Als de bloem tot een groter oordeel dwingt
Wie achter elkaar vier poëziebloemlezingen leest, en bespreekt, weegt daarmee onbedoeld ook de rijkdom van een taalgebied. En daarbij bestaan er maar twee mogelijkheden. Of de verscheidenheid aan poëzie in de bloemlezingen overdondert, of die valt tegen.
Dit laatste was helaas het geval, voor mij. En dit kon weleens zijn omdat de samenstellers van de bloemlezingen er veel striktere ideeën op na houden over wat poëzie is dan ik.
Zo komt er maar heel enkel een gedicht in de bundels voor dat oorspronkelijk bedoeld was voor kinderen.
Erger nog is dat ik de grote volksdichter Anonymus zo deerlijk miste in de anthologieën. Want, het wil mij niet aan dat er geen volkspoëzie zou zijn overgeleverd in Friesland, waar vooral in de Friese Wouden nu juist een ongekend rijke traditie aan volksverhalen bestond.
Goed, dan was er misschien geen poëzie, en dan waren het liedjes. Punt is al dat ik geen principieel onderscheid wens te maken tussen beide, Willem Wilmink indachtig, omdat éen van de belangrijkste aspecten van poëzie voor mij is dat deze regels oplevert die bijblijven.
Aftelrijmpjes en touwspringversjes ook hebben voor mij veel een interessanter patina dan een willekeurig sonnet van een vaak bekroond dichter. Die woorden zijn tenminste volop in gebruik geweest, terwijl het sonnet vaak zulke gewrongen regels oplevert, dat de poëzie daarin al overlijdt voor die op een boekenpagina belandt.
En, poëzie is dat wat onthouden wordt, zoals de dichter W.H. Auden zei.
Daarop in aanvulling, het heeft groot nut om gedichten uit het hoofd te leren. Ik schreef daar zondag al over. En alsof ik daarmee iets had aangeraakt, publiceerde Achille van den Branden’s alter ego een passend lang citaat, en viel me op dat Jim Holt die dag over hetzelfde had geschreven in the New York Times.
De enige Friese poëzie die ik zo kon opzeggen, bestond tot voor een paar jaar uit wat kindergedichten van Diet Huber. Of Waling Dijkstra’s ‘Simmermoarn-sankje’.
Daar kwam maar spaarzaam wat bij. De eerste strofe van Abe de Vries’ ‘Twangbefel’ onthield ik spontaan. En ook Cornelis van der Wal schrijft weleens een regel die zich onmiddellijk met weerhaakjes in het geheugen vastzet. Vergeet ik vast nog wel een dichter of wat.
Maar blijkbaar levert de communicatieve kracht van individuele regels geen criterium op om poëzie mee te beoordelen. Geen van de vier bloemlezingen bracht mij opvallend in kennis met gedichten die uit het hoofd geleerd willen worden. Waardoor ik vooral denk: houden die dichters er allemaal wel erg particuliere universumpjes op na.
Kijk ik toch elders.





