcommerciële redenen worden uitgegeven zonder verder enige verdienste te hebben, kwam lang niet bij me op.

Pas veel later ontlook het besef inmiddels toch oud en wijs genoeg te zijn teksten op hun inhoud te kunnen beoordelen, en durfde ik mensen onleesbaar te vinden. Maar dat was nog steeds niet de bevrijding. Telkens moest ik bij zo’n oordeel bijna altijd nog beargumenteren waarom ik die kritiek had.

Zo heilig waren auteurs voor mij.

Pas toen ik als bijvak journalistiek ging studeren, en merkte hoe simpel het was ergens iets gedrukt te krijgen – zelfs als ik het geschreven had – toen kantelde mijn wereldbeeld definitief.

lees verder »»


boeklog ii: bekentenissen van een snelle lezer

Wat is lezen? Wat gebeurt er eigenlijk mentaal bij u tijdens het bekijken van deze zwarte letters op uw scherm?

In dit land is tien procent van de bevolking functioneel analfabeet. Zij kunnen misschien nog wel de woorden zien en herkennen, maar zijn vervolgens niet in staat de informatie daaruit te begrijpen. Dit toont aan dat er minstens twee processen een rol spelen bij lezen: herkenning en verwerking.

Zelf denk ik dat er minstens vier zaken meespelen bij de verwerking het gelezene:

  • de aanwezige kennis en vaardigheden van de lezer;
  • de structuur van de tekst;
  • de gebruikte taal heeft invloed;
  • en ook zijn er psychologische factoren; de status van een tekst weegt bijvoorbeeld mee bij de waardering.

Maar, misschien moet ik eerst nog iets meer benadrukken wat voor wonder het eigenlijk is dat die abstracte zwarte kriebeltjes op dat wit zo effectief informatie kunnen overdragen. Immers, het is nog niet eens zo heel lang zo dat stil kunnen lezen als een enorme mentale prestatie wordt gezien. Lezen was heel lang niets anders dan hardop lezen. Uit oude kloosterkronieken is wel bekend dat de schaarse monnik die de woorden niet luid hoefde uit te spreken als een zeer wijs man werd gezien.

lees verder »»


Dit zijn de boeken die iedereen moet lezen?

Wat hebben een paar toevallig overgeleverde handschriften uit heel verschillende middeleeuwse dialecten gemeen met het Nederlands nu? Of de kunsttaal met elementen uit de Latijnse grammatica die de schrijvers in de 16e en 17e eeuw hier gebruikten?

De enige overeenkomst is dat ze in dezelfde verplichte lijst zijn opgenomen. Want, hoera we hebben er weer éen. Ditmaal hebben de Neerlandici Marita Mathijsen, Herman Pleij, en Thomas Vaessens een canon opgesteld, van boeken die zij noodzakelijk achten om te lezen. [pdf]

Zelfs nu nog.

Maar waarom? Die toelichting ontbreekt, omdat de vraag ontweken wordt wat wij gemeen hebben met al die Nederlanders in die eeuwen voor ons. Wat zegt het merendeel van de in deze lijst opgenomen boeken ons dan, behalve dat de doorsnee boekhandel ze niet op voorraad heeft?

Nee, vertel me nu eens waarom deze boeken te verkiezen zijn boven een canon van wereldliteratuur, bijvoorbeeld, met alleen boeken uit de laatste honderdvijftig jaar. Als het dan toch om het belang van cultuur gaat. Boeken, waarin wel mensen voorkomen die op ons lijken. Waarvan de wederwaardigheden onze blik wel kan verscherpen en ons helpen om beter te functioneren in de complexe wereld van dit moment.

Net als bij de voorgestelde canon voor de vaderlandse geschiedenis van de historici Bank en De Rooy, vraag ik me werkelijk af waarom het zo primitief nationalistisch moet. Als die wetenschappers verstand hadden van de ontwikkeling van hun disciplines zouden ze toch moeten weten ineens weer een achterhaald romantisch ideaal uit de negentiende eeuw na te streven. En daarbij ideeën inzetten uit de tijd dat tradities moesten worden uitgevonden ter meerdere eer en glorie van het vaderland, en er ineens een volkslied moest komen, en de Bataven werden bedacht om de geschiedenis mee te beginnen.

Maar we leven niet meer in de negentiende eeuw.


boeklog iii: bekentenissen van een kritische lezer

Wat moet ik vertellen, en wat kan ik weglaten bij het schrijven? Dat zijn twee heel elementaire vragen.

Het makkelijkst schrijft het aan bekenden, met wie het zelfs mogelijk is een privé-taal te gebruiken. Helaas heeft dit mechanisme ook als gevolg dat nogal wat proza weinig meer is dan een lang uitgevallen brief aan een nichtje. Net als dat veel gedichten gemankeerde liefdesepistels zijn.

Beroepshalve heb ik me op meerdere niveaus bezighouden met die vraag wat nu bekend te veronderstellen is, en wat wel verteld moet worden. Als journalist schreef ik voor ‘de domste lezer’, ook weleens gekarakteriseerd als de ‘15-jarige mavo-leerling die het allemaal nog niet bijster interesseert’. Aan dit voorbeeld is te zien dat ik al een tijd niet meer op een algemene redactie werk.

lees verder »»


boeklog iv: bekentenissen van een onbevoegd recensent

De besprekingen op mijn boeklog zijn geen echte recensies. Daarvoor zijn ze niet alleen veel te snel geschreven, maar geef ik ook te weinig feitelijke informatie over de schrijver. Of over hoe het boek zich verhoudt tot de rest van zijn oeuvre, de canon, danwel wat er verder zoal verschenen is dit jaar.

Daarmee zou het bijhouden van de site ook ineens werk worden.

Bovendien is het schrijven van zo’n klassieke recensie inhoudelijk niet zo vreselijk boeiend. Dat kan ik grotendeels wel op routine, helaas. Er zijn gewoon receptjes voor, met alle noodzakelijk ingrediënten op een rijtje vermeldt. Nee, interessant is nu juist om te peilen wat een boek precies met mij doet. Vandaar ook dat ik mijn boeklog een experiment heb genoemd.

Of laat ik het anders zeggen.

Ooit heb ik les gehad in het recenseren van literatuur. Mijn Alma mater nodigt nog elk jaar een literair criticus uit voor gastcolleges. Dit heet dan een meesterklas, terwijl ik me van meesterklassen toch voorstel dat de leerlingen al enige vakbekwaamheid in het métier bezitten. Die hadden we niet.

lees verder »»


Boeklog: terugkijkend op een gedocumenteerd jaar lezen

Heb ik in 2005 werkelijk zo veel boeken gelezen als er besproken zijn op mijn boeklog?

Nee, het waren er meer. Nogal wat meer. Maar dat komt mede door een probleem dat ik over mijzelf heb afgeroepen.

Misschien ware het beter geweest om me te beperken tot de romans die ik las, of juist niet de romans maar alleen de zakelijke teksten. Alleen was het juist zo leuk de ene keer over een dichtbundel te schrijven, en de volgende dag over een stripalbum, of een woordenboek, of de krant van zaterdag.

Daarnaast las ik voor mijn werk tal van rapporten die vaak een ISB-nummer hadden. Technisch beschouwd zijn dat ook boeken. Maar ik las ze meestal niet voor mijn plezier, en daarom telden ze niet mee.

Verder ben ik in heel wat meer boeken begonnen dan ik heb uitgelezen. Nogal veel romans vielen me zo tegen dat ik ze al snel weglegde, om nodeloos lijden te voorkomen. Die boeken zijn ook gewoon niet besproken; als het lezen een straf is, kan het schrijven van het recensietje te makkelijk een wraakactie worden.

Want, terugkijkend op een gedocumenteerd jaar aan lezen, valt me vooral op hoe weinig vreugde ik beleefde aan het lezen van nieuwe romans. Als fictieschrijvers me al eens blij maakten, boeiden, of wisten te verrassen, dan was het door hun kortverhalen. Of omdat ik de romans al kende.

Ik blijk een veel grotere herlezer te zijn dan ik vooraf het bijhouden van het boeklog nog vermoedde. Misschien zelfs wel zo dat ik nu stellen moet dat herlezen het ware lezen is.

En ook beleefde ik in 2005 opvallend veel vreugde aan iets heel triviaals: het inscannen van de boekenvoorkanten, om een toepasselijke illustratie bij mijn persoonlijke besprekinkje te hebben. Vooral de beide scans van Kousbroek’s boeken vond ik geslaagd. Omdat ze behalve een idee van vormgeving en uiterlijk tegelijk ook iets van hun geschiedenis toonden; lieten zien dat ze gelezen zijn.

Boeklog.info gaat daarom voorlopig op dezelfde voet door als de laatste maanden gebruikelijk was. Met een paar boekbesprekingen per week. Waarbij ik zo af en toe best een pas verschenen boek bespreken wil, maar meestal liever niet.


Wat leest daar?

De plaatselijke bieb is over gegaan op een ander computersysteem, en ineens zijn er allerlei interessante staatjes in te zien. Jammer genoeg kon ik nog niet opvragen welke boeken het minst uitgeleend worden; welke titels al sinds de aanschaf onaangeroerd in de kast staan. In plaats daarvan dan maar het lijstje fictieboeken die de afgelopen maand het vaakst werden uitgeleend:

41 x De Da Vinci Code
41 x Het Bernini mysterie
24 x De terugkeer van de dansleraar
24 x Knielen op een bed violen
24 x Sonny Boy
20 x Een warm huis
18 x De bruid
18 x De bewoonde wereld
18 x Onderhuids
18 x De rode kamer

In deze top 10 staan 6 thrillers/detectives, 1 psychologische roman, 1 familieroman, 1 streekroman, en 1 niet nader benoemd werk.

Van deze titels wil ik misschien Sonny Boy nog weleens lezen. Maar pin me daar niet op vast. Wel is me duidelijk geworden hoe het komt dat als ik een keer een boek zoek dat de lokale bibliotheek toevallig wel heeft, dit altijd voor het grijpen in de kast staat.


Boeklog xxii: Mijn leesgewoonten

[bijdrage op verzoek, ook om de faq van mijn boeklog aan te vullen]

Leest u boek voor boek, of bent u in meerdere boeken tegelijk bezig?

Als ik een boek lees dat het best in éen keer uitgelezen kan worden, gaat al mijn belangstelling naar dat ene boek. Maar doorgaans heb ik meerdere boeken onder handen. Juist omdat er nogal wat zijn die met mate genuttigd moeten worden. Hoofdstuk voor hoofdstuk, verhaal voor verhaal. Pagina voor pagina.

Op het moment lees ik er vijf [zie foto]. Daarvan heb ik One Man’s Meat al bijna helemaal gelezen, maar is me nog niet duidelijk of ik H.C. Andersen’s dagboeken en Hunter S. Thompson’s brievenboek ooit zal uitkrijgen.

Andere momenten zijn er tien, soms is het er geen.

Hoeveel uren besteedt u per dag aan lezen?

Een uur, anderhalf uur gemiddeld. Misschien meer, over de hele week gerekend. Aan boekenlezen dan, hè. Krantenlezen, teletekst en internet gaat de hele dag door.

En nogmaals, de gemiddelde Nederlander kijkt iets van 181 minuten TV per dag. Dat lukt mij lang niet.

Waar leest u?

Op de bank, en soms op bed nog even een halfuurtje.

Maar het best lees ik in de trein gek genoeg. Waarschijnlijk omdat dan mijn hele concentratie op dat boek gefocust is. Dan ben ik ook in een omgeving die ik liever buitensluit. Misschien zal dat het zijn.

Eén afspraak in de Randstad staat vaak gelijk aan twee boeken gelezen. Eentje op de heenreis, en eentje weer terug.

Vindt u niet dat u bovenmatig veel leest?

Nee. Dat ik er een weblog aan wijd, dat is wel soms bovenmatig veel inspanning. Maar ik vind het tot nu toe nuttig om te zien wat me zoal onder ogen kwam.


Boeklog xxv: boeken, boeken, boeken

gedeeltelijk antwoord op een e-mail, waarvan het misschien zonde was om maar aan éen iemand te laten lezen, ook hier geplaatst om de gebruikte hyperlinks ergens anders te hebben.

Boeken uitkiezen, gebeurt puur op gevoel. Zonder haast. Enig heilig moeten zit daar niet meer achter. De zogenaamd grote werken van de canon heb ik al aan gesnuffeld. Het gaat mij echt bijna alleen nog om het lekker bij wat ik lees voor mijn lol. Of om wat me even hevig interesseert.

