Ruim 1000 dagen werk | een zomerserie
Koos van Zomeren

Van alle duizenden columnisten die er zijn en waren, is er slechts éen die me ooit blijvend tot een bijna kritiekloze bewondering bracht. Misschien omdat hij voordien ook al zo veel meer geschreven had dan columns, toen hij in maart 1992 in NRC-Handelsblad voor het eerst een kort tekstje van 250 à 270 woorden op de voorpagina publiceerde, en dat ineens de perfecte lengte bleek te zijn voor hem. Misschien omdat wat hij schreef zo in stil contrast stond met wat een krant normaliter aan lawaai brengt op een dag.

‘Vandaag of Morgen’ heette dat tijdloze rubriekje van Koos van Zomeren, dat 1001 afleveringen zou gaan tellen.

Die column leverde hem vijf bundels op, met selecties uit het in de krant gepubliceerde materiaal, waarvan vier al eens op boeklog besproken werden: Zomer, Winter, Het eeuwige leven, en Wat wil de koe.

Leesprojectje voor de zomer van 2018 wordt evenwel het lezen van de bundel Ruim duizend dagen werk, een boek van 1028 bladzijden, waarin integraal alle columns zijn opgenomen die Van Zomeren schreef voor ‘Vandaag of Morgen’. Geen idee welk tempo ik daarbij zal gaan aanhouden. Is honderd columns per week een goed gemiddelde?

Geen idee ook of dit projectje een wat aardig reeksje teksten op kan leveren voor eamelje.net. Is er elke week wel iets te schrijven over een serie columns van vijfentwintig jaar terug?

Ruim duizend dagen werk is wat op boeklog een dikke pil is gaan heten. Lezing zou sowieso vergen dat ik tussentijds aantekeningen maakte. Alleen al om na afloop nog te weten wat ik twee maanden daarvoor ook alweer dacht over het boek. Tussendoor telkens even hardop nadenken over deze uitgave, levert daarom misschien nog net iets meer op.

[ Lees al mijn aantekeningen bij Ruim duizend dagen werk hier ]


Ruim 1000 dagen werk | iii-vii 1992
Koos van Zomeren

Op alle werkdagen éen maand aan oude columns lezen, dat kon weleens een goed ritme opleveren voor dit project. Vierentwintig à vijfentwintig tekstjes per keer, van iets meer dan 250 woorden het stuk. Van Zomeren publiceerde er iedere week zes, omdat in Nederland nog altijd geen kranten uitkomen op zondag.

En in 1992 al helemaal niet.

Zo’n eerste week met een heel dik boek is allereerst een verkenning — al scheelt het behoorlijk dat ik dit werk al ken, en niet ook bezig moet om de schrijver te leren lezen.

In de eerste maanden van deze verzameling is Koos van Zomeren 46 jaar oud. Hij woont dan in Woerden — tegenwoordig is dat zijn geboortestad Arnhem. En hond Rekel leeft nog. Met grote regelmaat trekt hij er op uit, in Nederland, altijd met als doel ergens de natuur in te duiken.

Ook de vakantie in Grindelwald in juli is allereerst een verslag van hoe het daar buiten is.

Niettemin dook er toch ook al een enkele column op, tussendoor, die een metakarakter heeft, waarin het dan ineens gaat over het schrijven zelf. Ik weet niet of er die dagen verder geen inspiratie was, maar zulke columns vallen ineens op omdat daar niets in gebeurt.

Misschien is de grote kwaliteit van deze tekstjes dus wel altijd geweest dat de taal iets aan beweging had vast te leggen. Waardoor er toch spanning was in wat heel goed tegelijk de beschrijving kan zijn geweest van een verstild moment. Stilte wordt pas echt invoelbaar als het rumoer erom heen ook is benoemd.

Toch, Van Zomeren mag zichzelf dan later in éen van zijn columns een verkleiner hebben genoemd — die altijd een teveel aan indrukken terug brengt tot een enkele zin — in deze eerste columns diende een lange beschrijving met regelmaat wel degelijk om een stuk op lengte te krijgen.

[ Lees al mijn aantekeningen bij Ruim duizend dagen werk hier ]


Ruim 1000 dagen werk | viii-xii 1992
Koos van Zomeren

Opmerkelijke ontdekking na een kleine tien jaar aan leesprojecten: het scheelt nogal om een boek als huiswerk te hebben dat fijn is om te lezen. Waarover ik me verheug er weer een eindje verder in te mogen gaan. Nu is het elke dag telkens toch even : há, fijn, er mag weer een maandje aan Koos.

