Plooifiets
Te fietsen | week 08

Het toeval reikte mij voor weinig een bijna nieuwe vouwfiets aan — die ook nog eens aardig reed. Tern maakt goed stijve frames. Stijver in elk geval dan de natte spaghettislierten van concurrerende merken.

Sommige liefhebbers van dit soort fietsen worden al meteen blij als ze opstappen. Want de kleine wieltjes van de vouwfiets roepen bij hen allereerst herinneringen op aan het fietsen als kind. Zo ver ben ik evenwel nog niet.

Mij verbaasde allereerst dat deze fiets toch ook dezelfde reactie opriep als ik had op elk ander exemplaar dat tot mijn stal is toegetreden. Meteen werd onderzocht wat nodig zou zijn om er probleemloos hele dagen op rond te kunnen rijden. Terwijl dit ding daartoe helemaal niet werd verworven. Afstanden tot twintig kilometer kunnen afleggen is genoeg.

Want een vouwfiets moet allereerst braaf een klein pakje kunnen worden, als de omstandigheden dit vereisen. Om, eenmaal uit de plooi gehaald, het ook nog mogelijk te maken op ontspannen wijze vlot een andere plek te bereiken.

Kwam daar dankzij de firma’s NS en ProRail helaas de wens bij om alternatief vervoer te hebben als zij weer eens een trein laten stranden. Taxiritten zijn dan duur. Toegegeven, er zijn ook dan nog altijd vele taxi’s te nemen voor de prijs van een kwalitatief goede vouwfiets. Dat stond een aanschaf tot nu toe altijd in de weg.

Kwam daar bij dat ik dacht een circusbeer op een kinderfietsje te worden op een vouwfiets — alleen ontstaat dat gevoel op werkelijk alle fietsen, zoals ik al eens beschreef, en is die schaamte er nu dus niet meer.

Jezelf niet kunnen zien fietsen, kan ook een voordeel zijn.

[ wordt vervolgd]


OV-fiets
Te fietsen | week 08

Het is helaas nog wel even wachten op de zelfrijdende auto. Zeker omdat ik nogal eens langere afstanden heb af te leggen — het videovergaderen is ook zo’n belofte nog altijd oningelost — en dat dan liever niet per auto doe. Met mij achter het stuur tenminste. Ik beleef daar niets aan, terwijl het autorijden wel concentratie kost, en daarmee een inspanning is.

En als het openbaar vervoer geen storingen heeft, werkt dat in Nederland heel mooi. Wordt de reistijd weliswaar langer dan met een auto, maar kan ik ook rustig wat werk doen onderweg. Een hazenslaapje zelfs, desnoods.

Eenmaal in de plaats van bestemming aangekomen, moet er alleen altijd nog een stukje meer worden afgelegd. Helaas. Vroeger bestond daar als goedkope oplossing de treintaxi voor. Soms ook is verder reizen handig mogelijk met stadsbus, tram, of metro. Te voet eventueel. Gebruikte ik de afgelopen jaren ook met regelmaat de OV-fiets, omdat die in alles net wat meer vrijheid biedt — en mede doordat mijn zakelijke OV-pas ineens kwam met een gratis abonnement op de dienst.

En ook voor de OV-fiets geldt, als de reservering is doorgekomen, het ding voor me klaar staat, en de banden enigszins zijn opgepompt, werkt dat in Nederland heel mooi. Fietsen, zelfs in pak, blijft een ontspanning voor mij.

Helaas ging het met die reserveringen weleens mis. Of dan probeerde ik dagen van tevoren online vast te leggen dan-en-dan een fiets nodig te hebben en dan kon dit al niet meer; om een gebrek aan beschikbare middelen aldaar.

Blijft de OV-fiets ook altijd de ietwat afgeragde fiets van een ander. Die, hoewel het model overal hetzelfde is, lang niet allemaal even goed rijden. Kwam er na het huren bovendien immer de vrees bij met andermans spullen op pad te zijn; wat zo vervelend wordt bij een ongeluk of na diefstal.

Ofwel, ware de zelfrijdende auto al breed beschikbaar geweest, dan was ik nooit op het idee gekomen een vouwfiets te willen hebben. Niet dat zo’n fiets ideaal is. Maar voorlopig hangt elke verplaatsing over enige afstand aan elkaar van de compromissen. Zaken dan zoveel als kan in eigen hand proberen te houden, neemt tenminste iets aan mogelijke ergernissen weg.

[ wordt vervolgd ]


Plooifiets iii
Te fietsen | week 09

Wat me opviel aan de vouwfiets is dat er nauwelijks objectieve informatie over lijkt te bestaan. Terwijl de eerste patenten over fietsen met een plooibaar frame — dat ook weer opengevouwen kan worden — dateren uit de oude oertijd. Van toen er nog niet eens auto’s waren, laat staan kofferbakken.

Sowieso lijdt de fiets trouwens aan dit informatieprobleem — wat dan mede komt omdat het fietsgebruik in Nederland zo uitzonderlijk is. Wij zien het ding niet als leuk sportartikel voor erbij, maar als iets vanzelfsprekends. De mensen hier rijden er gewoon op. Het hele jaar door. En zelfs de grote fietsfabrikanten maken daar hun spullen niet naar. Berg een fiets ’s winters nog nat van de pekel een paar keer op in een onverwarmd schuurtje, wat hier toch niet heel ongebruikelijk is, en kijk wat er dan allemaal heel vlot kapot aan kan gaan.

Maar de vouwfiets is al helemaal niche. Veel van de merken die op dit moment een grote reputatie hebben, zoals Brompton en Birdy, zijn ook begonnen door zonderlingen in schuurtjes en garages. Die werden niet door fietsfabrikanten ontwikkeld.