Een voorbeeld. Op dit moment zijn er net drie gedenkschriften uit van mannen die ik graag lees.

Clive James schreef het vierde deel van zijn zeer humoristische memoires, waarvan ik de eerste drie heb gelezen. Het eerste herlas ik zelfs niet al te lang geleden.

Dan is er Robert Hughes, ook al zo’n boeiende Australische balling die met memoires kwam. In een bespreking kwam ik al een principiële observatie daaruit tegen:

no matter what the demands of ‘self-expression’ may be, nothing is anything without fully articulate, conscious form.

Robert Hughes

En nog een andere held, Gore Vidal, gaf een nieuwe autobiografie uit: Point to Point Navigation. Zijn vorige, Palimpsest, bevat een zeer kruidig mengsel van zeer vileine roddel [over het sexleven van JFK] tot en met een diep politiek inzicht, naast de schaarse persoonlijke ontboezemingen.

Het zou geen enkel probleem zijn om deze drie boeken nu vanmiddag nog te bestellen, bij een internetboekhandel. Maar ik zou ze de eerste tijd niet lezen; daar is mij de stemming nu niet naar. Voorlopig teken ik alleen op een lijstje aan dat ze bestaan. De wetenschap dat ze bestaan, is ook al rijkdom genoeg. En, dat verlanglijstje bijwerken, doet ook al deugd.


Boom roos vis

Het is raar om te bedenken dat ik ooit niet heb kunnen lezen. En toch blijft het een wonder wat er allemaal overgedragen kan worden, via wat woorden op wat papier. Of een scherm.

Maar ooit begon het dus met dat heidense boom, dat sociaal-democratische roos, en dat protestants-christelijke vis. En dat was langer dan 30 jaar geleden, NOS Teletekst-redactie.

Die latere aanpassing tot maan-roos-vis wordt wel begrijpelijker voor wie naar de levensbeschouwelijke achtergrond van die symbolen kijkt. Maar wat connotatie is, zou ik pas vele levensstadia later leren.


Fictie is…

Fictie is iets voor pubers en vrouwen. Als je ouder wordt, ga je echte boeken lezen: klassiekers en boeken waar je iets van opsteekt. Je wilt je schaarse tijd goed besteden.

Martin Bril, geïnterviewd

Dankzij mijn boeklog weet ik de afgelopen 26 maanden gemiddeld éen roman of verhalenbundel te hebben uitgelezen tegenover twee nonfictie-boeken.

Toch kloppen die cijfers niet helemaal. Het gemiddelde nonfictie-boek lees ik altijd wel uit. Het zijn juist altijd de romans die ik woedend wegwerp of verveeld terzijde leg. Er kwam die 26 maanden heel wat fictie langs die me uiteindelijk te weinig interesseerde, en boeklog nooit haalde. Ik haakte dan meestal binnen de eerste vijftig pagina’s af.

Nonfictie-boeken hebben het grote voordeel aan de buitenkant al duidelijk aan te geven waarover ze gaan. Dat selecteert beter. Ik zal niet gauw een boek over aquariumtechniek willen lezen, maar dat is ook makkelijk te vermijden.

Niet zo bij de romans. Daar kan ik onverwacht wel degelijk op aquariumtechniek stuiten. En dan personages tegenkomen die even boeiend converseren als de doorsnee goudvis bellen blaast, of een schrijver lezen die niet begrijpt dat er technieken bestaan die de inhoud van zijn wereld wel helder zichtbaar maken van buiten.

Toch blijf ik hoop houden in romans. Misschien wel tegen beter weten in. Omdat de beste romans niet vertellen hoe het zit, maar dat tonen. En een mens leert meer uit een zelf verworven besef, dan door iets opgelegd te krijgen.

Zakelijke teksten kunnen me bovenmatig boeien, en me heel soms in de roes brengen meer te willen weten.

Geslaagde fictie raakt meer dan alleen het verstand.

Dus nee, Martin Bril heeft ten dele zeker gelijk in het bovenstaande citaat, maar hij ontkent daarmee toch ook iets wezenlijks.


Wat vind ik nu een goed boek

Hoewel ik op boeklog regelmatig probeer te formuleren waarom een boek goed is, heb ik daar nooit algemene conclusies uit getrokken. Beperk ik me tot fictie, dan valt ook op dat de boeken die ik eeuwig kan herlezen eerder verzamelingen zijn dan éen verhaal bieden. Galeano’s Boek der omhelzingen was net zo rijk en verrassend geweest met 20% minder pagina’s. En was het twee keer zo dik geweest had dit aan mijn waardering ook niets afgedaan.

Toch is het wel prettig als een boek te kort lijkt, dat de ervaring zo goed was dat het zonde lijkt om er mee op te moeten houden.

Dus kan ik misschien toch een lijstje opstellen waar fictie aan moet voldoen.

  1. ik moet meteen het boek ingezogen worden. Vanaf pagina 1 willen weten hoe het verder gaat;
  2. ik moet verrast worden, maar toch ook geboeid blijven. Waarschijnlijk lukt dit het best door mij te vertellen over wat ik al ken, maar daar toch nieuwe en onbekende elementen aan toe te voegen;
  3. ik wil ook iets kunnen leren, idealiter iets waardoor ik voortaan toch met een andere blik naar de wereld kijk. Maar dat leren moet vanzelf gaan. Voor imponeergebasel van de schrijver ben ik hogelijk allergisch;
  4. als het verhaal ernstig is, moet het toch voldoende lucht en vrolijkheid hebben. Als een verhaal humoristisch is, moet het wel realistisch blijven;
  5. het taalgebruik moet me niet opvallen. De schrijfstijl moet onnadrukkelijk zijn, maar mag bij gelegenheid zeker even flonkeren;
  6. de schrijver hoort aan te nemen dat ik intelligentie bezit. Mij hoeft lang niet alles van het verhaal verteld te worden, als mij maar wordt aangereikt wat ik verder zelf in kan vullen;
  7. een bonus is als ik met iemand in het boek mee kan leven;

Wordt ongetwijfeld vervolgd. En ja, het is met een lijstje als dit ook heel goed mogelijk te formuleren wat me ergert aan een boek, door van het tegendeel uit te gaan.

Daarmee kom ik toch ook bij de boeken van Dick Francis. Die, hoewel onschuldig amusement, toch zeker drie eigenschappen bezitten die ik hierboven noem [a,b,c]. Want ja, ook al schrijft hij genrefictie, daarin behandelt hij de misdaad toch ook op zo’n manier dat ik verbaasd ben hoe makkelijk de wereld te bedriegen is.

boeklog: 723 — Dick Francis, Enquiry
boeklog: 727 — Dick Francis: Field of 13
boeklog: 729 — Dick Francis: Decider
boeklog: 733 — Dick Francis: Twice Shy


Bekentenissen van een snelle lezer | 2

Tweeënhalf jaar geleden schreef ik, bij de start van mijn boeklog, wat ideeën op over wat lezen is.

Dezer dagen sta ik her en der in de krant als iemand die opschept wel duizend woorden per minuut te kunnen lezen. Nu lieg ik aan die snelheid niets, maar tegelijk is deze compleet irrelevant. Zo’n karakteristiek komt weleens ter sprake, als je uitlegt weliswaar elke dag wel een uurtje of wat te lezen, maar dit toch echt voor de lol te doen. Erbij.

Het is lang niet het eerste dat ik normaal vertel over mijn leesgedrag.

Bovendien gedenk ik Jeroen Brouwers’ woorden, omdat hij in Kroniek van een karakter heeft uitgelegd dat aan veellezers altijd dezelfde foute vraag gesteld wordt. Niet interessant is dat zij zo’n groot tal boeken onder ogen hebben gehad, veel boeiender is de vraag hoeveel zij onthouden van al dat lezen.

En ook al prijs ik mijzelf een redelijk geheugen te hebben, het valt tegen wat ik van mijn lezen onthoud. Vandaar ook boeklog, dat alleen al dient om op zijn minst de titels ergens vast te leggen.


Lezen voor de lijst

Lezen vind ik op zich wel aardig om te doen, maar het lezen voor de lijst was een crime. Met terugwerkende kracht begrijp ik dat dit kwam door het stuitende egoïsme van mijn docenten. Lezen voor dé lijst was bij hen: lezen van hún lijst. En hoewel daarop vast alle scholierentoppers zullen hebben gestaan — waarvan de voornaamste kwaliteit het geringe aantal pagina’s was — deugde die lijst domweg niet. Alleen al niet, omdat die bestond. Het wilde er bij mij ook niet in dat als een auteur meerdere boeken had geschreven, daarvan er maar éen goed genoeg zou zijn om gelezen te mogen worden.

Met terugwerkende kracht begrijp ik wel iets van de poging van mijn docenten om hun werk overzichtelijk te houden. En dat ik ze tot werk aanzette, door titels te willen lezen waarvan niet eens uittreksels bestonden.

Heb ik achteraf bekeken nog ongekend hoge cijfers voor de mondelinge overhoringen gekregen.

Ik weet niet of deze ervaring meeweegt, maar ik heb een hekel aan het lezen voor of van een lijst. Anderen moeten mij niet gaan aangeven wat goed voor mij zou zijn; waaraan ik nu werkelijk iets mis.

Toch zijn er nogal wat lijsten met boeken. Het lijkt wel of er niets anders met boeken te doen is, dan ze te verzamelen op een lijst.

Dus of het nu om Max Pam’s ranglijst gaat van de 100 beste Nederlandse boeken van de 20e eeuw, of Joost Zwagerman’s keuze uit anderhalve eeuw kortverhalen — om maar twee voorbeelden te noemen — ik geloof daarvan nooit dat zij uit een totaaloverzicht hebben kunnen kiezen.

Lijsten die zijn opgesteld in commissie kunnen al helemaal niet deugen. Daar zit altijd het element in van een populariteitspoll te zijn. En wat in het algemeen als goed bevonden wordt, zegt niets over de intrinsieke kwaliteit van een boek. Er zijn weinig schrijvers die zowel een publiek hebben onder de mensen die alles lezen, als de mensen die niets meer lezen dan hem of haar.

Gisteravond bleken vijfduizend Nederlanders gestemd te hebben op het beste buitenlandse boek. The Lord of the Rings won. En dat was dan nog wel aardige straf voor de pretentie bij de organisatoren.

Neemt niet weg dat ik Marc van Oostendorp bewonder, om diens plan voor zijn lol de ‘honderd invloedrijkste boeken aller tijden’ te lezen. Ik zou dat niet kunnen. Behalve dan misschien door vijfduizend boeken naast die honderd te lezen.


Lezen voor de lijst | 2

Ik geef toe weleens met de gedachte te hebben gespeeld om een boeklogcanon op te stellen. Om de boeken waarvan ik vind dat werkelijk iedereen die gelezen zou moeten hebben, in een aparte lijst te verzamelen.

Maar wat een hoogmoed spreekt uit dat idee.

En wat is de gedachte niet in tegenspraak met mijn weerzin tegen al die andere verplichte lijsten, zoals bijvoorbeeld de geschiedeniscanon.

Eén op éen met iemand pratend, zal het misschien nog mogelijk zijn. Dan kan ik best, vanuit mijn beperkte overzicht, aanbevelingen doen voor wat zo iemand zou kunnen lezen. Waarbij het leesplezier voorop zou moeten staan.

Maar een universele lijst opstellen? Geldend voor iedereen, van tien tot honderdtwaalf?

Ik heb te veel ervaring in het lesgeven om niet te weten dat het me eigenlijk stoort als mensen iets klakkeloos overnemen. Mijn streven is altijd om mijn pupillen te leren om zelf na te denken, en daarmee dus uiteindelijk mijn aanwezigheid overbodig te maken. Om éen of andere reden wordt dat zelden begrepen. Misschien is het typisch Nederlands. Maar de studenten hier zijn me toch te vaak piepende babyvogeltjes. Te vaak moet ik alles eerst voorkauwen en al half verteren, opdat zij de kots uit mijn krop gemakkelijk naar binnen slobberen.

Veel mensen zullen ook meer hebben aan documentaires of speelfilms dan boeken. Lezen wordt toch te vaak als inspanning gezien.