Alleen hebben die leesprojecten uiteindelijk twee doelen. Het eerste is om een boek of reeks boeken te lezen die ik anders nooit uitgekregen had. En het tweede doel bestaat er uit om het makkelijker te maken daar vervolgens een boeklogje over te schrijven — doordat dit dan gebaseerd kan worden op de aantekeningen die ik al eens maakte. Zoals deze. Omdat het zo helpt om niet alle gedachten over zo’n boek in éen keer te moeten denken, bij het schrijven van een logje pas.

En een verzameling, of dit nu een bundel verhalen is of éen aan columns, leent zich slecht voor die laatste eis. Dat boeklogje. Wat dan liefst ook meteen mijn definitieve uitspraak over zo’n uitgave moest worden.

Zo ben ik nu, na de eerste jaargang te hebben gelezen van ‘Vandaag of Morgen’, nog vooral bezig geweest om constanten te destilleren uit die bijna tweehonderdvijftig losse tekstjes.

Waar heeft Van Zomeren een hekel aan, bijvoorbeeld?

Waarop een antwoord dan luidt: fietsers — want die gebruiken in de overvolle Randstad Holland nu net ook de paden waar hij wil lopen met zijn hond.

De zomer betekent ook ellende voor hem, helemaal als die eens heet is. Geef Van Zomeren liever weer waar hij zich op kleden moet.

Maar die wind, in de herfst en winter, vindt hij toch ook niet prettig. Waarop al snel een tekst volgt met Fernweh, want als het toch eens zachtjes sneeuwen mocht, welke plekjes in Nederland zou hij dan bezoeken?

[ Lees al mijn aantekeningen bij Ruim duizend dagen werk hier ]


Ruim 1000 dagen werk | i-vi 1993
Koos van Zomeren

De afspraak was eerst dat Van Zomeren zijn dagelijkse column een jaar zou doen, voor de indertijd nog immense voorpagina van NRC-Handelsblad. Dat langgerekte hoekje op dat grote vel A2. Het werden er uiteindelijk dus meer. En ik geloof ook nooit dat me dit werk was bijgebleven, had de column slechts een jaar bestaan. Gewoontes moeten eerst kunnen groeien om pijn te doen als ze onmogelijk zijn geworden. Vijfentwintig jaar later mis ik dat er niet ergens elke dag een kwalitatief zo goede column te lezen is als in dit boek staan.

Mijn zoektocht in dit boek ondertussen is er nog steeds éen naar de constanten in al die teksten; behalve de meest voor de hand liggende, dat de auteur zich bekommert over de achteruitgang van de natuur.

Zo merkt de schrijver ineens dat mensen die hij ontmoet hem steeds vragen naar hoe het met zijn moeder is. Want zijn vader komt levend en wel in menige column voorbij, zijn moeder nooit. Alleen schrijft Van Zomeren met regelmaat ook over demente bejaarden, in een nabij verpleeghuis. Waarop lezers éen en drie zijn verbinden, en zo hun eigen conclusies hebben getrokken.

Als de man zo vaak over dement oudjes schrijft, moet dit wel zijn vanwege een direct belang…

Koos van Zomeren bezocht in die eerste anderhalf jaar overigens ook zeker twee keer diergaarde Blijdorp; zonder daarover ooit te zeggen waarom. Dus ik zit nog altijd te wachten op een tekst waarin het houden van oude mensjes vergeleken wordt met het houden van dieren.

Het liefdevol houden van dieren dan — want over wat de uitwassen van de intensieve veehouderij zijn, uit de schrijver zich ook met regelmaat.

En het is wel een voordeel natuurlijk, van een werk dat bestaat uit duizend-en-een dagelijkse afleveringen. Er kan later in hetzelfde boek nog eens worden teruggekeken op wat er eerder speelde. Meta-commentaren zijn in de tekst al mogelijk op de tekst.

[ Lees al mijn aantekeningen bij Ruim duizend dagen werk hier ]


Ruim 1000 dagen werk | vii-xii 1993
Koos van Zomeren

Ruim halfweg, en nog altijd zeker drie weken van dit. Bijna elke dag een maand aan teksten lezen van vijfentwintig jaar terug. Zonder twijfel is dit nu al de leeservaring van 2018.