En juist omdat elke vouwfiets aan elkaar hangt van de compromissen is dat gebrek aan goede neutrale informatie jammer te noemen.

Omdat iedereen altijd zo hoog opgeeft over Brompton bijvoorbeeld, had ik me ooit heel wat voorgesteld van die fietsen. Om bij een eerste keer testen meteen te merken dat 16 inch wieltjes én een stalen fiets niet iets geven waar ik met plezier einden op rijden wou. De Brompton is bedacht voor kleinere en aanzienlijk lichtere mensen dan ik ben.

Geloof ik overigens wel dat het probleem niet per se zit in de kleine wieltjes. Sir Alex Moulton — nog zo’n excentriekeling in een schuurtje — heeft voor mij wel voldoende bewezen dat 20 inch wielen heel prettig kunnen rollen, mits daarbij gecompenseerd door enige vering en demping achter in het frame.

Mijn ongeveerde Tern fietst op zijn ballonbandjes van 42 mm overigens beter over slecht wegdek dan mijn normaal geproportioneerde Koga Roadspeed met zijn hogedrukbandjes van 25 mm. Alleen weet je zoiets pas zeker na er enige tijd op te hebben rondgereden.

[ wordt vervolgd ]


Compromissen i
Te fietsen | week 09

Het eerste compromis dat bij het ontwerp van een vouwfiets gesloten moet worden, is hoe groot de fiets wordt.

Immers, opgevouwen is het mooi als dat pakketje aan fiets zo klein en handzaam wordt als kan. Terwijl omgekeerd geldt dat er geen fiets beter over een slecht wegdek rijdt dan éen met grote wielen.

Nu worden er wel degelijk vouwfietsen gemaakt met grote wielen van 28 inch. De Amerikaanse fabrikant Montague biedt daar het beste voorbeelden van. En ook merken als Dahon en Tern hebben mountainbikes in hun collectie met 26 inch-wielen. Kenmerk van al deze fietsen is alleen wel dat ze niet heel klein zijn op te vouwen. Zo is het stuur niet simpel weg te klappen. Montague lost dit ruimtelijke probleem op door van gebruikers te vragen het voorwiel te verwijden, zodat de voorvork parallel aan het frame kan worden gevouwen.

Dat levert gauw gepruts op.

Tegelijk rijdt zo’n Montague krek als een normale fiets. Dus kan dat merk heel goed de beste keuze biedt aan iemand die wel graag plezierig rond toert, en tegelijk weinig opbergruimte heeft thuis of onderweg — waarbij het dan niet aankomt op de snelheid en het gemak van vouwen.

Er zijn kortom redenen dat bijna alle vouwfietsen kleine 20 inch wieltjes hebben. Zulke wielen rollen nog altijd redelijk, zelfs zonder vering in het frame. En 20 inch wieltjes zijn klein genoeg om een redelijk hanteerbaar pakketje fiets over te houden, eenmaal opgevouwen.

Is me alleen nog altijd niet helemaal duidelijk waarom vrijwel alle vouwers maar éen maat hebben; anders dan gewone fietsen. De mijne zou al bijvoorbeeld geschikt zijn voor iemand van 1 meter 42, en ook nog kunnen dienen voor een lang eind van 1 meter 90. Dat moet wel met schaalgrootte te maken hebben; dat er zo weinig vouwfietsen verkocht worden, dat het goedkoper is om met slechts éen model te volstaan; waarop alleen gemiddelde mensen met een gemiddelde maat lekker rijden.

Enkel dure merken, zoals Bike Friday, of het in Nederland totaal onbekende Bernds, of de eerder genoemde Montague, bieden vouwframes aan in verschillende groottematen.

Dus het kan wel.

[ wordt vervolgd ]


Compromissen ii
Te fietsen | week 09

Meest merkwaardig aan vouwfietsen vind ik hun zo hoge gewicht. Fabrikanten werven er zonder ironie mee dat hun lichtste vouwers amper elf kilo wegen. Terwijl er bijvoorbeeld tegenwoordig ook goedkope racefietsen zijn voor beginners, met grote wielen, die aanzienlijk minder dan die elf kilo wegen. Zelfs mijn stalen Koga Roadspeed uit 1980, met spatborden, Brooks zadel, en naafdynamo zit nog rond dat gewicht.

Wedstrijdrijders zijn overigens verplicht op een fiets te rijden van minstens 6,8 kilo — alleen maken de fabrikanten voor hen al modellen die nog lichter zijn. Waarop de ploegen deze fietsen kunstmatig moeten verzwaren; door een aluminium stuur te monteren bijvoorbeeld, in plaats van éen van carbon.

Van een fiets die tot een pakketje gevouwen wordt, zou je dan toch verwachten dat zo’n pakje ook makkelijk te hanteren zou zijn.

En dat is dus niet zo. Mede door dat onhandig hoge gewicht.

Deels is al die grote massa te verklaren door het ontwerp van vouwfietsen. Vele hebben een frame dat simpel gezegd bestaat uit een metalen balk met uitstekels. En zo’n balk is statisch en dynamisch veel minder sterk dan een frame uit buizen in de klassieke ruitvorm. Dus moet zo’n balk uit veel meer metaal bestaan om dezelfde stijfheden te kunnen bereiken.

Bovendien zit er doorgaans een scharnier in het frame van vouwfiets, die duizenden keren open en dicht dient te gaan zonder dat er daarbij speling ontstaat; wat alleen kan als alles solide wordt uitgevoerd.

Speelt er daarnaast nog mee wat ik nu dan het kinderfietsjeseffect noem. Ook de fietsen van kinderen hebben een opvallend hoog gewicht voor hun grootte — wat traditioneel verklaard wordt door het gegeven dat de jongsten onder ons hun fietsen nogal eens op de grond laten vallen, als hun aandacht door iets anders gegrepen wordt. Zo’n kinderfiets moet dus nogal wat mishandeling kunnen doorstaan zonder daarbij kapot te gaan.