Een ander aspect dat tegen een boeklogcanon spreekt, is mijn idee over literatuur. Helemaal uitgekristalliseerd is de gedachte nog niet, behalve dan dat die ligt in het verlengde van het besef dat het veel makkelijker is om iemand non-fictie aan te bevelen dan fictie, laat staan poëzie. Zakelijke teksten brengen kennis over, al dan niet gekleurd. Maar wat brengt literatuur dan over? Ervaringen? Emoties? De wetenschap van hoe het is om mens te zijn?

Nogal wat literatuur is een eindpunt in tekst, zo niet een doodlopende steeg. Kan de roman, het verhaal, of het gedicht nog zo’n meesterwerk zijn, en de lezer nog zo veel te geven hebben, de ervaring die het biedt, blijft uniek en eenmalig. Daar is verder niet veel meer mee te doen. Moet de lezer ook het geluk hebben die ervaring op het juiste moment in zijn of haar leven te ondergaan.

Ik weet dat ik me met deze weerzin om anderen iets voor te schrijven keer tegen de idealen van het Bildungsbürgertum, tegen de ideeën achter de gymnasia in Nederland, of tegen Rudy Kousbroek. Maar ik ben uw vader niet, en wens die rol evenmin.


Lezen voor de lijst | 3

Enfin, ik kan dan wel stoer zeggen niet te willen lezen voor een lijst. Maar ineens blijk ik dat onbewust al gedaan te hebben.

De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren [DBNL.org] heeft namelijk een Basisbibliotheek opgezet, met 1000 sleutelteksten uit de cultuurgeschiedenis van de Lage Landen. Dat is een heel opvallende lijst, omdat het gehalte belletrie tegenover meer zakelijke teksten nu eens niet onbescheiden hoog is.

Bovendien blijk ik ongeweten zo al zeventien titels van deze sleutelteksten op boeklog besproken te hebben. En daar komen zonder meer bij. Wat me daarom noopt toch ook maar een rubriek basisbibliotheek in te voeren op boeklog.

Zoals met alle lijsten valt er lang over te twisten over wat er ontbreekt, of ten onrechte op staat. Ik vind bijvoorbeeld de aanwezigheid van Geert Mak’s pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid, of het vervolg Nagekomen flessenpost, ietwat voorbarig. En verder heeft de lijst voor mij wat het stempel goedgekeurd te zijn door de Nederlandse vereniging van huisvrouwen.

Maar goed, wie moet er zich dan mee bezig houden dán zwaar universitair geschoolden?

De 1000 sleutelteksten zullen in de loop van 2008 allemaal online komen te staan. En dat is toch mooi.


Wie, of wat, maakt ons dom?

te snel geschreven, om aan het verzoek van een lezer te voldoen

Verwijzingen naar het artikel duiken al een paar weken op, overal. Toch heb ik hier tot nu toe geen aandacht besteed aan Nicholas Carr, en de vraag die hij opwerpt, in zijn omslagverhaal van de Atlantic Monthly. Is Google making us stupid? De redenen daarvoor zijn simpel. Ik vond het een niet zo goed verhaal.

Het leek me eerder een samenvatting van een groter stuk, dan een op zichzelf staand essay. Anders kan ik niet verklaren waarom Carr in het tweede deel van het betoog zo veel cliché’s aanriep, uit de geschiedenis van het denken over technologie. Ik zie bijvoorbeeld niet in wat het noemen van Taylor en diens ‘time studies’ ook maar zou kunnen vertellen over mijn gebruik van de computer nu. Taylor ging met zijn stopwatch na of er een optimale manier was om zaken te kunnen produceren. Zijn doel was het om overbodige handelingen te signaleren, en daardoor weg te kunnen nemen. Maar mijn gebruik van Google, of mijn rondsurfen op het web, hebben zelden iets te maken met de optimale benutting van mijn tijd.

Uiteindelijk roept Carr maar éen nieuwe vraag op, zonder dat hij die vraag sluitend formuleert. Carr heeft opgemerkt dat zijn computergebruik gedragsveranderingen veroorzaakt, bij hem en wat vrienden. Alleen komt hij vervolgens met niet meer dan wat anekdotisch bewijs.

Een kennis van hem zou het nu niet meer lukken om Oorlog en vrede te lezen. Door zijn computergebruik is zijn vermogen om zich voor langere tijd te concentreren ernstig afgenomen.

Wat de mogelijke invloed van computergebruik op hersenfuncties betreft, heb ik hier onlangs wel verwezen naar een veel interessanter artikel. Al was ik daar toen meer van onder de indruk dan nu, in tweede instantie.

Susan Greenfield, hersenwetenschapper te Oxford, waarschuwt in een nieuw boek dat al die uren voor de computer en de televisie extra hoge doses dopamine helpen produceren in het brein. Mediaconsumptie levert grote kicks op. Een uitwerking daarvan kan zijn dat mensen naar die opwinding blijven zoeken, en daardoor niet meer in staat zijn tot taken zonder zo’n grote directe beloning.

Dit effect kan onder meer verklaren waarom kinderen zo veel minder braaf zijn op school, zo haalt Greenfield een gedragspsycholoog aan.

Op dat moment in haar betoog had mijn bullshit-meter naar het rood moeten uitslaan. Veranderingen in het menselijk gedrag verklaren uit éen enkele oorzaak, vind ik namelijk onnozel, zo niet gevaarlijk.

Zo kan ik bijvoorbeeld ook, uit de losse pols, betogen dat kinderen minder braaf zijn als vroeger, omdat hun omgeving zo veel minder hard voor hen is. Want, dat begint al in de luiers. Wilde mijn generatie nog zo snel mogelijk zindelijk worden, gaan de kleuters tegenwoordig nog rustig in de luier naar de basisschool. Voor ons was het onplezierig in een natgezeken katoenen luier rond te moeten lopen, want dat schuurde. Maar die straf bestaat er nu niet meer, dankzij de vochtopnemende laagjes, de absorberende gels, en alle andere hoogtechnische vondsten.

To pamper, is het Engelse werkwoord voor verwennen.

Aldus heb ook ik heel eenvoudig een maatschappelijke verandering weten te verklaren. Twee gelijk optredende ontwikkelingen werden simpel met elkaar in verband gebracht. Maar wetenschap begint er nu net mee zulke voor de hand liggende verbanden te wantrouwen.

En wat dit betreft, verkeert het hersenonderzoek nog in een uiterst primitief stadium. Wat op het moment bewezen wordt, is telkens vooral een bevestiging van effecten die al bekend waren.

Iedereen weet dat het spelen van Tetris of Patience op de computer verslavend kan zijn.

Tetris is zo verslavend omdat het spelen dopaminestoten kan oproepen die de hersenactiviteiten in de prefrontale cortex verminderen. Dit maakt dat mensen minder verstandig gaan handelen.

Het verschil tussen beide uitspraken hierboven is miljoenen euro’s aan investeringen en honderden manjaren aan research. En toch wordt hersenonderzoek pas echt interessant als er een moeilijke vervolgstap genomen wordt. Zodra het nuttige kennis oplevert om verslavingen te beëindigen, bijvoorbeeld.

TV-producenten weten al een tijd dat ze abrupte beeldwisselingen moeten inzetten om hun kijkers telkens opnieuw bij de uitzending te betrekken. Zelfs in het televisienieuws kijkt de journaallezer om de zo veel tellen ineens in een andere camera, om het publiek thuis wakker te houden. Het is niet zo vreselijk interessant om dit effect te verklaren door het optreden van dopaminestoten of veranderingen in hersengolven. Dat de ervaring heeft geleerd dat iets werkt, is doorgaans kennis genoeg. De meeste ingenieurs werken vanuit dit elementaire principe.

Nicholas Carr, om op hem terug te komen, doet goed beschouwd ook iets raars in zijn betoog. Hij stelt onder meer dat een actie waarin hij voortdurend de controle heeft — en wat is rondsurfen anders — het hem steeds moeilijker maakt om zich over te geven aan wat een ander dicteert — het lezen van een lange tekst.

Hij roept zelf dopaminestoten op door te handelen, en klaagt vervolgens dat de kicks uitblijven als hij zijn hersenen op een ander manier gebruiken moet.

Dat er verschil is tussen een actief mediagebruik en een passieve consumptie, lijkt me daarmee een open deur.

Neem nu het passiefste aller media, de televisie. TV staat mijns inziens voor de afkorting traag vermaak. Of tijd verspild. Ik kan er slecht tegen dat televisieprogramma’s zo langzaam zijn; en zelden meer dan radio met plaatjes bieden. Maar ik merk tegenwoordig vaker televisie te kijken dan jaren terug, omdat de techniek me een controlemiddel heeft aangereikt. Ik kijk tegenwoordig alleen nog [het einde van] sportwedstrijden in real time. Alle andere TV wordt opgenomen, en bekeken op een moment dat mij uitkomt. Daarbij is de grootste winst dat ik door de programma’s vooruit kan springen met éen druk op de knop. Programma’s die anders een uur duren, kunnen zo makkelijk in tien minuten bekeken worden.

Ik merk bij mijzelf een geheel omgekeerde ontwikkeling op, dan Carr signaleert. Juist mijn afkeer van het aanbod op TV, met zijn soundbites, en zijn andere belachelijk korte tekstjes, heeft een allergie opgeleverd tegen alles wat kort kort snel snel moet. Daarom ook interesseren kranten me steeds minder.

Krantenredacties willen nog altijd een compleet beeld brengen van wat er speelt. Ik ben in maar een gering deel van dat alles geïnteresseerd. Dus als kranten al iets brengen dat me boeit, geven ze door hun oppervlakkigheid per definitie nooit genoeg.

Er zijn goede redenen voor dat ik weleens een boek lees. Al is het tegelijk zo dat ik vroeger meer las, aan boeken. Tegenwoordig is mijn dosis lering en vermaak goeddeels online te verkrijgen. Juist in de lange artikelen die Nicholas Carr zo onleesbaar vindt.

Het is wat flauw om mijn ervaringen [n=1] rechtstreeks tegenover die van Carr [n=<10] te plaatsen. Want ik denk wel dat hij een interessant onderwerp te pakken heeft. Alleen zijn bij Carr’s uitwerking zulke grote vraagtekens te plaatsen.

De digitale revolutie maakt dat eeuwig nieuwsgierige mensen, zoals ik, zich beter kunnen informeren dan ooit. Tegelijk weet ik heel goed dat uitzonderlijk te zijn in die eeuwige zucht naar kennis. Zowiezo al delen maar weinig mensen mijn wantrouwen tegenover de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek.

De digitale revolutie maakt ook dat entertainment en andere vormen van verstrooiing makkelijker voor handen zijn dan ooit. Of dat trivia wereldwijd nieuws worden; alleen omdat het brengen van trivia aanzienlijk eenvoudiger is dan ontwikkelingen in de wereld uit te leggen aan een onwetend publiek. Dat publiek deelt steeds minder aan kennis en ervaring, behalve dan dat het de namen van wat Amerikaanse ‘sterren’ kent. En waarom zou dat publiek hartige snacks niet verkiezen boven een mediamaal dat enig kauwen vereist? De beloning is er groot genoeg voor, die dopamine golft wel weer. Dat nadenken ook weleens een beloning geeft, wordt daarmee oninteressant.

Klink ik ineens wel Huxleyiaans.

Maar alle omgang met nieuwe media vraagt gewenning. We staan nog maar aan het begin. Voor een groot deel zal de digitale revolutie trends versterken die allang bestaan. Zij die de inspanning willen leveren om te zoeken, worden beloond. Zij die passief blijven, zullen zich minder hoeven vermoeien dan ooit.

En ik weet welke groep mensen groter is.

Zo iets ons dommer maakt, dan zijn wij dat nog altijd zelf.


Boeklog, tussen maker en publiek

Rather than reading a book in order to criticize it, I would rather criticize it because I have read it, thus paying attention to the subtle yet profound distinction Schopenhauer made between those who think in order to write and those who write because they have thought.

Miguel de Unamuno, vertaling Clive James

Eén van de merkwaardigste misvattingen die over boeklog bestaat, is dat ik met de website publiek zou solliciteren naar een positie ergens als recensent. En, heel opvallend, het zijn haast altijd journalisten die deze overtuiging uiten.

Maar, er bestaat een immens principieel verschil tussen het bespreken van een boek voor een diffuus groot publiek, en de mogelijkheid om ongeremd de eigen bevindingen erover op te kunnen schrijven. Een journalist, of een recensent in krant of tijdschrift, stelt zich in dienst van dat medium, en eerbiedigt daarmee de wetten van de broodheer. Dit alleen al levert beperkingen op, in vrijheid of ruimte.