Van Zomeren, ondertussen, had heel goed door welke uitwerking die korte columns hadden op zijn lezers.

De mensen beginnen mij aardig te vinden. Ik bedoel mensen die me niet kennen maar zo nu en dan een stukje van me lezen, en ja, dat zijn nu eenmaal aardige stukjes; huisje, boompje, beestje en in het ergste geval een wolk erboven, daar zul je je niet gauw een buil aan vallen; en ja, het is ook zo, iemand met zo’n fijn gevoel voor een vogeltje in zijn hand kan niet slecht zijn, niet echt.
[…]

De tol

Ik sta iets ambivalenter tegenover de auteur. Later werk toonde hem ook weleens in een veel negatiever hoedanigheid. Maar, hij blijft er telkens op uitgaan, en dat alleen al is zeldzaam bij een schrijver, en hij neemt dan waar. En misschien gaat het me nog net iets meer om hoe die waarnemingen dan verwoord werden dan om de waarneming op zich. Dat er dankzij Van Zomeren iets te zien valt in zijn stukjes is al zo rijk; zelfs al is dat kijken dan tweedehands.

Directe opinies bieden zijn teksten zo veel minder.

Tekenen des tijds: Koos van Zomeren stuurde zijn columns elke dag nog met de fax naar de krant. Natuurlijk. Zo ging dat toen.

En, in Zwitersland op hoogte zien ze dat de gletschers aan een grote terugtocht zijn begonnen sinds een jaar of tien. Geen woord nog over een ‘opwarming van de aarde’, of hoe het taalgebruik nu ook luidt. ‘Broeikaseffect’ hoor ik nooit meer. Gewoon de constatering: in de negentiende eeuw waren hier nog enorme pakken sneeuw en ijs, dat verminderde, en nu lijkt alles wel heel rap te verdwijnen. De berg ziet er daardoor nogal anders uit.

[ Lees al mijn aantekeningen bij Ruim duizend dagen werk hier ]


Ruim 1000 dagen werk | i-vii 1994
Koos van Zomeren

In het voorjaar van 1994 begon Koos van Zomeren aan een serie columns over de koe, die uiteindelijk tot een heel boek zouden leiden. En juist deze reeks teksten bleek ik bijzonder goed onthouden te hebben. Waarop een vraag werd waarom dit zou zijn.

Was het omdat er nu eens een serie lag met éen helder onderwerp?

Werd ik getroffen dat het gegeven dat de koe, volgens Van Zomeren, nogal bepalend is geweest voor hoe alles hier er uit zag, en uit ziet?

Nederland is een geheel door mensen bedacht land, waar zelfs over elke vierkante meter ‘vrije natuur’ besluiten zijn genomen. Dus levert de wijsheid dat veeteelt daarbij ook nogal bepalend moet zijn geweest een wat eigenaardige sensatie op.

Want het lijkt zo aardig, het idee dat land zo goed mogelijk de koe van dienst zou moeten zijn. En tegelijk begint op dat niveau toch ook de fnuikende invloed van het kapitalisme; dat de aarde allereerst onze winstmaximalisatie ten dienste hoort te staan.

Zelfs al kwamen de uitwassen er dan misschien in Nederland pas echt met de massale ruilverkaveling, de bijbehorende herinrichting van het landschap, het kappen van talloos veel boomwallen, de structurele verlaging van het grondwaterpeil, en het invoeren van de monocultuur van het Engelse raaigras.

Koos van Zomeren was in 1994 nog altijd een relatief nieuwe natuurvriend. Hij ging pas rondkijken buiten toen er een hond in zijn leven kwam, die uitgelaten moest worden, ongeacht het weer. Sindsdien vergingen vijftien jaar, en in die spanne tijds veranderde er langzaam en zeker van alles, en nam hij dat ineens waar. Daar is hij dan fel over, met het fanatisme nog steeds van de nieuwe bekeerling.

De grutto’s, waar zijn ze gebleven?

Deels kwam die verandering dus door de schaalvergroting in de landbouw, en andere ingrepen van de mens. Dus sluipt er met zijn teksten over de koe misschien ook een nieuw element in het boek. Ontstond er een zoektocht naar wat het evenwicht dán zou moeten zijn, in de omgang met getemde natuur — zoals vee — en die met wilde natuur.

[ Lees al mijn aantekeningen bij Ruim duizend dagen werk hier ]