Citaat van de dag | 0128

Nederlanders hebben geen behoefte aan feiten, aan nieuws. Ze lullen liever. Het gaat bij ons vooral om opvattingen, meningen en opinies. Dat heeft ook de journalistiek getekend [...]

Jan Blokker, zoals geciteerd door Hans Beerekamp


Citaat van de dag | 0216

In een bescheiden nieuwsbericht is het Dagblad vorige week voor de laatste keer op het voorval teruggekomen. ‘Sectie’ had uitgewezen dat Muppie door een auto-ongeluk om het leven was gekomen.

Peter Middendorp, ‘Martelprimeur


Dag blad i

Mijn mening is nogal onbelangrijk, simpelweg omdat ik me meestal heel goed realiseer te weinig feiten te kennen. Wat dat betreft heb ik zowel op dit weblog als in mijn werk nogal de neiging aan anderen te vertellen dat hun opinies ook op niets gebaseerd zijn.

Dit is een tamelijk filosofische benadering van zaken, waar maar weinig mensen op zitten te wachten. Enfin.

Helemaal onbelangrijk is mijn meninkje als die gepoold wordt met honderden anderen. Daarvoor wijkt die meestal te veel af. Goed, ik stem dan nog wel omdat het mijn burgerplicht is, maar aan alle andere enquêtes weiger ik altijd beleefd om mee te doen.

Tenzij.

Deze week informeerde NRC-Handelsblad eens naar mijn mening over de krant en de bijbehorende website. En toen leek het me ineens wel gepast om wat standpunten in te nemen. Alleen al omdat de vraagstelling van deze enquête me veel zou kunnen vertellen over het denkraam dat het dagblad heeft.

Maar, dat viel nog niet mee. Bij de meeste vragen bleek het mij onmogelijk antwoord te geven. De onderzoekers hadden namelijk niet bedacht dat er weleens mensen zouden kunnen zijn die de Nederlandse kranten alleen nog erbij hebben, maar hun nieuws allang elders halen.

Zelfs Teletekst werd niet eens als mogelijk nieuwsbron genoemd.

Waaruit ik dus prompt afleid dat het enorm slecht met de Nederlandse dagbladwereld gaat, omdat ze daar geen idee lijken te hebben wat er allemaal verandert op het moment.


Dag blad ii

Veel aandacht trok de speech hier niet die Rupert Murdoch vorige week hield tot de American Society of Newspaper Editors. Belangrijker voor het Nederlandse journaille was de uitreiking van het Gouden Pennetje, en de toespraak van Pieter Broertjes namens het Genootschap van Hoofdredacteuren.

Broertjes wil dat er wetten uit de weg genomen worden, en praktische bezwaren. Zodat de kranten kunnen samenwerken met [commerciële] omroepen, want daarvan loopt het publiek ook al terug, en samen staan ze sterker. Eerder al eisten de dagbladen een nul-tarief aan BTW op hun producten; wat ook zo’n kansloze exercitie was.

Nee, aan ideetjes heeft het de Nederlandse hoofdredacteuren nooit ontbroken. Wel aan het besef dat hun product gewoon weleens gebreken kan hebben. Of het inzicht dat hun journalisten vooral voor elkaar schrijven, en zich daarbij ver boven hun publiek verheven voelen.

Murdoch presenteerde tenminste nog iets aan visie, en signaleert dat er een generatie opgroeit die zelf wel bepaalt waar ze het nieuws haalt. En zolang kranten maar eenmaal per dag verschijnen, of hun websites enkel op een vast moment bijwerken, lopen zij dat nieuwe publiek simpelweg mis.

Nu heb ik wel mijn bedenkingen bij de wens van Murdoch tot een grotere publieksgerichtheid bij journalisten. Zijn idee van klantvriendelijkheid is bijvoorbeeld overal in Nederland hoorbaar via Sky radio. Dat is het station waarvan ik denk het heel goed online te kunnen imiteren, als ik er maar eens toe komen zou de zes populaire cd’s te kopen die er altijd op worden afgespeeld. Schaf ik me nog een zevende cd aan, is mijn aanbod al groter.

Enfin.

Maar ook de managing director van de Wall Street Journal online constateert dat nieuws soms even heel intensief gevolgd wordt, maar voor veel mensen al dood is als de krant waarin het staat nog verschijnen moet.

Jeff Jarvis stelt zich lokale media voor die alleen over plaatselijke ontwikkelingen berichten.