Bovendien is er weinig vervelender dan om een boek te lezen dat je anders had kunnen negeren, enkel om er een recensie over te moeten schrijven.

Ik heb al werk.

Tegelijk is er een aspect aan het recenseren voor andere media dat me wel aan het denken heeft gezet. Boeklogjes komen nu in zekere zin van de lopende band. Ik schrijf ze meestal om los te komen, als warming up voor mijn andere werk. Klaar in éen geut. Als er eens eentje minder lukt, is er vaak de volgende dag al een kans op verbetering. Als er eens een reeks minder uitpakt, is er altijd het archief nog.

Misschien zou ik mijzelf moeten dwingen toch eens wat moeite te doen. Om meer zorg te leggen in wat ik schrijf. Al is het daarbij wel een kunst om dit uit eerder een zekere lust tot formuleren te doen, dan om iets anders.

Bovendien kan het interessant zijn om de lessen van de schaarse critici die ik wel vertrouw, zoals een James Wood, in praktijk te brengen. Lessen worden het best actief geleerd.

Boeklog komt nu toch geregeld over als iets wat het niet is, zo blijkt me steeds vaker. Misschien levert dit me daarmee ook meer verplichtingen op dan ik altijd heb gedacht.


Hoe lees ik een boek?

Het is een vraag die telkens in verschillende bewoordingen terugkomt — deze meme uit 2005 over boeken was de laatste keer, maar er zijn meer van zulke vragenlijsten geweest. En het is een vraag die ik niet goed begrijp.

Ben je weleens verliefd geworden op een fictief personage uit een boek?

Ik begrijp die vraag niet goed, omdat een goede auteur zijn personages nauwelijks beschrijft, maar het nu juist aan de lezer overlaat daar de details van in te vullen. En het is wat raar narcistisch om verliefd te worden op iemand die je voor een niet onbelangrijk deel zelf bedacht hebt.

Al ken ik ook de cynische uitspraak van Mencken dat liefde de triomf van fantasie over intelligentie is.

Boeken, en verhalen, worden mij verteld. Daar heb ik zelf nauwelijks direct deel aan, behalve dan dat ik vrijwel elke tekst anders lees dan de schrijver bedoeld zal hebben.

En de meeste goede boeken beschrijven gebeurtenissen waarvan ik alleen maar blij ben ze niet te hoeven meemaken. De personages daarin roepen meestal wel gevoel op — het zijn tenslotte mensen — maar tegelijk blijft er ook een duidelijke afstand tot hen. Anders valt er weinig te genieten aan een boek.

Dus is ook de iets gewijzigde beginvraag van dit logje, wie nu mijn literaire helden zijn, mij vreemd. Maar ik schijn daar alleen in te staan.

Ik kan een boek enorm bewonderen, maar zelfs die lof komt al met het voorbehoud dat ik daarmee dus niet automatisch alles goed vind wat zo’n schrijver heeft gemaakt. Laat staan dat de maker van iets goeds daarmee ook automatisch goed zou zijn.


Hoe lees ik een boek? ii





Toen Bas Heijne het essay How Fiction Works van James Wood recenseerde voor NRC-Handelsblad, deed hij daarbij niets meer dan de inhoud navertellen. Wat de bespreking op zich niet fout maakt, maar slechts heel erg blind.

James Wood schreef zijn essay niet zo maar, om het leuk. Zijn pogingen om vast te leggen waaraan goede fictie moet voldoen, leverden eerder al een reeks snijdende kritieken op. Waarbij opviel dat nogal wat hoogaangeschreven auteurs volgens Wood ongeloofwaardige boeken schreven.

Dit alleen al riep wrevel op, omdat andere recensenten telkens over elkaar heen waren gebuiteld van enthousiasme voor de boeken van auteurs als Zadie Smith, Salman Rushdie, Don DeLillo, of Jonathan Franzen.

Dus riep ook Wood’s essay soms merkwaardig zure reacties op.

Doordat Heijne meende dit allemaal niet te hoeven noemen in zijn bespreking — misschien omdat Wood ook zijn favorieten heeft ontmaskerd — negeert hij een principiële onderliggende discussie. Die uiteindelijk over de elementaire vraag gaat hoe realistisch een roman dient te zijn.

Nu is realisme van zichzelf niets. Stap de deur maar uit en u wordt geheel realistisch omringt door realisme. En automatisch doet u meteen moeite om veel daarvan buiten te sluiten.

Ook in romans komt realisme altijd met een selectie van de auteur uit al het mogelijke dat die zou kunnen benoemen. Combineer dat met wat verteltrucs, waarvan de meeste al door kleine kinderen worden geleerd, en er ontstaat als vanzelf zoiets een verhaal.

Wat ik zo interessant vind aan Wood, is dat hij getracht heeft te benoemen wanneer bovenstaand mechanisme nu eens niet werkt in een boek, en waarom dan.

Literatuur is natuurlijk ook een raar fenomeen. Van een roman staat vast dat die een verzonnen verhaal bevat. En niemand heeft moeite met dit voorbehoud — behalve als de fictie misbruikt wordt voor een afrekening in de werkelijkheid. Tegelijk is de schrijver die ons in zijn of haar boek al toont slechts een verhaaltje te hebben verzonnen daarmee prompt een slechte schrijver.


Hoe lees ik een boek? iii





Wie veel leest, krijgt ook weleens een boek of tekst onder ogen met een griezelig voorspellende waarde. Alleen lukt het vrijwel altijd pas achteraf dit in te zien. Helaas.

Eén zo’n inzichtelijk boek was The Black Swan van Nassim Nicholas Taleb, dat ik vorig jaar juli las.

Dit is het werk van iemand die rijk werd op Wallstreet, en toch waarschuwde dat het weleens helemaal mis kon gaan op de financiële markten. Niet omdat hij de zorg deelde dat het toezicht op banken en andere instellingen tekortschiet, en er misschien wel erg makkelijk in geld gehandeld werd. Maar volgens Taleb veeleer omdat er een te groot en blind vertrouwen is in bepaalde statistische modellen.

Terwijl die modellen geen rekening houden met een plotselinge radicale omslag.

Op een dag dat weer overal in de wereld de beurzen gedaald zijn, en de centrale banken opnieuw miljarden aan geld hebben gecreëerd om te voorkomen dat het kaartenhuis nog verder inklapt, lijkt Taleb’s gelijk dus groter dan ooit.

Daarom mag hij me op het moment iets te vaak in de media uitleggen waar het mis ging — de ziener wiens waarschuwingen een jaar terug nog zo querulant leken. Ik heb mede daarom geen zin The Black Swan te herlezen. Voorlopig. Ook al omdat Taleb’s boodschap bij mij anders bleef hangen dan hij waarschijnlijk bedoeld heeft.

Het is ook simpel. Ik ben historicus. En als iets de geschiedenis tekent, dan wel de menselijke dadendrang om te handelen voor het eigen profijt. Ook als dit ten koste van anderen gaat. Ook als die handeling gebaseerd is op veel te weinig kennis, of radicaal verkeerde aannames.

Taleb gaf met zijn boek dus hoogstens extra voeding aan vooroordelen die toch al bij mij leefden.

Ik ben me vrij goed van die vooroordelen bewust. Maar het lezen wordt er nu eenmaal leuker van om sommige ideeën bevestigd te zien.


Zoals lezen het leven voedt, verrijkt leven het lezen

Karel van het Reve heeft in zijn boeken veel op te merken over critici en literatuurtheoreten. En met éen opmerking ben ik het wel bijzonder eens. Van het Reve vond het vreemd dat als gekeken werd wie er invloed hadden gehad op een schrijver daarbij alleen de heel groten worden genoemd. Kafka mag dan wel, of Joyce. En Proust natuurlijk. Maar dat een schrijver ooit beslissend beïnvloed kan zijn door de albums van Suske en Wiske is uitgesloten binnen zo’n wereldbeeld.

Elitarisme is vaak gewoon een vorm van bekrompenheid. Of gemakzucht.

En het is mede door dit gegeven dat ik meld geen goed antwoord te kunnen geven op een vraag van Achille van den Branden, naar mijn autobiografie in bepalende boeken. Omdat mijn leven invloed heeft op mijn lezen, en andersom. Zoals boeken me ooit anders naar de wereld konden laten kijken — eventjes — zo bepaalt de wereld vaak weer welke boeken ik kies om te lezen. En ook hoe ik die lees.

Maar wat was er dan eerst?

Kafka heeft in elk geval geen bepalende invloed gehad op mij. Joyce al evenmin. Of Proust. Maar de gisteren overleden schrijver J.G. Ballard is wellicht toch iemand die aanwijsbaar effect heeft gehad. Net als vele andere schrijvers van science fiction die ik in mijn tienerjaren las overigens — of ‘speculatieve fictie’ zoals Ballard’s genre tegenwoordig heet. Al die auteurs tezamen hebben iets teweeg gebracht. De pulpisten, sexmaniakken, en imitatoren even goed als de echt originele auteurs onder hen.

Ik ben toevallig Ballard blijven lezen na mijn puberteit. Tegelijk is er geen boek van hem dat ik tot mijn favorieten zou rekenen. Hij was vaak zo donker. Zelfs al hanteerde Ballard een prettig sardonisch soort humor bij alle beschreven ellende.

Maar het is door schrijvers als hem — maar ook weer niet hen alleen — dat ik voor het eerst ging twijfelen aan de status quo die mij voorgespiegeld werd in de media en de meeste romans. Wat weer tot keuzes heeft geleid in mijn studie en werkzame leven.

En het is door schrijvers als Ballard dat ik slecht tegen geliteratureluur kan. Tegen l’art pour l’art. Tegen zo iemand als Jeroen Brouwers bijvoorbeeld, die voor zichzelf een uitzonderingspositie claimt als literator, en vindt dat de samenleving hem zo veel meer verschuldigd is om de boeken die hij schrijft, dan hem nu toegedacht wordt.

Ik zal nooit de invloed ontkennen die Brouwers op mij heeft gehad met het levendige Nederlands in zijn brieven, of de scherpte waarmee hij polemiseert. En tegelijk willen diens romans zo graag kunstwerkjes zijn dat ze alleen al onder die pretentie bezwijken. Bovendien missen ze duidelijk iets. Ik vind die boeken heel matig, en Brouwers’ poging tot zelfverheffing pathetische borstklopperij.

Literatuur staat voor mij op drie pijlers: taal, verhaal, en een derde factor, die ik bij gebrek aan een beter woord nu maar even wijsheid noem. In vrijwel alle romans, van wie dan ook, mist er altijd wel wat aan éen van de drie. Maar aan wijsheid, of inzicht, mankeert het mij toch het vaakst.

Toch gaat het altijd het minst over deze factor in de discussies over literatuur. Hoogstens dat een literatuurperfesser eens oppert straatrumoer te missen — waarop auteurs dan prompt weer verontwaardigd doen. Die gymlerares in hun boek was toch een zwarte vrouw?

Nee, taal staat het hoogst. Verhaal doet er al minder toe; plot is al verdacht. En de rest hoort blijkbaar tot de non-fictie.

In dat opzicht heeft een Jeroen Brouwers me absoluut geleerd dat zelfs een drol nog een taartje kan lijken, als die maar in goede stijl beschreven wordt.

J.G. Ballard heeft me daarentegen geleerd dat er schrijvers bestaan die kijken en doorzien, en het angstwekkende dat ze daarbij aantreffen ook over weten te brengen.

Door Ballard valt me de zo selectieve blindheid van andere auteurs op. Ik acht dat een grotere verdienste dan wat Brouwers me heeft bijgebracht. Maar tegelijk moet ik toegeven dat J.G. Ballard en zijn collega’s me in dit aspect mede hebben gevormd.

En waarschijnlijk niet met éen boek. Kwam het leven er vervolgens ook nog eens over heen.

Toen Brouwers onder mijn ogen kwam, was ik al bedorven.


Wel in huis, dikwijls geprobeerd, nooit uitgekregen

geschreven op verzoek, en hier opgenomen om de faq van boeklog misschien ooit nog eens aan te vullen.

Het antwoord op de vraag welke boeken ik niet kan lezen, is niet heel interessant. Dat zijn er namelijk gewoon te veel. Ik heb de Nederlandse litteratuur al grotendeels opgegeven, in dit opzicht. Die heeft mij te zelden iets te bieden waar het bloed sneller van stromen gaat.

Boeiender is daarom misschien om na te gaan welke boeken ik wel wil lezen, en zelfs in bezit heb, maar waarvan me dat om uiteenlopende redenen niet lukt.