En ook met vouwfietsen wordt ruw omgegaan.

Gevolg van dat hoge gewicht is dat opgevouwen fietsen opvallend onhandig te hanteren zijn, als er eens een eind gelopen moet worden met dat ding als pakket. Waarop sommige fabrikanten hebben gereageerd door hulpwieltjes op hun modellen te monteren; zodat deze eenmaal opgevouwen als een trolleykoffer is mee te rollen.

Brompton, dat voor velen toch de goudstandaard is op dit gebied, heeft deze hulpwieltjes alleen op een onhandige plaats gemonteerd. Brompton-rijders moeten namelijk allemaal altijd met de hakken naar buiten fietsen, willen ze niets steeds tegen die rolwieltjes schuren. Let daar maar eens op.

[ wordt vervolgd ]


Compromissen iii
Te fietsen | week 10

Naast dat vouwfietsen veel wegen, en voor vrijwel niemand de perfecte maat hebben, zijn de goede ook nog eens veel duurder dan gewone fietsen.

Terwijl ze veel harder slijten.

Toegegeven, ook winkels als de Hema of de Aldi hebben weleens vouwfietsen in hun assortiment — die dan niet veel hoeven te kosten. Deze fietsen zijn alleen nog weer kilo’s zwaarder dan gemiddeld, en de kwaliteit van de gemonteerde onderdelen houdt niet over. Wie van gokken houdt kan bovendien tegenwoordig ook kiezen uit een overweldigend aanbod van vouwfietsen bij Chinese webwinkels — met prachtmerken als Audi Mercedes, of Audi BMW.

En voor een ritje op de camping af en toe om even brood te halen, kun je best toe met een fiets waar heel veel misschien niet aan deugt.

De meeste fietsen leggen in hun bestaan nog geen tweeduizend kilometer af.

Bij vele dure onderdelen, zoals naafversnellingen, wordt er ook door de industrie vanuit gegaan dat ze nog geen vijfduizend kilometer zullen hoeven mee te gaan.

Ik moet dus niet zeuren.

Blijft alleen staan dat de banden van 20 inch wieltjes aanzienlijk sneller slijten dan de banden van de normale 28 inch wielen. Of dat achteraan een tandwieltje met 14 tanden, zoals mijn vouwfiets heeft, aanzienlijk gauwer op is dan éen met 22 tanden, zoals nu op mijn Clubman is gemonteerd.

Komt daar de extra slijtage nog bij door de bouw van de vouwfietsen, met de immense einden aluminium nodig om het zadel en het stuur op hoogte te brengen. Ik heb me toch nog bij geen enkele van mijn fietsen eerder zorgen hoeven maken of de zadelpen niet te gauw aan metaalmoeheid zou bezwijken.

Riese & Müller eisen zelfs dat het stuur van hun Birdy vouwfietsen elke twee jaar vervangen wordt door de dealer, willen zij voor hun garantie blijven staan.

En toch telt geen van deze problemen als die vouwfiets er is op het moment dat je een fiets net nodig was. Daarom, tot slot, de volgende keer mijn eerste impressies over de vouwfiets die het toeval in mijn bezit bracht.

[ wordt vervolgd ]


Plooifiets vii
Te fietsen | week 10

Het Engels heeft slecht éen woord voor alle activiteiten op een fiets: ‘cycling’. Wij hebben er in het Nederlands zo al twee. Want fietsen is iets heel anders dan bijvoorbeeld wielrennen.

Fietsen is hier ook zo normaal dat vrijwel niemand er ooit over nadenkt. Net als er wel gidsen worden gepubliceerd over wandelen in verre streken, maar niemand een beschouwing wijdt aan korte loopjes als even een brief op de bus doen.

Juist ik mag er niet mee lachen dat bijvoorbeeld Amerikanen bij ‘cycling’ altijd allereerst aan sport denken, en daarmee dus wielrennen. Want voor mij geldt misschien wel hetzelfde. Als ik een fiets koop, moet die me zonder problemen of pijntjes zo honderd mijl verderop kunnen brengen. Overdag en in het donker. Bij mooi weer en bij regen of storm.

De vouwfiets die ik sinds kort de mijne mag noemen, is allereerst een stadsfiets evenwel; voor korte eindjes. En meer zal die ook nooit worden — al wordt er nog zo veel aan verbouwd. Toch zou dat wel moeten, voor mijn gevoel, om er die honderd mijl op te kunnen fietsen.

Ik ben net niet te groot voor het ding, en zit er betrekkelijk ontspannen op, dus dat is het punt niet. Prettig zou wel zijn als ik me veel verder uitstrekken kon. Alleen kost zo’n upgrade meteen honderden euro’s, vanwege de merkspecifieke onderdelen. En voor zo’n investering uit kan, moet er eerst veel meer duidelijkheid zijn over hoe vaak ik de fiets echt gebruik.

Ook valt me behoorlijk mee hoe vlot ik op de fiets rijden kan. Het rijcomfort van 20 inch wieltjes valt zelden tegen — zelfs al kan dat nog altijd beter, als echte ballonbandjes worden gemonteerd.

Heb ik zelfs al mogelijkheden ontdekt, komend met het bezit van een vouwfiets, die van tevoren niet te verzinnen waren geweest. Het ding past wel heel makkelijk in de kofferbak van een auto bijvoorbeeld.