Het is ook onzinnig dat kranten pretenderen alles in de wereld dagelijks aan hun publiek te kunnen uitleggen, en dat hun manier van werken daarbij zaligmakend is. Maar leg dat maar eens aan een Nederlandse hoofdredacteur uit. Vertel zo iemand maar eens wat een keuze voor kwaliteit werkelijk inhoudt.

leest ook :
- Dag blad i
- Mooi lullen


Dag blad iii

Ruim een jaar geleden hield tycoon Rupert Murdoch een toespraak over de media die in Nederland nauwelijks werd opgemerkt. Ten onrechte. En nog in maart dit jaar herhaalde Murdoch dat de reguliere media macht aan het verliezen zijn om het nieuws te controleren.

Mathias Döpfner, hoofd van Axel Springer media, reageert. Het valt wel mee, maar:

I believe that the newspaper of the future can only captivate its readers if it is backed up by confident, charismatic (although not necessarily divine) figures who provide leadership, who are capable of explaining in interesting terms what they themselves are passionate about. The standards of design, language and content expected by young people today are higher than they were twenty years ago. They have had enough trash. What is called for is substance – in different ways in broadsheet and tabloid formats.

De roep is dus om meer kwaliteit. En omdat ik nooit anders beweerd heb op dit weblog kan ik het daarmee moeilijk oneens zijn. Maar ik zie het niet gebeuren hier.

Probleem is dat de Nederlandse mediamarkt gedomineerd wordt door bedrijven als Wegener. Dat, omdat het alleen maar mensen ontslaat en titels opheft, in vakkringen al heel lang Weiniger heet. Het is allemaal zo fantasieloos en dor.

En noch nrc.nix of Volkskrant 16:00 kan ik een aanwinst vinden.


Dag blad iv

Dinsdag bracht de ‘Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers’ het rapport De volgende editie uit. Daarin staan vele aanbevelingen om de vooruitzichten van de journalistiek veilig te stellen. In nogal wat media werd die studie vervolgens klunzig samengevat met de oneliner: ze willen belasting op internet heffen om de kranten te steunen.

Op zich illustreerde die feitelijk onjuiste samenvatting dan wel weer aardig wat er mis is met de media in Nederland. Maar enfin.

Ook ik ben de afgelopen dagen regelmatig om een reactie gevraagd op het rapport van de Commissie Brinkman. Daar had ik alleen nooit zo’n zin in. Ik vind het rapport namelijk nogal vals. Het bevat een onvolledige en ahistorische anamnese van de patiënt, en dit maakt de gebruikte argumentatie uitermate hypocriet.

Rapporten als deze, en vele eerder, stellen altijd dat kranten zo’n enorm belang hebben als bewakers van de democratie.

Of zoals het dagblad Trouw schreef:

Waar het echt om gaat, is of onze samenleving kans ziet om op de langere termijn een journalistieke infrastructuur in stand te houden die een kwalitatief hoogwaardige en pluriforme nieuwsvoorziening garandeert.

O, boehoehoe.

Krantenuitgevers hebben sinds de jaren zeventig stelselmatig alle journalistieke controle op de lokale democratie opgeheven, omdat dit hen te veel kostte. En tegelijk de samenleving daarbij ook nog eens voor honderden miljoenen, zo niet miljarden, getild.

Maar toch gaat zo’n loonslaaf als Rimmer Mulder in een commissie zitten, om vervolgens met droef gezicht te benadrukken dat de toekomst van de journalistiek gevaar loopt. Terwijl de werkgever van deze Rimmer Mulder de afgelopen decennia in het Noorden stelselmatig alle lokale kranten en huis-aan-huisbladen heeft opgekocht, en de overgebleven concurrentie heeft uitgehongerd. Net als alle andere grote krantenconcerns in den lande deden. Omdat zij zo het nogal lucratieve monopolie op de lokale advertentiemarkt konden verwerven. Ineens was er dan nog maar éen instantie die plaatselijk de advertentietarieven vaststelde. Stelselmatig werden daarbij redacties ingekrompen, en lokale journalisten afgedankt, zodat die bladen ook nog eens nauwelijks kosten hadden.

Dit mocht allemaal in Nederland kartelland. Zolang de krantenuitgevers landelijk maar geen te dominante marktpositie kregen.