1] Bovenaan die ranglijst staat zonder meer Lucky Jim, van Kingsley Amis [1954]. De satire over het leven aan de geschiedenisfaculteit van een provinciale universiteit in de jaren vijftig. Misschien wel het beste werk dat Amis ooit schreef; opgenomen in vele lijstjes ook van beste boeken.

Er zou veel aan dit boek te genieten moeten zijn voor mij. Ik ken het leven aan een geschiedenisfaculteit. Amis baseerde dit boek bovendien voor een deel op ervaringen Philip Larkin, een literaire held van mij. En Larkin bemoeide zich ook behoorlijk met de tekst.

Ik heb het boek ooit wel eens uitgelezen, als huiswerk, met een verplicht hoofdstuk per dag. Maar daarbij overkwam me nooit de onderdompeling in de tekst die het lezen zo prettig kan maken.
 

2] Atonement, Ian McEwan [2001]. Eén van de beste boeken die de auteur ooit zou hebben geschreven. Een tour de force. Genomineerd voor de Booker Prize, wat niet al.

Ik was altijd een nogal onkritische fan van McEwan, tot dit met twee opeenvolgende boeken over ging. De roman Amsterdam [1998] was op zich nog wel te genieten, maar nogal dom in de zin dat McEwan zo’n onwezenlijk Nederland beschreef dat er nooit enig uitstel van ongeloof was bij het lezen.

Atonement is helemaal mis, voor mij. En dit komt omdat de auteur het begin van dit hele boek niet in zijn eigen stem heeft geschreven, maar in die van een meisje dat een van de hoofdpersonen is. Nu schijnt dit gegeven een onderdeel van de plot te zijn, en misschien heb ik hiermee het boek ook voor u verknoeit, maar zo ver ben ik nooit gekomen. Ik kan Atonement door deze kunstgreep domweg niet lezen.
 

3] The Satanic Verses, Salman Rushdie [1988]. De roman die Rushdie wereldberoemd maakte, maar om heel andere redenen dan hij had gehoopt.

Ooit aangeschaft uit een gevoel van solidariteit, ben ik nooit ergens gekomen met dit boek. Nu schijnt dit een van de meest ongelezen boeken aller tijden te zijn, dus ik weet me ditmaal in groot gezelschap. Van hem heb ik alleen Midnight’s Children ooit met enig genoegen uitgelezen. Rushdie doet namelijk iets met taal dat me irriteert, en hij vertelt nooit rechtstreeks.

wordt vervolgd.


15 in 15

Een nieuwe meme: noem binnen een kwartier 15 boeken die je gelezen hebt, en je voor altijd zullen bijblijven:

  1. Saul Bellow, Herzog
  2. Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter
  3. Elias Canetti, Die Provinz des Menschen
  4. Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation
  5. Max Frisch, Montauk
  6. Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen
  7. Peter Handke, De last van de wereld
  8. Esther Jansma, Picknick op de wenteltrap
  9. Garrison Keillor, Lake Wobegon Days
  10. Gerrit Komrij, Humeuren en temperamenten
  11. Fernando Pessoa, Het boek der rusteloosheid | The Book of Disquiet
  12. Karel van het Reve, Uren met Henk Broekhuis
  13. Jean-Philippe Toussaint, De badkamer
  14. John Updike, Pigeon Feathers and Other Stories
  15. Rink van der Velde, Feroaring fan lucht

opmerkingen:

  • aan het bijhouden van een boeklog is blijkbaar de eis gekoppeld je favorieten eens in de zoveel tijd te herbezoeken;
  • te weinig vrouwen. Maar Alice Munro noch Renate Rubinstein bijvoorbeeld schreven boeken uit éen stuk; dat maakt het vrijwel onmogelijk een memorabele titel van hen te noemen;
  • romans vind ik blijkbaar de moeite van het herinneren nauwelijks waard;
  • een strikte keuze uit de wetenschappelijke boeken, of filosofie, had een andere lijst opgeleverd;

Aantekenen: volgend jaar opnieuw doen, en kijken of er dan iets is verschoven.


Lezen voor de lijst | 4

Als er éen trend is die me ergert deze eeuw, dan wel de voortdurende neiging om alles in lijstjes te willen vatten. Zelfs als die lijstjes niet de pretentie hebben om alvast een canon te willen zijn.

Lijstjes hebben maar éen nut, en dat is om te bediscussiëren wat er niet op staat. En daarmee om de willekeur te tonen van welke selectie ook.

Zo dacht ik tenminste altijd. Principieel.

Lijstjes hebben nog een ander nut. En dat is om iemand te introduceren in een onderwerp waar die voorheen geen aandacht voor had.

Ook op ‘The hundred most influential books since the war’ is van alles aan te merken. Maar er staan wel titels op waar ik nog nooit van gehoord heb. Dat intrigeert.

En ik heb de laatste jaren maar twee boeken van die lijst gelezen


boeklog x: vooroordelen revisited

Vrij kort nadat ik mijn boeklog publiek maakte, leek het me nodig te benadrukken met welke vooroordelen ik las. Dat oorspronkelijke lijstje staat hier. Maar na 1.400 besproken boeken wordt het misschien tijd om nog eens te wegen wat ik toen schreef.

  1. ik houd meer van het kleine dan het grote; van verhalen dan romans, van essays dan monografieën; houd meer van boeken met maar een paar personages dan de grote allesomvattende roman. Ik prefereer kamermuziek boven symfonieën;

Een roman is een lang stuk tekst waar iets niet aan deugt. Aldus Randall Jarrell. En hij heeft gelijk. De afgelopen jaren hebben verhalen me meer gegeven als romans. En essays als monografieën. Er kan meer op de korte baan. En de magie is ook vol te houden.

Wel vraag ik me inmiddels af of mijn voorkeur niet ook te maken heeft met het gegeven dat er bijna niets is dat me uren boeit, of waartoe uren aan concentratie op te brengen is. Niets om in mijn eentje te doen tenminste.

  1. ik houd meer van boeken die uitgaan van de realiteit dan boeken waarvan de schrijver graag tot een bepaalde intellectuele of culturele traditie wil horen.

De vloek van het modernisme, waarvan de meesterwerken in de jaren 20 van de 20ste eeuw werden geschreven, lijkt iets te zijn uitgewoed. Het postmodernisme vertoont zo af en toe nog wat stuiptrekkingen. Academisme leeft daarentegen in de fictie nog altijd.

En ik moet toch ook een duidelijker voorbehoud maken bij ‘uitgaan van de realiteit’. Menig Nederlandse roman is voor mij niet door zijn realisme onleesbaar, maar door zijn provincialisme; de schraalheid aan thema’s, het gebrek aan algemene geldigheid.

  1. ik houd meer non-fictie dan fictie, maar dat komt vast omdat de kans een geslaagde zakelijke tekst onder ogen te kijgen gewoon groter is. Geslaagde fictie zal me daarentegen aanmerkelijk dieper raken;

Zo boeklog iets is, dan toch de permanente illustratie van het gegeven dat ik gauwer naar non-fictie grijp als naar fictie.

  1. heb weinig geduld met fantasie, magisch-realisme of andere bedachte vormen. Behalve dan oude sprookjes en volksverhalen;
  2. ik houd meer van poëzie dan proza. Maar de kans poëzie tegen te komen die ik geslaagd vind, is opvallend laag;

En ik snap nog altijd niet goed waarom dit probleem met gedichten er is.

  1. comedie staat boven drama;
  2. maar ik vind humoristisch bedoeld proza hoogstzelden leuk, en snel irritant;

Maar desondanks blijf ik proberen om nieuwe humoristen te ontdekken.

  1. prefereer eenvoud en helderheid verre boven complexiteit, helemaal als helder wordt uitgelegd hoe complex alles is;

En dit laatste vooroordeel is niet alleen de kern van mijn leesvoorkeur — slecht schrijven staat gelijk aan slordig denken — ik heb daarmee bijna een levensprogramma geformuleerd.

Hoogstens is dit programma nog aan te vullen met de notie dat ik me gauw verveel. Terwijl wat mij aangeboden wordt, in de media, of in boeken, vrijwel altijd lijkt op iets dat al bestond. Dus stoor ik mij nogal makkelijk aan de clichés, en de zichtbare gemakzucht bij de makers.

Enfin.


Lezen van een scherm

Lezen van een scherm, wordt dat ooit wat? Het antwoord op vragen of iets in de toekomst gebeuren zal, luidt voor mij vrijwel altijd: ja, maar. Er zal zeker iets veranderen, niemand kan alleen zeggen wat; omdat niet met zekerheid te zeggen is hoe het beeldscherm er over vijftien, twintig jaar zal uitzien.

De laatste weken heb ik meerdere malen de vraag gekregen of ik een e-reader kopen zou. Daarop luidde het antwoord niet anders dan op al die vragen over PDA’s, iPods, en andere specialistische apparatuur die jaren terug even flink gehypet werd. Het lijkt me meestal te vroeg om zulk spul aan te schaffen. De technologie is nog te primitief, te lelijk, en er zijn nog te veel vragen over licenties en prijzen.

En ik begrijp het voornaamste bestaansrecht van de elektronische boekenlezer ook niet zo goed. Het ding wordt aanbevolen omdat je een boek dat je niet hebt onmiddellijk kunt bestellen, en dus direct in bezit kunt hebben.

Ik lees en verzamel boeken toch heel anders. Daar speelt snelle behoeftebevrediging bijna geen rol in. Een goed boek is ook eeuwig actueel, en niet alleen geldig op dat ene moment.

Van tijdschriften, of kranten, snap ik weer wel dat het prikkelen kan om die onmiddellijk te willen hebben; vanwege het nieuws dat ze brengen, of het direct gewenste amusement. Maar elektronische boekenlezers worden zelden of nooit aanbevolen om hun kioskfunctie. Al was het maar omdat vrijwel geen kranten en tijdschriften aantrekkelijke digitale versies kunnen leveren.

Uiteindelijk gaat het ook bij e-readers om drie zaken; en onderscheidt het ding zich niets van alle draagbare apparaten die de laatste vijftien twintig jaar op de markt verschenen. Die eerste vraag luidt altijd: wat is de speciale functionaliteit? Daarop gevolgd door: wat is de kwaliteit van het scherm? En de derde vraag is: hoe lang houdt de accu het vol?

En dan valt op dat de boekenlezers altijd op die laatste twee kwaliteiten worden gepromoot. Ze werken met elektronisch papier, en daarvan zou de resolutie, en dus leesbaarheid, groter zijn dan van wat een computerscherm biedt. Bovendien kunnen e-readers het dagenlang volhouden zonder te worden bijgeladen; mits de WiFi of andere communicatiefunctie wordt uitgezet.

Maar andere apparaten zijn ook steeds zuiniger aan het worden. Mijn netbook heeft een autarkie van ruim zes uur, maar er zijn er ook al die acht uur van het stroomnet kunnen, of meer. En dat is een hele werkdag.

Het voornaamste voordeel van elektronisch papier is op het moment dat het geen belichting van achteren nodig heeft, zoals computerschermen. Want zo’n backlight vreet de meeste stroom; meer in elk geval dan de voortdurende verwisselingen van het beeld.

Maar toen Nicholson Baker deze zomer over de Kindle schreef, Amazon.com’s e-reader, merkte hij daarbij op net zo lief van het scherm van een iPod te lezen. Omdat de pixels daarvan zo klein zijn, en dus de schermresolutie zo hoog wordt. Het duurde even voor ik iemand tegenkwam die de Kindle-applicatie op zijn iPhone had, voor die uitspraak te controleren viel. En toen zag ik dat Baker gelijk had.

Mede daarom denk ik dat de huidige e-readers doodgeboren kindjes zijn. En dat toekomstige elektronische boekenlezers in functionaliteit veel meer op een notebook of netbook lijken, dan een apparaat waarop alleen boeken zijn te lezen.

Of er dan nog met beeldschermen wordt gewerkt, lijkt me wel een vraag. Wetenschappers die ik daar over sprak, inmiddels alweer bijna tien jaar terug, verwachtten een ontwikkeling naar heel groot, en heel klein. Elektronisch papier krijgt nut, maar dan op muren, als behang met extra functies. En voor individueel gebruik heeft irisprojectie zo zijn voordelen.

Dus denk ik zelfs dat een discussie met experts over hoe de hersenen reageren op het lezen van een scherm, hoe interessant ook, een tijdelijke discussie is.

