Te fietsen | week 08
verlicht

De fiets vond zijn volmaakte vorm al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Toen werd de ‘safety’ bedacht, met zijn ruitvormige frame, en zijn kettingaandrijving. Sindsdien rijden we vrijwel allemaal safeties. Alle verbeteringen die sindsdien aan de fiets zijn aangebracht zijn hoogstens verbeteringen op details.

Niet dat deze stapjes voorwaarts niet voor meer fietsplezier zorgen. Mij lijken bijvoorbeeld de banden van dit moment aanzienlijk beter dan die van slechts enkele decennia terug. Blijft alleen staan dat de luchtband als vinding ook al stamt uit dezelfde negentiende eeuw.

Maar het gebied waarop in de twintigste eeuw de grootste technische vindingen zijn gedaan, is nu net de elektronica. En aan een fiets zit doorgaans die elektronica niet. Dus ging er tot nu toe veel grote en fundamentele progressie aan het rijwiel voorbij. [1]

Pas sinds LED’s — light-emitting diodes — worden toegepast in fietslampen lijken de grootste uitvindingen uit de negentiende en de twintigste eeuw elkaar te hebben gevonden.

Door LED kan een fietser tegenwoordig een betere koplamp hebben dan de gemiddelde motorrijder heeft. Mits deze fietser daarbij wat accu’s meesleept, en er rekening mee houdt dat die het licht hoogstens een paar uur brandende houden.

Voor mij hoeft het allemaal niet zo overdreven. Ik ben heel blij met wat een gewone naafdynamo en een LED-lamp aan licht kunnen genereren, zonder dat ik daar ook maar een trap harder voor hoef te doen. Zes volt, bij drie watt, levert al een indrukwekkende bak licht op, als een kwalitatief goede lamp wordt gebruikt.

Daardoor is het voor mij ineens normaal geworden om ook tijdens de avond of de nacht te fietsen; die in de winter al zo vroeg vallen. Ik hoef niet meer in angst te zitten of andere weggebruikers me wel zien. En ik weet zelf ook genoeg te kunnen waarnemen.

Het blijft telkens een mirakel om te zien dat reflectoren honderden meters verderop al oplichten voor mijn komst.

  1. Goed, tegenwoordig bestaan er dure versnellingssystemen die elektronisch schakelen. Deze werken op een batterij.  [ ]

Te fietsen | week 40
verlicht ii

Het is alweer zo vroeg donker dat het licht weleens op moet, op de fiets. En nog steeds ben ik verbaasd over de kracht van de twee goede LED-lampen in mijn bezit, de IQ Cyo’s van de Duitse fabrikant Busch & Müller. Hun kwaliteit went niet, waar kwaliteit anders zo gauw blasé maakt.

Toegegeven, binnen de bebouwde kom is de extra waarde van zo’n redelijk dure koplamp vrijwel nul. Daar waar de straten verlicht worden met lantaarns kan het op de fiets wel toe met een koplamp van 15-25 lux.

Maar buitenuit is 40 lux aan licht eigenlijk wel het minimum, en 60 lux nog net een ietsje mooier. Want weinig is prettiger om een lamp te hebben waarmee meer gezien wordt dan overdag. Omdat alle verkeersborden daarmee al einden van tevoren oplichten — daar waar ze er overdag wat ongemerkt bij staan langs de weg.

Is er nog het niet geringe voordeel van zulke koplampen hoe ze kunnen voorkomen dat tegenliggers je verblinden. Het is niet heel moeilijk om meteen de aandacht te hebben van een tegemoetkomende automobilist door de lamp even een tikje hoger te zetten. Dan dooft deze diens grote licht vrijwel direct.

Enfin, krachtige LED-lampen werken het best met een naafdynamo. En zo’n naafdynamo zit altijd in het wiel, en maakt dat wiel een tikje zwaarder, en daarmee logger voor het gevoel.

Een fanatieke lichtentester klaagt online zelfs dat de naafdynamo van SON, die zo duur is dat iedereen dat ding heiligt, zijn voorwiel vaak zo vervelend trillen liet.

Dat is allemaal waar. Maar een beetje fietser heeft meer dan éen fiets, elk met een verschillend doel. Dus is het goed om tenminste éen fiets te bezitten met subliem licht.