Dat er toch ook iets van teleurstelling is over de fiets heeft daarom verschillende oorzaken. Waarvan de belangrijkste komen door mijn vreemd gefixeerde ideeën over wat elk van mijn fietsen moet kunnen. Bovendien was raar dat er nog niets te knutselen viel aan de vouwfiets — waar ik de afgelopen jaren telkens krengen kocht uit 1980 of daaromtrent, die tijden stil hadden gestaan in een klam schuurtje, en alleen daarom al zeeën van liefde en aandacht eisten.

Terwijl er toch ook wel éen en ander te verbeteren is aan een Tern Link Uno, zoals die afgeleverd wordt:

  • de wielen zijn te goedkoop, dat is mijn voornaamste klacht, want die hebben waarschijnlijk niet eens dubbelkamervelgen. Verder heeft de eenversnellingsnaaf achter een terugtraprem die veel weerstand veroorzaakt tijdens het fietsen;
  • de velgen hebben sowieso geen remrand – wat bij mijn fiets geen bezwaar is, want ik gebruik enkel de terugtraprem en heb de voorrem niet gemonteerd. Tern’s instapmodellen met derailleurs en velgremmen komen evenwel met dezelfde velgen, en dat is dan echt te goedkoop;
  • 42 millimeter brede bandjes monteren onder 45 millimeter brede spatborden is erg krap — vuil van straat komt nog overal terecht;
  • de vouwpedalen hebben wel erg korte assen, waardoor me benieuwen zal hoe lang die meegaan;
  • de keuze van Tern om het stuur niet tussen beide framedelen te bergen, maar daarnaast, vouwt weliswaar lekker snel. Heel handig is dit niet bij het dragen;
  • de meegeleverde bel is te bescheiden om goed hoorbaar te zijn.

Dat ik het standaardzadel snel verwisselde voor een Charge Spoon zegt dan weer niets — zadels zijn zo persoonlijk dat geen fabrikant daarin de voor iedereen juiste keuzes maken kan.

Aan de standaarduitrusting beviel me wel:

  • het vouwgemak van de fiets;
  • de stijfheid van het frame en de stuurkolom;
  • de degelijkheid van alle scharnieren;
  • de extra bescherming om de ketting; mede omdat deze al heel wat vuil heeft weggehouden van het metaal; mede om de te smalle spatborden;

De echte waarde van een fiets bewijst zich alleen pas als deze gebruikt wordt, of niet. Over een half jaar daarom een terugblik of de aanschaf van een Brompton misschien niet toch beter was geweest — hoewel ik die niet prettig vind fietsen.

[ zie hier het hele reeksje over de vouwfiets ]


Maat
Te fietsen | week 11

Elk van mijn fietsen heeft een snelheidsmeter. De vouwfiets nog niet. En daarom heb ik geen goed idee over hoe hard ik rijd op dat ding.

Een ruwe schatting zegt: zeker meer dan twintig kilometer per uur gemiddeld. Alleen niet veel meer. Daarmee haal je trouwens nog bijna alles in op het fietspad.

Omdat ik de vouwfiets vaker gebruik dan vooraf gedacht, en voor wat langere afstanden ook, is er nu wel de behoefte ontstaan een fietscomputertje te willen hebben. Alleen kleven aan die simpele wens wat problemen.

Bedrade fietscomputers zijn betrouwbaarder dan draadloze. Want die zonder draad storen nogal eens. Zeker als er ook LED-lampen op een fiets aanwezig zijn. Dan treedt er gauw elektromagnetische interferentie op als de lampen branden.

Draadloze fietscomputers zijn bovendien niet voor twee kwartjes te krijgen. En hoeveel wil ik nog investeren in die fiets?

Maar wil ik een fietscomputer met een draad gebruiken, dan moet ook de voorrem worden gemonteerd. Want de draadjes van fietscomputers zijn iel en dun. Die beschadigen makkelijk. Helemaal bij een stuurpen die gevouwen moet kunnen worden. Daarom zijn problemen het makkelijkst te voorkomen door dat dunne draadje langs de dikke remkabel naar boven te geleiden.

Alleen heb ik die voorrem nu net niet gemonteerd, omdat deze zo onhandig in gebruik is. De firma Tern levert een simpel zijtrekremmetje mee met de Nederlandse versie van het model Link Uno. In bevriende buitenlanden heeft dit model een andere voorvork, waarop aan de achterkant een V-brake wordt gemonteerd. Die V-brake zit vervolgens niet in de weg bij het vouwen. Dat Nederlandse zijtrekremmetje moet aan de voorkant worden gemonteerd, en dit levert wel problemen op — die maakt dat de fiets op nog slechts éen niet heel logische manier te plooien is. Anders raakt de rem direct het frame, om zo alle verdere vouw te blokkeren.

Zie ik het er nog van komen mijn telefoon als peilzender te moeten inzetten, om toch dat verdomde Strava te gaan gebruiken.


Maat ii
Te fietsen | week 12

Ik ben te groot voor vrijwel alle vouwfietsen en minibikes. Wat niet eens alleen aan mij ligt. Dit komt ook omdat de fabrikanten het zo vaak verdommen om meer dan éen grootte op de markt te brengen per model. De meeste aardbewoners zijn nu eenmaal aanzienlijk kleiner dan ik. Dat maakt mij tot de uitzondering waarvoor massaproductie niet loont.

Dus had ik vooral problemen bij het zitten tijdens alle eerdere pogingen om vouwfiets te rijden. De standaard zadelpennen waren doorgaans net te kort, waarop er dan telescoopmodellen ingezet moesten worden. Die dan enkel bijdroegen aan het gevoel op iets heel hoog en wankels te hebben plaatsgenomen.

De 58 centimeter lange zadelpen van mijn Link Uno is evenwel precies goed. Ik kan dat ding nog net vastklemmen boven de maximaal toegelaten hoogte. Daarvan steekt dus net iets meer dan moet nog in het frame.