Boeklog over Nicholson Baker
Boeklog over Maryanne Wolf


Boeklog, en het eeuwige compromis

Eén van de boeken die me in 2009 het meest teleurstelde, was Proust and the Squid van Maryanne Wolf. Nu lag dit in de eerste plaats aan mij, en niet zo zeer aan de schrijfster. Ik vertrouw er namelijk nog op dat een boek over lezen ook werkelijk gaat over wat lezen is. Terwijl Wolf vooral schreef over wat er mis kan gaan tussen de letters op een pagina, en de verwerking daarvan. En voor mij verklaart zo’n verzameling afwijkingen weinig tot niets over het wonder dat lezen is.

Tegelijk had ik kunnen weten dat harde wetenschap bestaat uit een moeizaam tastend zoeken. En dat een bekende wetenschapsfilosofische vraag is of onze hersenen wel de capaciteit bezitten om het functioneren van onze hersenen ooit te begrijpen.

Bovendien speelt bij elk onderzoek naar het functioneren van het verstand mee dat ik zo mijn eigen observaties heb gedaan. Waardoor op wetenschap vaak ook de plicht rust om te verklaren wat ik al eens bedacht heb.

Zo heb ik traditioneel moeite met schakelen tussen de verschillende rollen die het leven van mij vraagt. Op dagen dat ik veel moet praten, is het me bijna niet mogelijk om ook nog met enige kwaliteit te schrijven — terwijl beide activiteiten toch een beroep lijken te doen op mijn verbale gaven. Maar blijkbaar is het zo simpel niet.

In dezer dagen, nu ik even geen boeken lees, gaat schrijven al evenmin. Ik ben voor beide veel te snel afgeleid. Ben nu bezig met het veiliger maken van mijn weblogs, en met andere technische vragen, die een heel andere concentratie eisen; en me haast tot een ander mens maken.

Ik vloek bijvoorbeeld nooit normaal, behalve als technologie of software het ineens vertikt te doen wat die logisch gezien gewoon zou moeten doen. Weinig irriteert me meer dan dat.

Net zo lees ik het best als ik het drukst ben met andere tekst; alsof dan alles in de hersenbanen optimaal op tekstverwerking staat afgesteld.

Dus luidt de conclusie tegelijk dat boeklog alleen bij te houden is, als er eigenlijk geen tijd is om boeklog bij te houden; omdat ik al zo druk ben met andere tekst. Dan kost dit de minste inspanning. Dan is de kwaliteit het hoogst, relatief gesproken vanzelfsprekend.

Daarom ook ben ik zelden tevreden over een individueel boeklogje — terwijl de verzameling me inmiddels wel begint te bevallen.


365 dagen, 365 boeken

Ik heb een plan.

Doel is om dit jaar zeker 365 boeklogjes te schrijven, ofwel 365 boeken te hebben gelezen.

Nu heb ik er witregels omheen gezet, om dit voornemen te isoleren, en dus belangrijk te laten lijken. Alleen is dit doel minder bijzonder dan het lijkt, voor mij. Sinds 2 mei 2009 zijn er namelijk al 340 boeklogjes online gezet — en dit waren er een kleine 360 geweest, had ik december niet voor het grootste deel vrij genomen.

Bovendien is er sinds 1991, toen ik cijfers ben gaan bijhouden, maar éen jaar geweest dat ik minder dan 365 boeken las. Deze eeuw zijn het er steeds minstens 100 meer. Al tellen daar ook de boeken bij mee die me na vijftig pagina’s nog altijd niet interesseren, en dan terzijde gaan.

Ik heb me ooit de verplichting opgelegd altijd een boeklogje te schrijven, als een boek voor minstens de helft was uitgelezen.

En die verplichting knelt nu nog niet. Ik heb nog altijd het idee te leren van wat ik doe. Maar het kan goed zijn dat er binnen korte tijd wel zo’n moment van verzadiging is. Misschien na het 2000ste boeklogje, misschien na het 2500ste. En dan moet er wat anders. En dan is het vast zonde dat ik niet ooit éen jaar ‘voluit’ ben gegaan.

Ook al omdat het altijd indruk op anderen maakt als iemand publiek 365 boeken leest in een jaar.

Zo ver is het nu met me gekomen. Dat ik aandacht ga zoeken voor iets dat voor mij volkomen vanzelf spreekt. In plaats zulks vanzelf te laten spreken.


Wie, of wat, maakt ons dom? | ii

Het idee leeft al een tijdje onder cultuurcritici. Terwijl er nog nooit in de geschiedenis van de mensheid zo veel informatie en cultuur vrij beschikbaar is geweest voor iedereen, dankzij internet, zouden we daar toch alleen maar dommer van worden.

Samengevat is het probleem namelijk dat internet ons zo overvoert met impulsen, dat we daarmee het vermogen verliezen ons langere tijd op éen probleem te concentreren.

Tja.

Ik schreef twee jaar geleden al eens mijn bezwaren op tegen deze opinie. Wie zich door alles laat afleiden, is daar in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor; en moet niet factoren van buiten beschuldigen.

Bovendien merk ik bij mijzelf een precies omgekeerde tendens.

Pas door internet is er een medium in mijn leven gekomen dat bij mijn manier van denken past. Ik ben nog altijd al snel verveeld. Maar mijn leven online, en de kwaliteit van wat ik daar kan vinden, heeft slechts negatieve gevolgen voor de tijd besteed aan andere, even vluchtige media. Ik kan geen Nederlandse krant meer lezen, door hun stuitende oppervlakkigheid. Ik kan vrijwel geen televisie meer zien, vanwege het zo trage tempo aan informatieoverdracht daar.

Evenmin merk ik iets van een verminderd concentratievermogen; of dat ik nog sneller afgeleid zou zijn.

Weer heb ik iets anders opgemerkt. Ditmaal door de zelfopgelegde plicht om een met regelmaat een boeklog bij te houden; zonder daar eigenlijk tijd voor te hebben.

Er is weinig dat zo veel concentratie genereert als het hebben van een doel.

En hoewel ik zeker niet elk boeklogje met evenveel plezier schrijf, heb ik door deze inmiddels jarenlange bezigheid geleerd dat het nut groot is, zelfs bij de ergste routineklus.

Er is weinig dat de gedachten zo dwingt, als de eis om een gewogen oordeel uit te spreken.

Als ik polemisch wil zijn, kan ik deze ontwikkeling samenvatten met de woorden: de mogelijkheden van internet hebben van mij juist een betere lezer gemaakt dan voorheen. En het lijkt me sterk dat hetzelfde niet zou gelden voor al degenen die bijvoorbeeld online schrijven over wat ze gelezen hebben; of zij dit nu op een eigen website doen, of in de vele overige platforms en fora die het internet biedt.


500 fictieboeken. Toch nog

Boeklog is een database, die bezoekers desgevraagd webpagina’s voorzet met een selectie uit de opgeslagen informatie. En hoewel databases doorgaans heel nuttig zijn, doen ze ook weleens iets onbedoeld. Zoals het tellen en bijhouden, van lijstjes en categorieën.

Dus leert de database onder boeklog me dat ik inmiddels haast vijfhonderd fictiewerken heb gelezen, sinds 1 januari 2005. Dat komt neer op negentig fictieboeken per jaar. Ofwel: twee van elke zeven boeken die ik lees, bevatten bedachte verhaaltjes.

Dit aantal valt me nog erg mee. Vooral omdat ik voor mijn gevoel bijvoorbeeld nauwelijks romans uitlees — of zeker in heel veel meer begin dan uitgelezen worden; zodat ik er op boeklog nooit iets over meld.

Nu ja, op boeklog tellen de stripverhalen en de detectiefjes mee onder het kopje fictie.

En het is zeker niet zo dat ik met tegenzin verzinsels consumeer. Mijn smaak heeft zich alleen al een tijd verleden verlegd van de roman naar het korte verhaal. Omdat verhalen nog altijd wel de kracht hebben om me tot een alles buitensluitend lezen te dwingen.

Romans tonen zich vrijwel steeds toch boeken waar iets niet aan deugt. Is het de toon niet, dan de intentie wel, of de pretentie, en daarmee al gauw de saaiheid, en de kleinheid van het uiteindelijke verhaal.

Zijn er ook nog altijd romanschrijvers die mij voor onnozel houden, en daardoor ergernis oproepen.

Tegelijk schijnt de roman nog altijd het enige boek te zijn dat er toe doet, bij sommigen. Eén van de grote commerciële boekenprijzen in Nederland heeft zijn reglement nu zelfs zo veranderd dat jury’s voortaan alleen nog romans mogen bekronen.

Tegelijk hebben trendwatchers het de hele tijd over de dood van de lange tekst. Omdat internet ons africht om het korte te waarderen — waardoor er nu ook de mythe is dat niemand meer de concentratie kan opbrengen om romans te lezen; met al hun verwikkelingen.

Ik vind beide standpunten veel te extreem, en daarmee niet zo heel vruchtbaar om over na te denken.

Al denk ik wel dat het probleem van de roman blijft dat die nooit in éen geut geschreven kan worden. Dat, anders als bij een kortverhaal, auteurs in heel verschillende gemoedstoestanden aan zo’n boek werken — er zelfs vaak jaren mee bezig kunnen zijn.

En juist daarom denk ik ook dat er nog heel sterke romans geschreven kunnen worden, zodra schrijvers weer oog krijgen voor de mechanismen die een boek laten werken. Maar dat al eist bijvoorbeeld al een herwaardering voor het verhaal, en de kracht van het vertellen. En daarvoor is de status van de academische roman hier nog altijd te hoog.


Serieel lezen

Op 1 september had ik ruim twintig boeken uit de reeks privé-domein gelezen, en alvast op boeklog geplaatst. Een mooie serie. Toen leek het een goed idee om september 2010 een soort speciale maand te maken; met dertig besprekingen van boeken uit éen reeks.

Alleen las ik tussendoor nog andersoortige boeken dan autobiografieën, memoires, en brievenbundels. En het voelde niet goed om daar pas in oktober mee te komen. Dus gaat de actiemaand verder niet door.

En toch heeft serieel lezen iets. Al geldt dat meer voor reeksen van eenzelfde schrijver, dan voor series van dezelfde uitgever. In korte tijd meerdere boeken lezen van éen auteur maakt onbarmhartig duidelijk wat zijn of haar sterkten en zwakten zijn. Dus is het mogelijk zo een schrijver voor altijd onleesbaar te maken.

Maar ik ben er niet zeker van of dat wel zo verkeerd is.


Serieel lezen | 2
Elias Canetti

Afgelopen week werd Ina Post na 23 jaar vrijgesproken van de moord op een bejaarde vrouw. En ik had een boeklogje klaarliggen dat deels ging over Ina Post, en dan vooral waarom ze iets bekend had dat zij niet gedaan kon hebben.

Het is altijd mooi op de actualiteit te kunnen inspelen, met materiaal dat tegelijk tijdloos is.

Alleen was er op dat moment net een serietje op boeklog begonnen, over de autobiografische boeken van Elias Canetti. Die op zich weer deel was van een reeksje over deeltjes privé-domein.

En daardoor stuitte ik op het vreemde probleem dat een zelfopgelegd vormideaal — reeksjes hebben gewoon iets — te snel alweer tot een knellend keurslijf werd. Dus komt het boeklogje waarin het lot van Ina Post behandeld wordt pas zondag online.

Nu boeklog de achttienhonderd titels nadert, en zo meteen de zevende jaargang ingaat, is het in sommige opzichten op een tijdschrift gaan lijken — behalve dan dat ik mijn impressies nog altijd te snel opschrijf. Ik bedenk namelijk weleens iets dat op een productiecyclus lijkt.

Niet altijd is die wat zakelijker aanpak een nadeel. Daardoor dwing ik mijzelf ook te lezen wat ik anders misschien zelfs niet had ingezien. Zo wordt alleen al duidelijker wat nu precies mijn vooroordelen zijn.

Ook maakt het lezen in series sommige zaken helderder. Ik schreef daar eerder over. Maar na enkele experimenten met serietjes op boeklog in 2010 is toch ook duidelijk dat niet alle reeksen werken.

Een maand uittrekken om alleen boeken van éen uitgever te lezen, zoals het plan voor september was? Dat is zeker veertien dagen te lang. Dit experiment werd dan ook al afgebroken terwijl het nog liep.

Een weekje boeken van éen genre brengen, zoals ik in april deed met een serietje schrijversbiografieën? Dat is vooral aardig voor mij, omdat zo’n reeks mij in staat stelt om beter te zien welke aanpak deugt in een biografie, en wat verveelt. Geen bezoeker aan boeklog zal er verder iets aan hebben.