Want wat is het prettig om bij het rijden alvast éen zorg niet te hebben.


Te fietsen | week 29
functionaliteit

Meer dan éen fiets heb ik. Hoeveel precies zou ik zo niet eens kunnen zeggen. Want in mijn schuur hangen ook losse frames. En er zijn meer losse wielen dan ik zo weet van heb. En tezamen met wat dozen aan oude onderdelen zou ik best nog een fiets of wat erbij kunnen maken.

Zes heb ik er in regelmatig gebruik. Gewoon omdat niet alle fietsen gelijk zijn.

Soms zijn de eisen wel heel elementair. Er is een exemplaar dat weleens de hele dag bij de bushalte moet staan wachten. En dit dient vooral onaantrekkelijk te zijn voor dieven. Dat het ding nog rijdt ook, en remt, en zelfs het licht het doet, is al bijna meegenomen.

Vorig jaar pas schafte ik me een nieuwe vierdehands racefiets aan. Tot dan meende ik namelijk dat het bij fietsen eerst om de motor gaat, en daarna pas om de kwaliteiten van de rest. Dat bleek een misvatting te zijn. Snelle en lichtgebouwde fietsjes rijden alleen voor het gevoel al sneller en lichter.

Dus kwam er dit jaar een andere vierdehands racefiets bij, van hetzelfde merk en vroege bouwjaar. Om ook een leuk licht fietsje te hebben met spatborden erop; voor als het dreigt te gaan regenen of als de wegen er al nat bijliggen. Kost enkele tientjes, en nog wat meer om het ding goed op te knappen. Maar dat is mijn lol dan ook. En andere hobby’s kosten aanzienlijk meer geld.

Alleen merk ik dus nu ook steeds eenzelfde ontwikkeling door te maken met een fiets als deze me bevalt — die moet dan almaar meer aankunnen. Bijvoorbeeld, het hele jaar te gebruiken zijn.

Gelukkig ben ik niet de enige met zulke neigingen. Programmeurs kennen Zawinski’s law of software envelopment. Die houdt in dat software almaar groter in omvang wordt met de tijd, en dus trager, omdat de programmatuur almaar meer functies krijgt. Om dan uiteindelijk ook e-mail te kunnen ontvangen.

En Van den Berg’s law of bicycle envelopment houdt in dat al mijn fietsen uiteindelijk spatborden horen te hebben, een naafdynamo, LED-verlichting, een bagagedrager, en een zwaar slot — want dan zijn ze tenminste universeel te gebruiken.

Heb ik op een betaalbare wijze het probleem opgelost dat je niet éen fiets kunt hebben die alles kan. Is er toch iets onbestemds in mij dat verlangt om het liefst éen fiets te hebben waarmee alles is te doen.

Alsof het hart hoogstens ruimte heeft voor éen lieveling.


Te fietsen | week 40
dynamo

Geen kwaad woord over de naafdynamo van mij. Een betere manier om fietsverlichting van stroom te voorzien bestaat er niet. Voorlopig. Want naafdynamo’s werken altijd, en dan ook nog vrijwel ongemerkt.

Feit is alleen wel dat ik het hele jaar met zo’n ding rondrijdt, dat eigenlijk alleen met regelmaat wordt ingezet als de klok op wintertijd staat.

Bovendien heb ik niet al mijn fietsen van een naafdynamo voorzien.

Daarom las ik me toch even in over iets nieuws: de Velological Rim-dynamo. Die vergt namelijk niet de aanschaf en montage van een heel nieuw voorwiel. Weegt ook lang zo veel niet als een naafdynamo. En slijt al evenmin tijdens al die maanden van het jaar dat licht op de fiets niet de hele tijd nodig is; anders dan de lagers van een naafdynamo doen.

Bovendien neemt een velgdynamo het bezwaar weg dat er altijd kleefde aan de ouderwetse fietsdynamo’s — die eigenlijk alleen goed tegen de buitenbanden aanliepen die een regelmatig ribbeltjespatroon hadden.

Lijkt me alleen wel een vraag hoe een velgdynamo het zou doen onder wat extremere omstandigheden. Als het regent. Of als die regen bevriest.

Pluspunt is dan weer wel dat zo’n velgdynamo in het gebruik mooi éen kant van het wiel schoonhoudt voor wie velgremmen heeft — wat dan scheelt; want velgremmen die hebben ook altijd moeite om meteen aan te grijpen in de nattigheid.