De inkomstenstroom uit deze moord- en afknijppraktijken was zo groot en lang zo stevig dat krantenconcerns maar grote kantoren bleven bouwen, en zelfs tot in deze eeuw voor honderden miljoenen vierkleurendrukpersen bleven aankopen; met een afschrijftijd van twintig jaar. Terwijl internet toen allang bestond. Terwijl allang duidelijk was dat de publicatie en distributie van het nieuws maar een fractie hoefde te kosten van wat een krant eraan uitgeeft.

Tot dit eindelijk doordrong. Omdat de inkomstenstroom uit de advertenties opdroogde.

En nu moet ik dus net doen of kranten geen commercieel product zijn, en journalistiek het belangrijkste is dat ze leveren.

Rot toch een eind op.

Er is een heel duidelijke moordenaar aan te wijzen die het toezicht op de lokale democratie de nek om heeft gedraaid. Dus waarom hoont godverdegodver niemand die dagbladuitgevers en hun vertegenwoordigers weg, nu zij ineens claimen zo noodzakelijk te zijn in de democratie?

[Dag blad i, Dag blad ii, Dag blad iii]


functies van de media

De komende tijd zal ik op deze plaats waarschijnlijk regelmatig wat gedachten plaatsen over het WRR-rapport Focus op functies dat op 2 februari verscheen. Het is namelijk een dik rapport, zeker als daarbij alle vooronderzoeken worden meegeteld. Dus kan mijn eerste reactie niet de beste zijn. Maar ik vind het een wat bijziend advies over de media , zonder alle afwijkingen in de visie nu al precies te kunnen benoemen.

Kern van mijn probleem is misschien wel het besef dat bijvoorbeeld ook dit weblog tot de media behoort. Als ik de huidige jurisprudentie in Nederland aanhoud, moet ik al uw reacties streng beoordelen, en die verwijderen zodra ze ongefundeerde verdachtmakingen of andere lasterpraat bevatten. Ik ben weleens journalist, en daarom valt alles wat ik openbaar blijkbaar onder de eisen van zorgvuldigheid die voor deze activiteit opgaan. Iets dat mij daarmee ook verantwoordelijk maakt voor al uw commentaren hier.

Als u geen journalist bent in het dagelijkse leven, maar toch een weblog bijhoudt, is de vraag overigens of deze verplichting opgaat.

En een probleem hierbij is voor mij ook dat deze website in Californië gehost wordt, en Amerikaanse wetten nogal wat meer ruimte laten voor de vrijheid van meningsuiting dan de Nederlandse. Dus onder welke jurisdictie publiceer ik dit? lees verder »»


functies van de media ii

Herinner me er bij gelegenheid nog eens aan McLuhan te quoten, als die probeert te omschrijven wat de media nu precies zijn en doen. Het lukte hem niet.

Niemand kan dat waarschijnlijk ook. En op het moment al helemaal niet meer, nu zo langzamerhand alle traditionele media ook online vertegenwoordigd zijn, en daarbij dat internet niet eens alleen als distributiekanaal benutten.

Bovendien is er dat tweewegverkeer online. Of het simpele feit dat alles wat een privé-persoon op een website zet door de hele wereld te bekijken is.

De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) probeert aan de spraakverwarring over wat de media nu precies zijn en doen te ontkomen door zich enkel op de functies te concentreren. Daarbij onderscheidt deze raad er zes:

  1. de nieuwsvoorzieningsfunctie;
  2. het bieden van mogelijkheden voor opinievorming & achtergrondinformatie (platformfunctie);
  3. de functie van vermaak (amusement & vermaak);
  4. de functie van uitingen van kunst & cultuur;
  5. de functie van de ‘specifieke’ informatievoorziening;
  6. de functie van commerciële (advertentie-)uitingen en andere vormen van op gedragsverandering gerichte beïnvloeding (zoals overheidscampagnes).

Ik mag graag naar dit soort indelingen kijken, omdat deze zoiets als overzicht pretenderen te brengen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) had ook al zo’n fijne indeling vorig jaar. lees verder »»


functies van de media iii

Wat zijn de belangrijkste eisen waaraan de media zouden moeten voldoen? Laat ik die vraag eens stellen. Al was het maar om me even van de vervelende taak te verlossen het werkelijke medialandschap in Nederland zo goed mogelijk te beschrijven en interpreteren.

Nee, is er een ideaal te formuleren? Of strandt zelfs dat op de wetten in de weg en de praktische bezwaren?