Een serie over elektronische boeken beginnen, en op eamelje.net óver de werken schrijven, om ze op boeklog inhoudelijk te kunnen bespreken? Daar had ik mee door moeten pakken. Over het onderwerp is meer te zeggen. Of in elk geval is hetzelfde nog eens anders te formuleren.

Dus lijken alleen de korte serietjes over de boeken van éen schrijver me zonder voorbehoud iets op te leveren, waarin de som meer kan zijn dan de waarde van de delen alleen.


Quote of the Day | 0219

I know what I think this is full of. Of arrogance, and pomposity, and what Philip Larkin liked to call the smell of bum. Here’s a nice little exercise: find a book, or an article, or a website that has quotes about “books”, or “reading”, or “literature”. Look through the examples, and ask yourself how many of these self-consciously citeable sentiments actually make sense? Because the instances I have quoted are chosen almost casually from a myriad competing instances of overstatement, false generalisation, self-congratulation and self-deception, pure silliness, inanity.

Rick Gekoski, ‘Reading is Overrated’


Citaat van de dag | 0221

De roman is de plaats waar de fantasie van de schrijver die van de lezer ontmoet. Intellectueel gezien een waar krachtenveld, een vruchtbare bodem voor avontuurlijke, onvergetelijke, eventueel zelfs levensveranderende ontmoetingen. Maar rolt er feelgood van de drukpersen, dan ontmoet de lezer een verliteratuurde vorm van Lieve Lita. Zo’n vochtige helpende hand die woorden van troost en opgewarmde clichés aanreikt. Dit is niet het type verbeelding die tot denken aanzet, die intellectueel ontregelt en uitdaagt.

Jeroen Vullings, ‘De besmettelijkheid van de feelgood-literatuur’


Zitat des Tages | 0223

Ich bin oft anderer Meinung als Sie. Wer Texte nur deswegen liest, um sich in seiner Meinung bestätigen zu lassen, sollte das Lesen am besten aufgeben.

Harald Martenstein, ‘Enden Sie bloß nicht wie Hemingway’

Boeklog über Martenstein


Quote of the Day | 0301

If reading heightens your responses, shapes your idea of the world, gives you a sense of the purpose of life, then it is not surprising if, over time, reading should come to play a proportionately smaller role in the context of the myriad possibilities it has opened up. The more thoroughly we have absorbed its lessons, the less frequently we need to refer to the user’s manual. After a certain point subjective inwardness becomes self-rather than textually generated.

Geoff Dyer: ‘Reader’s Block’


Citaat van de dag | 0413

wat ik lees, is bijna uitsluitend poëzie. Andermans proza kan ik nauwelijks nog verdragen. Vooral wanneer het fictie betreft.

Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste is de gemoedstoestand die ik nodig heb om te lezen of om te schrijven identiek. Wanneer ik in de stemming ben om te lezen, ben ik ook in de stemming om te schrijven. Dan schrijf ik liever.

Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Moet je als schrijver ook veel lezen?’

Pfeijffer, die met een serie bezig lijkt te zijn over het schrijversschap — hij meldde eerder al hoe weinig dit loont — leest anders dan ik.

Al kan ik wel degelijk lezen als hij, met het oog van een architect, wegend hoe een boek is opgebouwd.

Waar ik al die jaren nooit over nagedacht had. Ook niet mijmerend over wat boeklog me brengt. Is dus dat het uniek blijft dat ik elk boek redelijk onbevangen aan kan vatten.


Quote of the Day | 0614

Writers perforce read differently from everyone else. Most people ask three questions of what they read: (1) What is being said? (2) Does it interest me? (3) Is it well constructed? Writers also ask these questions, but two others along with them: (4) How did the author achieve the effects he has? And (5) What can I steal, properly camouflaged of course, from the best of what I am reading for my own writing? This can slow things down a good bit.

Joseph Epstein, ‘Heavy Sentences’

Boeklog on Epstein


Quote of the Day | 0720

“Films won and books lost. That’s the story of the 20th century – the story of where the stories went,” Toby Litt observes. An emphasis on strong plot and the rejection of fiction’s digressive powers seems to be the order of the day. We just don’t do longueurs anymore.

John Lucas, ‘Has plot driven out other kinds of story?’


Quote of the Day | 0826

without reading, there can be no learning; without learning, there can be no sense of a larger world; without the sense of a larger world, there can be no ardor to find it; without ardor, where is joy?

Helen Vendler, ‘Reading Is Elemental’


Quotes of the Day | 1218

  1. You don’t have to read every book you buy, and you certainly don’t have to finish the book you’ve started.
  2. When blurb writers describe an author “writing at the peak of their powers”, run a mile. When they say the novel is “allegorical”, head for the hills. Books that “will change your life” are as fabled as the hippogriff.
  3. Narrative (aka storytelling) is in our DNA. It’s called gossip.
  4. Keep a diary. It might keep you.
  5. In writers, vanity is the cardinal sin.

Robert McCrum, ‘Fifty things I’ve learned about the literary life’


Quote of the Day | 0123

You ask whether online criticism has made literature into a more or less isolated cult. Not really. I think literature itself was already becoming an isolated cult. Bernardo Soares, Pessoa’s heteronym in The Book of Disquiet, writes, ‘I am today an ascetic in my own religion. A cup of coffee, a cigarette, and my dreams can easily replace the sky and its stars, work, love and even the beauty of glory. I have, so to speak, no need of stimulants. My opium I find in my soul’. When it comes to literature, many of us have their own cult, their own religion, their own literary sky and stars. But there is a sadness to this, I think. Our stars are toy stars, like the ones which glow on a child’s bedroom ceiling. We are isolated; we read on separate islands. And reading, for us, is a hobby, a pastime, and little more than that, even if it once meant much more than that.

‘The Situation in American Writing: Lars Iyer’

Boeklog over The Book of Disquiet.


Quote of the Day | 0210

Since I first started reading, I know that I think in quotations and that I write with what others have written, and that I can have no other ambition than to reshuffle and rearrange. I find great satisfaction in that.

Alberto Manguel, On the Advantages and Disadvantages
of Bathing in the Fountain of Youth


Quote of the Day | 0211

It’s a basic but still weird fact about books that two people’s experiences of the same book can be radically different but equally valid. On the face of it it doesn’t seem possible. When we read a book and find that it sucks, that doesn’t feel like a personal judgment on our part, it feels like an observed fact that everybody else who reads that book should acknowledge — and if they don’t acknowledge it, that means that they suck. It goes against our instincts as a reader that two people can have opposite reactions to a book, and that both reactions can be true.

Lev Grossman, ‘Beyond Good and Awful:
Literary Value in the Age of the Amazon Review’


Quote of the Day | 0219

Long books are usually overpraised, because the reader wishes to convince others and himself that he has not wasted his time.

E.M. Forster, as quoted in:
Why modern novelists need to watch their weight


Kaf en koren

Hoeveel boeken in mijn kasten kunnen er eigenlijk wel weg?

De vraag is op zich niet heel dringend. Mijn huis heeft nog wel ruimte voor een boekenkast of wat erbij. Verder heb ik jaren geleden al eens een grote schifting gedaan. Sindsdien is de regel dat er elk jaar eigenlijk zo veel boeken uit moeten als er inkwamen. En zo heel veel komt er ook niet meer in. Vergeleken met vroeger.

Bovendien zijn er verschillende antwoorden op de vraag mogelijk.

Sommige boeken hebben me nog steeds niet alles gegeven. Daar verwacht ik nog iets van. Die moeten nog eens worden herlezen. En kunnen dus zeker niet weg.

Andere titels zijn allereerst interessant om de heb. Omdat ik ze nog voor een eerste keer moet lezen. Omdat het zulke mooie objecten zijn. Of omdat een weldenkend mens die titels in huis hoort te hebben in zijn privé-bibliotheek; om op elk moment te kunnen raadplegen.

Maar al dit laat onverlet dat er heel wat boeken in mijn kasten staan die ik nooit meer zal aanvatten. Die verkocht werden, of weggegeven, zou ik naar het buitenland verhuizen; om eens een moment te noemen waarop dit dilemma kan optreden.

De vraag hoeveel boeken weg kunnen, is gebaseerd op de potsierlijke column waarin Francisco van Jole de zegeningen van het e-boek bejubelt. En op Gerrit Komrij’s veroordeling van het gegeven dat van Jole inmiddels tachtig procent van zijn boeken heeft weggedaan.

Alsof Komrij niet meermaals zijn hele boekenbezit wegdeed, om elders opnieuw te beginnen. Trouwens.

Punt is natuurlijk, als ik tachtig procent van mijn boeken de deur uit deed, zou bezoek nog altijd goed gevulde boekenkasten blijven zien — en waarschijnlijk onder de indruk komen van dat rijke bezit.

Voor Komrij geldt dit evenzeer.

Dus wordt het potsierlijk als iemand pocht probleemloos het grootste deel van zijn boekenschat te hebben weggedaan.

Maar, we leven nu eenmaal in tijden van revolutie. Er verandert wel wat. En zoals altijd in de geschiedenis zijn er dan velen die kritiekloos het nieuwe omarmen, net als er tallozen zijn die willen vasthouden aan hoe het was.

Ik vind de discussie niet heel interessant of het e-boek en internet beter of handiger zijn dan uitgaven op papier. Naast mijn bureaucomputer staan bijvoorbeeld Van Dale’s Groot Synoniemenwoordenboek en Het juiste woord. Via internet en die computer kan ik Synoniemen.net gebruiken. Wat ik hanteer als het schrijven even niet vlot is strikt willekeurig.

Zit ik niet op kantoor aan mijn bureau te werken dan is maar éen keuze mogelijk.

Discussies over de waarde van het éen of het nut van het ander moeten altijd breder worden getrokken. Ik durf bijvoorbeeld de stelling wel aan dat de meeste boeken die worden verkocht vervolgens nooit een lezer krijgen. Boeken zijn namelijk zo’n makkelijk cadeau.

Ook zij opgemerkt dat heel veel boeken niet per se hadden hoeven te worden uitgegeven. Er verschijnen elk jaar tienduizenden titels in het Nederlandse taalgebied, en uit de meeste spreekt geen enkele noodzaak, behalve dan dat de auteur van zich wilde doen laten spreken. Maar de meeste van die uitgaven verdwijnen ook weer vanzelf, anders dan de boeken die zich thuis opstapelen.

En goed, in de beoordeling van boeken geldt ook dat wat de éen een meesterwerk vindt, of een werk dat van grote waarde was in zijn of haar ontwikkeling, een ander met diepe onverschilligheid slaat.

Een voordeel van het overbodige elektronische boek zal in elk geval zijn dat er geen bomen voor sneuvelen. Een nadeel is dat het bestaan werkelijk volkomen onopgemerkt voorbij kan gaan.


Quote of the Day | 0229

In the twentieth century people stopped just reading novels and poems and started studying them.

Tim Parks, ‘The Writer’s Job’


Quote of the Day | 0315

I also wonder if, in showing a willingness not to pursue even an excellent book to the death, a reader isn’t actually doing the writer a favor, exonerating him or her, from the near impossible task of getting out of the plot gracefully. There is a tyranny about our thrall to endings. I don’t doubt I would have a lower opinion of many of the novels I haven’t finished if I had.

Tim Parks , ‘Why Finish Books?’


Quote of the Day | 0318

There’s a tension between tools that encourage attentive thought and the reading of longer articles, and the cultural trend that everything becomes a constant stream of little bits of information through which we make sense of the world. So far, the stream metaphor is winning, but I hope that the tools for attentiveness become more broadly used.

Nicholas Carr, ‘We Turn Ourselves Into Media Creations’


Quote of the Day | 0319

Brain scans are revealing what happens in our heads when we read a detailed description, an evocative metaphor or an emotional exchange between characters. Stories, this research is showing, stimulate the brain and even change how we act in life.

Annie Murphy Paul,‘Your Brain on Fiction’


Quote of the Day | 0330

The essay is against abstraction, and by being against abstraction it is against ideological thought.

‘Adam Gopnik on Favourite Essay Collections’


Quote of the Day | 0401

The only way we can understand words like God, angel, devil, ghost, is through stories, since these entities do not allow themselves to be known in other ways, or not to the likes of me. Here not only is the word invented-all words are-but the referent is invented too, and a story to suit. God is a one-word creation story.