De Velological Rim-dynamo blijkt helaas alleen behoorlijk aan de prijs te zijn. Daar zijn zeker twee hele voorwielen met een erg goede naafdynamo voor te kopen. Of op zijn minst vijf à zes HR dynamo’s die nog via een band spelen.

Dus zijn lampen op batterijen of accu’s voorlopig de meer aangewezen oplossing voor mijn fietsen die niets permanents van node zijn.


Te fietsen | week 44
standlicht

Zat er gisteravond weer een man aan mijn achterlicht te prutsen. En met de beste bedoelingen. Dat licht gaf nog licht. Terwijl de fiets schijnbaar onbeheerd in het rek was geparkeerd. De beste man dacht me van dienst te zijn door het lampje uit te knippen; en zo mijn batterijen te sparen.

Terwijl mijn achterlicht door een dynamo aangedreven wordt. En dus helemaal niet op batterijen werkt. Laat staan dat er een aan-en-uit knopje te vinden zou zijn.

‘Standlicht’ heet de technologie waardoor een achterlicht nog brandt zonder dat fiets rijdt. Die simpelweg inhoudt dat een condensator in de lamp tijdens de rit een klein beetje stroom opslaat, om bij stilstand vervolgens geleidelijk te ontladen.

Dit moet van de wet in Duitsland. Het is een veiligheidsvoorschrift daar dat fietslampen ook licht geven als de fiets niet rijdt; als de fietser bij een kruising of verkeerslicht staat te wachten om verder te mogen. Zo’n licht moet dan zeker nog een minuut branden. Liefst meer.

‘Standlicht’ blijkt alleen in Nederland nog altijd een vrijwel onbekend fenomeen te zijn. Helemaal in de steden. Waar goede fietsverlichting toch al zo’n schaars artikel is; enkel omdat fietsen er niet te aantrekkelijk mogen worden voor dieven.

Alleen rijd ik ook over andere wegen in het donker — wegen die helaas weleens gedeeld moeten worden met idiote mannen in dikke tweedehandsjes, die zo graag 120 rijden waar de limiet toch echt op 60 km/u is gesteld.

Dus heb ik de beste fietsverlichting gemonteerd die er te koop is voor gebruik met een naafdynamo. Kan ik nu zeggen. Omdat pas de recente aankoop van de B&M Secula me ook tevreden maakte over het achterlicht.

De beste fietslampen voor gebruik met een dynamo komen uit Duitsland.

Dus heb ik standlicht.

En daarom is me ondertussen al weet niet hoe vaak de wrevel overvallen dat ik iemand zie rondscharrelen bij mijn fiets. Waarin ik nog steeds direct een dief vermoedt. Om dan weer een brave ziel aan te treffen die meende goed te kunnen doen.


Te fietsen | week 47
vooruitgang

De fiets waar ik in dit jaargetijde het meest op rijdt, dateert uit 1981. En in de basis lijkt het ding onveranderd. Maar nogal wat aantal onderdelen van nu zijn een stuk beter dan die van tweeëndertig jaar terug.

Dual pivot remmen zijn beter dan de remmen met éen enkel draaipunt van vroeger. Ook is er veel meer keuze in remblokjes — die zijn zelfs aan te passen naar de seizoenen.

Wielen zijn steviger en toch lichter geworden, dankzij de ontwikkelingen in velgtechnologie. Internet heeft verder de keuzemogelijkheden aan banden aanzienlijk uitgebreid; en zelfs goedkope banden hebben tegenwoordig betere antilekgordels dan de beste banden van vroeger hadden.

Mocht ik per se winterbanden willen monteren, dan zijn die ook echt te krijgen.

Een achterwiel met een cassettenaaf is bovendien veel sterker dan een ouderwets wiel waarin versnellingen en freewheel nog éen waren — want achterassen knapten in die ouderwetse constructie nog weleens spontaan.

Daardoor is ook de achtervork bij mij ooit gebroken overigens. Uit vermoeidheid, vanwege trillingen, door zo’n as.

Ook mijn extra lange spatborden zijn een relatief recente uitvinding — door lange-afstandrijders bedacht om ook tijdens uren in de regen droge voeten te houden.