Ware dit niet gelukt, dan had ik langere zadelpennen moeten scoren op Chinese websites, of anders via hun tussenhandelaren. Hier zijn ze niet in de reguliere handel. Al schijnt Tern tegenwoordig ook zelf een telescopische pen in het assortiment te voeren.

Overigens is dit theorie — als de standaard zadelpen te kort was geweest, had die hele vouwfiets me verder niet geïnteresseerd.

Nog heugelijker is overigens dat ik mijn trappositie niet heb hoeven aan te passen op mijn fiets. Het zadel op de Link Uno staat amper ½ centimeter meer naar voren dan dat op mijn favoriete lange-afstandsfiets met grote wielen. Ondanks dat de zadelpen toch behoorlijk steil de hoogte in lijkt te gaan; en de vouwfiets dus ogenschijnlijk de ontspannen geometrie mist van mijn randonneur.

Die steilte is alleen gezichtsbedrog. Want bij normale fietsen staan zadelbuis en zadelpen in éen lijn boven het bracket, met de trapas. Bij de vouwfiets loopt de zadelpen achter de trapas langs. Anders kon die pen ook niet tot de grond toe zakken.

Het is alleen waarschijnlijk meer geluk dan wijsheid dat de geometrie van de fiets op dit punt zo goed uitpakt voor mij. Menig ander zal net die mazzel niet hebben.

Tegelijk, als die ander weinig fietst, en dus niet per se weet hoe die het best ontspannen op een fiets zit, dan maakt dit ook allemaal niet veel uit.


Strava vi
Te fietsen | week 13

Bij een fiets met éen versnelling is deze versnelling een compromis. Die moet licht genoeg zijn om het niet helemaal onmogelijk te maken nog tegen de wind in te komen. En daarmee kan die versnelling nooit zwaar genoeg zijn om lekker op te schieten voor de wind.

Het heeft me daarom enige tijd gekost voor ik de juiste versnelling voor mijn vouwfiets vond. Standaard zat daar ook wel een erg licht verzet op, waardoor mijn benen nogal vlot spinnen moesten om vooruit te komen. Tegelijk speelde er nog onwennigheid mee, aan die fiets — met zijn zit rechtop, en die kleine maat wielen.

Ik moest vele tanden kleiner achter voor de vouwer reed zoals een fiets van normale grootte aanvoelt.

En toen wist ik nog niet alles. Omdat ik nog altijd geen idee had hoe hard het ging, en kon.

Heb ik toch eens een paar ritten gereden die door Strava gepeild zijn. En dat experiment leerde me onder meer dat ik vrij gemakkelijk boven de 25 km/uur kan rijden op het vlakke, zonder tegenwind. Met een meer aerodynamische houding kon de vouwfiets weleens vlotter zijn dan mijn eigenlijke singlespeed — want door de 20 inch wieltjes verliest de fiets minder vaart in de bochten, en trekt die aanzienlijk sneller op.

Dat had ik toch niet verwacht.

Maar dat Strava ondertussen… Ik vond het ontstellend grappig dat er toch nog gebruikers zijn van deze dienst die langzamer rijden dan ik, in mijn daagse kleding, rechtop gezeten op mijn vouwfietsje. Terwijl het me werkelijk totaal niet interesseert wie of wat er zoal sneller rijdt. Strava kan namelijk niet zien of iemand op een fiets zit of een brommer, of de fietser in zijn eentje reed of meegezogen werd in een groep, of dat er een stormwind in de rug stond of niet.

En dan al die profielfotootjes van Strava-gebruikers waarin ze allemaal een helm ophebben, om er toch vooral niet uit te zien als man van middelbare leeftijd…


Verklärte Nacht
Te fietsen | week 17

Dat ik wel een vouwfiets wilde hebben om eens goed te proberen, had slechts éen heel uitgesproken reden.

Er zijn nu eenmaal regelmatig die verplichtingen in de Randstad. Waarbij de reis dan gauw eens met het openbaar vervoer moest, vanwege de ochtendspits, of om drank later op de dag vanwege het sociale karakter, waardoor autorijden niet echt kan.

Had ik toch een paar keer te vaak meegemaakt op de weg terug dat een kleine vertraging van NS in de Randstad me zo veel later op mijn eindstation afzette dat ik de logische bus terug naar huis al gemist had. Waarop er dan enkel nog de boemelbus terug was, na minstens een half uur wachten, waarmee de vertraging uiteindelijk met een uur extra opliep.

Ik huurde daarom al eens een OV-fiets, om daarop naar huis te fietsen. Dat scheelde me dan makkelijk drie kwartier aan reistijd vergeleken met de boemelbus.

Alleen moest zo’n huurfiets de volgende dag weer terug worden gebracht.

Afgelopen dinsdag, of eigenlijk woensdag al, maakte mijn vouwfiets daarom zijn debuut als thuisbrenger na een lange dag weg. En onderweg naar huis was ik meer bezig met de stilte overal, of het gegeven dat er totaal geen ander verkeer meer leek te bestaan, dan met het fietsen.

Ook de nacht hielp mee om van het ritje een ontspannen tochtje te maken.

Voor het eerst bij het rijden op de vouwfiets lukte het om te vergeten dat ik op een fiets reed met bizar kleine wielen.


Multitools iii
Te fietsen | week 17

Eerder stelde ik al eens verbaasd vast dat een fiets eigenlijk uit niet meer bestaat dan een frame waaraan van alles werd vastgeklemd. Want als iets eenmaal vast zit, is zo makkelijk te vergeten dat dit ook weer los kan. En moet soms.

Een vouwfiets laat je dat van die klemmen nooit vergeten. Want cruciale onderdelen van zo’n fiets moeten nu eenmaal snel los kunnen worden gemaakt, zonder gereedschap liefst, opdat het ding dan inklapt, of uitvouwt.