Tim Parks, ‘Do We Need Stories’


Quote of the Day | 0407

Publishing is not evolving. Publishing is going away. Because the word “publishing” means a cadre of professionals who are taking on the incredible difficulty and complexity and expense of making something public. That’s not a job anymore. That’s a button. There’s a button that says “publish,” and when you press it, it’s done.

Clay Shirkey, ‘How We Will Read’


In de herhaling

In The Observer stond dit weekend een pleidooi voor het herlezen van boeken. Daarnaast gaf een aantal Engelstalige auteurs aan welke romans zij graag herlezen. Want bij herlezen gaat het blijkbaar altijd om romans; nooit eens om een geschiedenisboek, of een wetenschappelijke verhandeling.

Opvallend vond ik daarbij dat niemand in The Observer signaleerde wat ik hier en op boeklog al verschillende keren beschreef. Herlezen is zo nuttig omdat het namelijk iets wegneemt van het toeval dat er altijd is bij het lezen. Een boek moet maar net bij je stemming, kennisniveau, of leeftijd passen op het moment dat dit voor het eerst wordt open geslagen.

En dat geldt zelfs als zo’n boek niet in korte tijd wordt uitgelezen, maar onder verschillende omstandigheden.

Herlezen kan dus ook de schokkende ontdekking opleveren dat je vroeger betrekkelijk weinig smaak had; en het je nog aan eigen oordeelszin ontbrak.

Bij het herlezen lost de hype op die een uitgave omringd kan hebben op het moment dat het boek pas in de handel was. Mode werd. Een onderwerp allereerst om over te discussiëren.

Literatuurbijlagen van de media en ook de meeste boekclubjes ontkomen te zelden aan die hype. Te zelden wordt beseft hoe vaak oordelen gekleurd worden door de waan van de dag.


Quote of the Day | 0420

As we revisit the objects of our reading, like recognizable but weathered landmarks, there can be no full going back, because we are not exactly the same people we were; but the consolation of rereading is the knowledge that we are these different people in part because of what those books have made of us.

Bharat Tandon, ‘Different people, different books’


Quote of the Day | 0704

I became a bit less of a book-collector (or, perhaps, book-fetishist) after I published my first novel. Perhaps, at some subconscious level, I decided that since I was now producing my own first editions, I needed other people’s less. I even started to sell books, which once would have seemed inconceivable. Not that this slowed my rate of acquisition: I still buy books faster than I can read them. But again, this feels completely normal: how weird it would be to have around you only as many books as you have time to read in the rest of your life.

Julian Barnes, ‘My life as a bibliophile’


Quote of the Day | 0723

It sounds schmaltzy to say, but fiction is much more to do with love than people admit or acknowledge. The novelist has to not only love his characters—which you do, without even thinking about it, just as you love your children. But also to love the reader, and that’s what I mean by the pleasure principle. The difference between a Nabokov, who in almost all his novels, nineteen novels, gives you his best chair and his best wine and his best conversation. Compare that to Joyce, who, when you arrive at his house, is nowhere to be found, and then you stumble upon him, making some disgusting drink of peat and dandelion in the kitchen. He doesn’t really care about you. Henry James ended up that way. They fall out of love with the reader. And the writing becomes a little distant.

‘Martin Amis Talks Terrorism, Pornography, Idyllic Brooklyn and American Decline’


Terwijl je leest
Gerard Unger

[…] Wie dit leest, let daarbij slechts op de betekenis van wat hier staat. En ziet daardoor niet hoe elk woord gevormd is, of hoe de letters op het scherm meehelpen om de herkenning van de woorden te vergemakkelijken.

Maar wat niet wordt opgemerkt is nog niet onzichtbaar, schreef Gerard Unger.

In zijn boek Terwijl je leest onderzoekt hij of er wetmatigheden zijn die een tekst goed herkenbaar maken. […]

boeklog 4 xi 2012


Quote of the Day | 1108

Carr’s model for what we might call the ‘book-user’—the contemplative literate subject—is grounded particularly in visions from American Transcendentalism and Romantic poetry. It is Nathaniel Hawthorne sitting meditatively in Concord, Massachusetts, prior to having his concentration broken by the intruding sounds of modernity, or the Keats of Ode to Psyche. [38] This figure supplies the norm against which to measure our technological decline. But it surely faces many other challenges at present than the formal character of technology: the generalization of insecurity and economic precarity; the erosion of the separation between work and life; the decline of the home’s integrity as a space external to the bustle of capitalist existence. In this world it is for most of us, sadly, a rare thing to be able to carve out the psychological space that this figure requires, to sit at length with the tranquillity required for ‘deep’ reading. The computer and the Web may well be significant factors in bringing this situation about—not only through our direct interactions with them, but also through their social, economic and cultural implications, many of which are ably traced by Carr across his three books. But there are clearly other factors too, beyond technology.

Rob Lucas, ‘The Critical Net Critic’


Quote of the Day | 1125

The results showed that whereas young adults (18-30 years) found it easiest to read lines of text when the fine visual detail was present, this was more difficult for older adults (65+years), who found it easier to read more blurred text. These findings support the view that older adults use a different reading strategy from younger adults and that they rely more than young adults on holistic cues to the identities of words, such as word shape.

‘Why Older People Struggle to Read Fine Print: It’s Not What You Think’


Quote of the Day | 1228

The e-book, by eliminating all variations in the appearance and weight of the material object we hold in our hand and by discouraging anything but our focus on where we are in the sequence of words (the page once read disappears, the page to come has yet to appear) would seem to bring us closer than the paper book to the essence of the literary experience. Certainly it offers a more austere, direct engagement with the words appearing before us and disappearing behind us than the traditional paper book offers, giving no fetishistic gratification as we cover our walls with famous names. It is as if one had been freed from everything extraneous and distracting surrounding the text to focus on the pleasure of the words themselves. In this sense the passage from paper to e-book is not unlike the moment when we passed from illustrated children’s books to the adult version of the page that is only text. This is a medium for grown-ups.

Tim Parks, ‘E-books Can’t Burn’


Sex
week 02

De Nederlandse boekhandel is in 2012 gered door drie boeken met sexfantasietjes van een mevrouw E.L. James. Naar eigen zeggen, de weerslag van haar midlife crisis. Wat doorgaans onderbelicht blijft, als over de uitgaven geschreven wordt, is dat deze boeken voortkomen uit fanfic — een genre dat al bloeit sinds de begindagen van internet. Ik kwam het twintig jaar geleden al tegen.

Toen was het evenmin iets.

Mevrouw James schreef onder het pseudoniem ‘Snowqueen’s Icedragon’ online fan fiction over de Twilight-reeks van Stephenie Meyers. Wat inhoudt dat ze de personages uit deze vampierserie stal, en die in verhaaltjes onderling relaties liet aanknopen op een manier die de oorspronkelijke auteur nooit bedoeld kon hebben.

De drie Fifty shades-boeken zijn een omwerking van fanfic die ze van de fans van de serie niet langer op de Twilight-forums mocht plaatsen, vanwege te smerig.

Veel later pas bleek dat James het nieuwe boekgenre mamaporno heeft bedacht; nadat een eerste uitgave nog in eigen beheer moest plaatsvinden. Ongetwijfeld leverde deze vondst haar in menige slaapkamer grote dankbaarheid op. Net als dat de Nederlandse boekhandelaren mevrouw James op hun blote knietjes mogen danken.

Ik prijs me slechts gelukkig dat bestsellers meestal eenmalige successen zijn. Dat het doorgaans geen zin heeft om met een vergelijkbaar product net zo te willen scoren.

Tegelijk vrees ik evenwel dat uitgevers nu de internetfora afsneupen naar andere vormen van fanfic — want er wordt wat gefantaseerd en geschreven in de wereld. Dat is mij allemaal best. En ik wil absoluut ook niet elitair doen over lezen ter ontspanning.

Het blijft alleen jammer dat in een wereld met zo veel boeken steeds meer mensen kiezen om net dat ene boek te lezen, en verder niets.
 


Quote of the Day | 0414

Who reads fiction? Who reads Amis, Barnes, Faulks, Boyd, Jacobson, Cartwright as well as Howard, Mantel, the two Smiths (Zadie and Ali), Tremain, Drabble, Ellmann, Byatt, Freud, O’Farrell? The answer is: women.

Men who read fiction are in a minority. They hide behind their wives and girlfriends, mothers and sisters, reading their books under the cover of darkness. They make up no more than 20 per cent of the fiction-buying market. Which is why publishers think almost entirely of the female audience when choosing covers for their fiction.

Alexandra Pringle, ‘Fiction: for women, by women’


Quote of the Day | 0525

At the base of it, I guess I don’t believe in other people’s hierarchies about what’s important in the world.

Alexis Madrigal: “Follow your own curiosity”


Citaat van de dag | 0527

Hoe komt het bijvoorbeeld dat ik als ik na een gedwongen onderbreking de draad van het verhaal oppak op de bladzijde waar ik was gebleven maar zelden weer net zo enthousiast word over een verhaal als ik daarvoor was?

Liliane Waanders, ‘Verzonnen of gebeurd, dat doet er in de literatuur
steeds minder toe, maar de tijd en bad continuity wel’


Quote of the Day | 1114

Long since retired, he was now restricted to a wheelchair and, with time on his hands, had been re-reading old favorites, all the great novels that had inspired a lifetime’s career in reading, writing, teaching. We talked about Faulkner, Fitzgerald, Hemingway, Henry Green, Elisabeth Bowen, Anthony Powell.

“How did they hold up?” I asked cheerfully.

“Not at all,” he told me. “They feel like completely empty performances. Like it wasn’t worth it at all.”

Tim Parks, ‘Trapped Inside the Novel’


Citaat van de dag | 1115

Het mooie van lezen is dat je het overal en altijd kunt doen. Met boeken is eenzaamheid vrijheid, grenzeloos. Daarom is het jammer dat literatuur iets is voor kenners, voor een bepaald soort mensen.

Thomas Blondeau [1978 — 2013], ‘Blondismen’


Stereotype of the day | 131211

7. But that doesn’t stop you from being obnoxiously pushy and opinionated about your favorite books.

8. Holidays are just another excuse to share classics and hidden gems with your friends and family; never mind their looks of disappointment upon receiving War and Peace instead of the latest gadgets, or even, like, a cool tie.

‘These Stereotypes About Book Lovers Are Absolutely True,
And That’s A Good Thing’

Tock knap om 31 stereotypen over boekenliefhebbers te formuleren waarvan ik er bijna geen een volledig op mijzelf vind slaan.

Nu ja, iemand die Ayn Rand serieus neemt, is inderdaad te vermijden volk.

En het is waar dat vrijwel niemand lezen ziet als een plezierig iets. Alleen maakt mij dat gegeven nog niet tot een missionaris die het tegendeel wel even zal bewijzen.


Citaat van de dag | 1219

Dat kun je Willem Jan Otten niet verwijten. Hij is beslist een zachtmoedig mens en in zijn essays valt geen onvertogen woord. Hij is op een top een Nederlandse auteur, die de raad van Gerard Reve heeft opgevolgd dat je in Nederland pas serieus wordt genomen als je laat blijken dat je ergens mee worstelt, het liefst met je geloof. Kortom, Willem Jan Otten heeft alles waardoor hij bij Nederlandse literaire jury’s zo geliefd is: hij schrijft keurig, hij worstelt met de vraagstukken des levens en hij verkoopt niet.

Max Pam, ‘Nederlandse cultuur: meer prijzen dan lezers’


Een geschiedenis van het lezen
Alberto Manguel

[…] Een geschiedenis van het lezen bevat namelijk zeker zo veel illustraties als tekst. Afbeeldingen in kleur daarbij — anders dan in de versie uit 1999. En een boek met honderden plaatjes van lezende mensen ontbrak nog in mijn bibliotheek.

Ik kan lang naar zulke afbeeldingen kijken — helemaal als het daarbij om schilderijen gaat.

Want, van wie kwam het initiatief om de geportretteerde met een boek af te beelden? Van de schilder? Of was het toch het model. […]

boeklog 14 xii 2014


A History of Reading
Steven Roger Fischer

[…] Belangrijkste verbazing bij het lezen over lezen blijft overigens toch altijd weer dat niet iedereen doet als ik.

Ik staar uren zwijgend naar reeksen donkere kriebeltjes op een lichte achtergrond, en zit dan al deze tijd blij te hallucineren. Levert deze trip me doorgaans nog wat op ook. […]

boeklog 15 xii 2014