En een hedendaagse naafdynamo en LED-verlichting.zijn helemaal onvergelijkbaar veel beter dan de gloeiwormpjes van lampen waar ik het vroeger mee moest doen.

Zijn er ook nog een paar kleinere nieuwigheden. Zoals kettingen die te monteren en demonteren zijn met een losse schakel. Zo’n schakel is ook apart te verkrijgen. En o zo makkelijk los mee te nemen; voor als het onmogelijk gebeurt en de ketting knapt onderweg.

Toch komt geen van deze vindingen het eerst in mij op als ik spontaan de vinding moest noemen die het het meest deed om het fietsen aangenamer te maken sinds 1981. Want die eer gaat naar het onnozele microvezeldoekje.

Het microvezeldoekje, dat thans goedkoop per rol te krijgen is in elke supermarkt, lost namelijk een probleem op dat me altijd geplaagd heeft bij het fietsen. Wat te doen na dat een pechgeval is opgelost?

Problemen verhelpen aan een fiets is altijd een merkwaardig vies werkje. Fijnstof van de remblokjes maakt de wielen toch al smerig, en als de wegen er nat bij liggen komt daar nog vocht bij en zand. Plus, een goed lopende fietsketting geeft vet af.

En bij een lekke achterband moet zowel de ketting verlegd worden om het wiel uit te nemen, als met dat wiel omgepakt om het probleem op het lossen.

Daar kunnen de handen behoorlijk vies van worden. En maak die dan maar weer eens schoon langs de kant van de weg, in het midden van niets.

Daarom had ik aanvankelijk van die condoomachtige rubber wegwerphandschoenen bij mijn reserveband gestopt. Ter preventie. Maar ziet. Met een miniem microvezeldoekje is vrijwel alle vuil simpel van de handen weg te vegen. En met wat water uit een drinkfles erbij, worden die handen zelfs heel vlot al wonderbaarlijk schoon.


Onderhoud
Te fietsen | week 9

Eerder benoemde ik het microvezeldoekje tot het beste dat alle technische vooruitgang de fietser heeft gebracht. Want daarmee zijn de handen zo goed schoon te krijgen na een pechgeval onderweg.

En hoewel ik niet helemaal wil afdoen aan deze praktische keuze, is er vanzelfsprekend nog een veel grotere factor die het fietsplezier voor mij vergroot heeft.

Kennis over fietstechniek wordt online alom gedeeld.

En anders dan de Prediker zei, kan kennis online veel smarten voorkomen, in plaats van vermeerderen. Youtube biedt bijvoorbeeld tal van filmpjes waarin vrijwel elke mogelijke reparatie aan een fiets wordt voorgedaan.

Sommige fabrikanten hebben zelfs de gebruiksaanwijzingen van hun producten online gezet die ze naar de fietsenmakers stuurden — of anders is er wel een fietsenmaker die dit deed.

En verder blijkt op internet zelfs dat onmogelijk geachte reparaties met regelmaat door amateurs worden verricht, in hun werkhokken. Want voor zulke liefhebbers telt de hoeveelheid tijd niet die ze in zulk onderhoud steken — anders dan bij de professionals.

Zo heette de Shimano naafdynamo D3N80 altijd onmogelijk zelf te repareren te zijn. Terwijl elke naaf weleens gesmeerd moet worden. Die onmogelijkheid komt dan onder meer omdat de stroom die deze dynamo opwekt via een aluminium draadje wordt weggeleid. Een draadje dat veel te makkelijk zou breken, bij het onoordeelkundig openmaken van het ding.

Ene peterhs64 heeft evenwel series van honderden foto’s online gezet waarin stap voor stap wordt geïllustreerd hoe je een D3N80 open peutert, zonder daarbij wat ook te vernielen. De voornaamste truc om dat stroomdraadje niet te knakken, blijkt gewoon te zijn dat je strategisch even zo af en toe wat vastklemt, als er iets anders los moet.

Toegegeven, driehonderd foto’s maken wel dat het simpel aanvullen van wat vet in de kogellagers meteen op open-hart-chirurgie begint te lijken. Maar het maakt nogal verschil dat ik even heb kunnen zien wat er bij dit onderhoud komt kijken, omdat daarmee duidelijk is wat er zo onmogelijk aan zijn zou.