En doe zo’n handige klem daarop een paar keer open en dicht, en de klemkracht ligt meteen een stuk lager.

Het duidelijkst werd me dat bij de snelspanner om de zadelpen. Steeds als ik die een paar keer benut had, om het zadel snel te laten zakken, of omhoog te doen, stond deze een beetje losser. Waardoor het gebeurde dat ik tijdens het fietsen langzaam telkens lager kwam te zitten. De zadelpen kan dan in de zadelbuis omlaag glijden.

Gelukkig is dit probleem makkelijk te herstellen. De inbusbout in die snelspanner moet dan even weer wat strakker worden aangedraaid. Dus is het zaak altijd de juiste inbussleutel mee te hebben met de vouwfiets op reis. En dat dingetje van Swiss Tools PB weegt dan niets; plus dat ie een inbussleutel van 5 mm heeft, en bitjes om die van 4 en 6 mm na te doen.

Heb ik me inmiddels toch ook de ‘Tern tool’ aangeschaft — en dan vooral omdat deze multitool als enige een bruikbare kleine 15 mm-sleutel heeft, om de wielen of pedalen los te kunnen maken; wat nuttig is voor zo veel meer fietsen in mijn stal dan enkel de vouwer; zoals al eens eerder gememoreerd.

Klap van dit ding alle schroevendraaiers en inbussleutels naar achteren, vouw het dikke neoprene hoesje daar omheen, en ziet, de sleutel wordt zelfs lang genoeg om een nuttige hefboom te hebben.


Kleine wielen
Te fietsen | week 19

Inmiddels ben ik eindelijk op het punt waar elke kilometer meer op mijn vouwfiets het ding voor mijn gevoel telkens wat goedkoper maakt; en daarmee meer de moeite waard. Vooral de noodzakelijke aanpassing aan de stuurkolom, om niet zo geforceerd rechtop te hoeven zitten, was relatief duur. Ontstond daardoor alleen wel een behoorlijk lange periode waarin ik meer euro’s had besteed aan de fiets dan dat ik er kilometers op gereden had.

Tegelijk wordt de plooifiets wel vaker, en voor meer doeleinden ingezet dan vooraf verwacht.

Waardeer ik daarbij vooral de rijkdom die het geeft om een fiets voorhanden te hebben op de momenten waarop ik vroeger nog zonder moest doen.

En soms lukt het me bijna om te vergeten niet op een fiets te zitten met een normale grootte. Het lukt me door de nieuwe stuurkolom om dezelfde houding te krijgen als op mijn favoriete fietsen voor lange afstanden. In die zin is de vouwfiets zo comfortabel als kan.

Ben ik bovendien overgegaan op een zadel met vering. Wat ook al veel meer scheelt dan vooraf gedacht.

Alleen komt er vrijwel ieder ritje wel een punt waar gewoon blijkt dat 20 inch wieltjes toch minder goed rollen dan de normale wielen van 28 inch. Vooral de boogbruggetjes over sloten en vijvers ratelen dan plots nog de vullingen uit mijn kiezen. Dat er dan telkens ruimte zit tussen de planken van zulke bruggetjes is op kleine wielen ineens opvallend goed te voelen. Reet na reet na reet.

De schaarse keren dat ik me met de vouwer op een bospad waagde, leek de fiets me daar niet comfortabeler of onprettiger te rijden dan eentje van normale grootte. Ongetwijfeld is dit heel anders als er weer diepe plassen op de paden liggen, en je er niet aan ontkomt door de drek te moeten rijden.


Kleine wielen ii
Te fietsen | week 19

Eén niet helemaal verwacht probleem kleeft er overigens wel aan de kleine wielen van mijn vouwfiets. Al hangt dat ook samen met de relatief zware versnelling die ik inmiddels heb gemonteerd.

Het remmen met de terugtraprem is niet altijd even makkelijk te doseren.

Een klein beetje afremmen, is geen enkel probleem; al helemaal niet als de situatie ruim van tevoren is in te schatten. Moeilijk wordt het als ik onverwacht mijn snelheid minderen moet.

Nu grijpen remmen sowieso sneller aan op kleine wieltjes dan op de 28 inch wielen van normale fietsen. Maakt niet uit of het daarbij om velgremmen gaat, van welke aard ook, disc-brakes, of die vermaledijde terugtraprem. Kleine wielen stoppen domweg vlugger.

Geldt voor een terugtraprem alleen ook: hoe kleiner het tandwiel achter is, hoe sneller de rem dan ‘pakken’ zal.

En vooral als ik plots relatief hard moet remmen, blokkeert het achterwiel snel. Te snel. Wat je nu net niet wilt. Op het moment dat het rubber achter slipt op het wegdek verlies je te makkelijk alle normale controle over de fiets.

Heb ik de fiets nu alleen wel zo gemaakt dat ik er ontspannen op zit, voorover gebogen, en daarmee relatief snel rijden kan.

En op zich zijn de reflexen er wel om in te grijpen als ik snel remmen moet. Alleen zijn die reflexen nog altijd afgestemd op het remgedrag van velgremmen — en dan in het bijzonder op die van de voorrem; die zo veel beter de snelheid verminderen kan dan welke achterrem ook.

Komt het er dus misschien toch nog van dat de vouwfiets een voorrem gaat krijgen.


Plooifiets xv
Te fietsen | week 26

Dat mijn vouwfiets mee moet als ik naar de Randstad trek spreekt ondertussen vanzelf. Zo zeer zelfs dat het me spijt me nooit eerder verdiept te hebben in deze manier van vervoer.

De schaarse vouwers die ik eerder probeerde, lang geleden, boden overigens ook nooit echt vertrouwen. Die waren of te slap, of te zwaar. Dat werden te onhandige meubels eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen. Daar zag ik mijzelf geen einden op fietsen.

Mijn Tern is wel een volwaardige fiets, ondanks de 20 inch wielen; en het beetje weerstand meer dat die hebben ten opzichte van wielen in de standaard 28 inch.

In de trein alleen wordt de Tern bagage, voor de duur van de reis, en gaat die gratis mee. Ook in de spits. Anders dan de grote fietsen mogen. Al zijn deze in vakantiemaanden juli en augustus even van deze beperking vrijgesteld. Kost het altijd nog wel € 6,10 per dag ondertussen om een gewone fiets mee te nemen.

Mooi is het altijd om op de plaats van bestemming op eigen kracht naar de afspraak toe te fietsen.

Maar nog mooier is het ritje helemaal aan het einde van de reis. Als ik in mijn woonprovincie terug ben en het laatste eindje terug naar huis fiets. Deze drie kwartier minstens. Omdat ik dan op de fiets al bezig ben om thuis te komen, de drukte van de grootstad en de trein van me afleg, en kalm door een landschap bewegen voor even het enige zijn is.

Ook als het regent.


Plooifiets xvi
Te fietsen | week 26

Er kleeft nog iets aan die vouwfiets dat anders is dan mijn normale fietsen. Het lukt me niet goed om het ding gewoon op slot te zetten bij een winkel, en dan naar binnen te gaan.

Ik deed dat al wel. En dan nam ik ook het oneindig lange eind zadelpen mee met het zadel daaraan — want het zitgedeelte kan anders wel erg makkelijk worden gestolen. Maar nooit voelde dat goed. Het was daarmee alsof ik de winkel met een vreemd soort knuppelwapen binnen lopen kwam.

De vouwfiets even plooien en dan een hotel, restaurant, of andere openbare plek binnenrollen, stuit daarentegen op geen enkele mentale weerstand. Dat gebeurt altijd gewoon, sans gêne.

Ook in de trein valt me op dat ik moeite houd om de vouwfiets uit het oog te verliezen. Terwijl vele medepassagiers hun fiets of vouwfiets domweg dumpen in de daartoe gereserveerde coupé, en vervolgens ergens verderop gaan zitten, wil ik toch liefst dicht bij de mijne blijven. Zelfs al betekent dit met regelmaat dat er enkel een klapstoeltje is om op te zitten. En soms zelfs dat niet eens.

Toch geloof ik niet dat deze vrees om het verlies ontstaat omdat ik deze vouwfiets als bezit nu zo hogelijk zou waarderen.

Ik vrees getekend te zijn doordat er eerder fietsen van mij gestolen zijn. Helemaal gerust zet je daardoor nooit meer ergens een fiets neer, zo lijkt me. De immense leegte die gevoeld wordt na een diefstal is me al te bekend.

Als fietsen het gewoon is, maakt dat het niet kunnen fietsen een straf.


Scheetje beef
Te fietsen | week 36

Geen klacht van mij over de B17, het klassieke leren zadel van de firma Brooks. Ik wou dat meer in dit leven zo weinig problemen gaf.

Behalve dan dat er nu toch een observatie volgt.

Leer is een natuurproduct. Dat reageert op het gebruik. De B17’s in mijn bezit zijn naar mijn zitbotjes gaan staan. Daardoor zal geen ander heel prettig zitten op de zadels die door mij werden ingereden; behalve als het toeval ons met dezelfde anatomie heeft opgescheept daar onder.

Ook bleek me dat de zadels op den duur bij de punt een lichte afwijking naar rechts kregen. Kostte enige duizenden kilometers, maar dan werd altijd een kleine tordering zichtbaar.

Was die afwijking bij éen zadel opgetreden, dan was mij niets opgevallen. Alleen gebeurde dit dus bij allemaal. Daarom moest het probleem wel door mij zijn ontstaan. Blijkbaar drukt mijn linkerdij anders tegen de zadels dan mijn rechter.

Wat ook heel goed kan. Geen mens is recht. Niemand is perfect symmetrisch. Menig rechterbeen heeft een andere lengte dan het linker-. Alleen valt dit doorgaans pas op als er daardoor problemen ontstaan.

En ondanks de lichte ontzetting bleven de zadels goed zitten. Dus heel druk kon ik me nooit maken over de vraag of ik links anders de pedalen rondtrap dan rechts.

Tot ik een vouwfiets kocht.

Want vouwfietsen doen éen ding anders dan normale fietsen. Bij deze modellen moet de zadelpen makkelijk in hoogte te verstellen zijn, opdat zo’n ding snel tot een klein pakketje ineen te schuiven is.

En die losvaste klemming van zo’n zadelpen zit weleens te los. Dat gebeurt als zo’n klem met regelmaat open en dicht moet. Doorgaans zakt de zadelpen daardoor tijdens het fietsen omlaag.

Ik kreeg alleen een ander probleem. Mijn zadelpunt begon onder het rijden gestaag naar rechts te draaien. Voor eens en voor altijd aantonend dat mijn linkerbeen anders pedaleert dan het rechter. De afwijking bedroeg al gauw zeker een hoek van dertig graden.

Is overigens nog steeds het enige probleem dat die klem rond de zadelpen strak genoeg moet staan.


Voorrem
Te fietsen | week 40

Elke vouwfiets is een rijdende verzameling aan compromissen. En aan de mijne heb ik opnieuw een net niet ideale oplossing toegevoegd.

De voorrem die met mijn exemplaar meekwam is eindelijk gemonteerd.

Ik wilde daar nooit aan, om meerdere redenen. Maar vooral omdat ik meende dat een terugtraprem wel goed genoeg was voor een fiets met éen versnelling. Die meestal op korte ritjes door een stad gebruikt werd bovendien.

Was er nog het esthetische aspect, dat een fiets zonder wapperende kabels er strakker uitziet dan eentje met.

Of dat het vouwen heel wat ingewikkelder gaat, of in elk geval ineens minder intuïtief is, dan wanneer er geen rekening gehouden hoeft te worden met zo’n remkabel.

Kwam daar tenslotte nog als onhandigheid bij dat ik een ossenkopstuurtje op de fiets gemonteerd had, met een doorsnede van 23,8 mm — zoals de oude maat van een racestuur was — en daar niet makkelijk remhandels voor te vinden waren. Op wat crosshandels na dan.

Alleen vond ik een extra rem uiteindelijk toch nodig omdat ik nogal snel blijk te fietsen op mijn vouwer. En boven de 25 km/u is een terugtraprem onhandig. Die grijpt domweg altijd net te laat aan. Ook al omdat je als fietser een voorwaartse beenbeweging ineens moet omdraaien naar een achterwaartse.

Zijn mijn reflexen bovendien afgesteld op het gebruik van velgremmen — en dus op het knijpen met mijn handen.

Stadsverkeer, en al helemaal dat in de grootstad, leverde kortom weleens te veel stress op. Onnodige drukte.

Woog ook nog mee dat mijn vouwfiets zelden helemaal klein gevouwen hoeft te worden. Dat het dus niet zo veel uitmaakt dat ik voortaan moet nadenken bij het vouwen; of dat dit vouwen nu structureel veel onhandiger gaat.

Ik moet het voorwiel nu eerst helemaal omdraaien — en dat gaan slechts éen kant op.


Fietsconditie
Te fietsen | week 48

Er is een derde reden waarom ik meer dan éen fiets heb, en zelfs nu nog rond blijf kijken op Marktplaats naar meer. Ik zit er tegenwoordig anders op dan vijf jaar terug. Mijn rug is soepeler geworden, mijn buikspieren zijn sterker, en daardoor strek ik me het liefst veel verder uit naar voren.

De fietsjes die ik opbouwde in 2012 en eerder zijn me inmiddels te krap geworden; daarvan staat het stuur te dicht op het zadel.

Lang altijd niet is dat probleem weg te nemen door een langere stuurpen te monteren, en het zadel verder naar achter te zetten. Daarom heb ik ook al eens een groter frame gekocht; derdehands.

Ongetwijfeld zal er een dag aanbreken dat ik weer rechtop wil gaan zitten, te oud en stram om anders. Voorlopig is het idee dat mijn fietsconditie vooruit gaat van jaar tot jaar. En dan heb ik nog niet eens specifiek geoefend, door intervaltraining te gaan doen op de fiets, of mijn buik en rug gericht te versterken.

In mijn echt fanatieke fietstijd, eind jaren tachtig, had ik dus geen specifieke fietsconditie, zo is me daarmee duidelijk geworden. Mijn fitheid in het algemeen was gewoon bijzonder goed. Maar hardlopen was bijvoorbeeld aanzienlijk belangrijker toen dan fietsen. Dus ging dat hardlopen vast ook ten koste van het fietsen. De ene inspanning benut de spieren anders dan de andere.

Tegenwoordig schrikt zelfs een eindje wandelen me al af; dat gaat me niet snel genoeg, en het duurt daardoor te lang. Waardoor er bijvoorbeeld een vouwfiets werd aangeschaft toen mij er éen werd aangeboden.


Zo’n jaar in cijfers
Te fietsen | week 52

De statistieken voor dit jaar liggen wel zo ongeveer vast, met minder dan nog een week aan december. Veel kan daar in 2016 niet meer aan veranderen. En tegelijk valt op dat de patronen zelfs al enige jaren redelijk vast liggen.

Ik fiets in totaal dus weer ergens tussen de 12.000 en 15.000 kilometer — het ritme dat ik elke drie jaar in afstand de evenaar éen keer rondrijdt werd niet gewijzigd. Zo’n jaartotaal komt alleen veel meer door toeval tot stand, dan door geldingsdrang, of toewijding. Veel lees ik daar niet aan af.

De langste dagafstand was 250 kilometer. En die kostten me minder dan tien uur aan pure zadeltijd. Wat mede aangeeft dat ik die dag waarschijnlijk veel te snel startte; want na 160 kilometer kwam er een duidelijke inzinking; waarmee ook het gemiddelde nogal kelderde.

Misschien dat daardoor die 160 kilometer — de Imperial Century — dit jaar een duidelijke favoriet was voor een dagje buitenspelen. Op de goede momenten — waarbij vooral het weer van belang is — kostten die iets van zes uur in het zadel. Op de slechtste dagen duurde zo’n rit meer dan zeven uur. Maar dan nog is dat minder dan een hele werkdag op de fiets. Waarmee zo’n dag niet helemaal wordt weggegooid. Eenmaal thuis heb ik nog wat aan de overgebleven uren.

Geef ik wel toe dat het nut had om eens 250 kilometer te rijden, en toen een flinke inzinking te krijgen. Langeafstandsfietsen is allereerst een geestelijke inspanning; barrières slechten hoort daarbij.

Fietsmaand met de meeste kilometer was september, met 1657. Mede omdat ik in augustus twee dagen minder in het zadel zat. Laagste maandtotaal was er in januari; met 699 km; vooral omdat die maand begon met vijf dagen ijzel op de weg.

In januari waren er ook negen dagen waarop ik geen meter fietste. In november en december elk zeven.

De vouwfiets, die er begin dit jaar kwam, legde dit jaar 1077 kilometer af — met mij er op fietsend tenminste; want het aantal kilometers afgelegd in treincoupés en kofferbakken ligt aanzienlijk hoger. De meeste ritjes op de vouwer waren minder dan zes kilometer in lengte. De aanschaf vulde een duidelijke niche.