Een ideaal zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat iedereen de standpunten van zijn politieke beschouwing of religieuze overtuiging terug moet kunnen vinden in media. Zolang die wettelijk oirbaar zijn, natuurlijk.

Maar dan nog.

lees verder »»


Help, ik moet met de media omgaan | 1

Elders had ik voor de Kerst al beloofd om iets te schrijven over wat er van de media te verwachten valt, als daar plots omgang mee gewenst is. Het denken van journalisten en programmamakers is namelijk redelijk misvormd. En wie dit niet beseft, koestert gauw de verkeerde verwachtingen over een optreden in de media.

Zelf zullen mediamensen zich altijd allereerst voor hun werkwijze excuseren met de uitvlucht immer onder enorme tijdsdruk te staan. Maar die tijdsdruk lijkt me het grootste probleem niet.

Journalisten, en programmamakers ook, hanteren namelijk altijd dezelfde sjablonen om hun nieuws of opinies te presenteren. En deze vertelvormen zijn zo ingesleten, ook bij het ontvangend publiek, dat vrijwel niemand ze meer als cliché herkent.

Een eerste advies is daarom aan iedereen: ga nooit met uw hoofd op televisie, als a] uw verhaal enige nuance behoeft, want daarvoor is er bijna nooit tijd of gelegenheid, of b] wanneer TV-makers een debat organiseren.

TV-debatten zijn namelijk nooit redelijke of eerlijke debatten. Genuanceerdheid komt niet over, zoals gezegd. Een debat op televisie wordt pas aardig als er twee meningen verkondigd worden die diametraal tegenover elkaar staan. Doet er daarbij niet toe of de ene mening misschien nogal wat minder valide is dan de andere.

Eerder signaleerde ik al eens hoe Midas Dekkers wel even op TV met een gristenfundi zou afrekenen over de evolutietheorie. En daarbij wat hooghartig onderschatte hoe de wetten van het medium luiden. De sympathie ligt namelijk altijd bij de underdog in een discussie. Zelfs al praat deze onzin.

Dit wordt pas anders als het publiek de onzin ook als onzin herkent. Wat zelden voorkomt.

Vanavond was historicus Maarten van Rossem de lul. Hij kwam in het prietpraatprogramma ‘Nova College Tour’ om te vertellen dat het Nederlandse leger zich straks uit Afghanistan terug moet trekken, zoals ook de politieke afspraak luidde. Maar de programmamakers hadden een show opgezet met als enige doel om te propageren hoe veel goed onze jongens wel niet doen. En hoe geïnformeerd iemands opinies ook zijn, deze slaan in al hun abstractie geheel dood tegenover huilende nabestaanden, die natuurlijk nooit willen dat hun zoon voor niets in den vreemde gesneuveld is. Of tegenover al de militairen in de studio, die allereerst solidair zijn met hun broeders, in Afghanistan of waar ook ter wereld, en alleen daarom al nooit objectief over het onderwerp kunnen praten.

Op boeklog schreef ik vandaag hoe zorgvuldig vermeden wordt om over Afghanistan in termen van ‘oorlog’ te praten. De ‘Nova College Tour’ van vanavond bracht een zeldzaam zuiver staaltje rijkspropaganda om deze uitspraak te bekrachtigen.

is inmiddels vervolgd


Help, ik moet met de media omgaan | 2

Een belangrijke functie van de media is dat deze nieuws, inzichten, en commerciële boodschappen doorgeven aan een publiek. Of in elk geval aan meer mensen doorgeven dan de direct betrokkenen alleen. Ook in deze tijden van Twitter, Facebook, en foute grappen over de e-mail. Toch claimen journalisten telkens nog wel wat meer te zijn dan enkel boodschappenjongetjes. Zoals dat zij toezicht houden, op de machthebbers onder meer; en zo van grote betekenis zijn in een democratie.

Wat journalisten zelden zullen toegeven, is dat zij nogal makkelijk te manipuleren zijn. En zo dus gratis, en vaak effectief, als roeptoeter kunnen dienen voor wat iemand maar te koop heeft, aan producten, of ideeën.

Tegelijk zijn er in Nederland nu talloos meer voorlichters en communicatiemedewerkers werkzaam dan journalisten. De juiste cijfers voor 2010 heb ik niet — het cohort aan fulltime-journalisten dunt momenteel ook nogal uit — maar het zou me niet verbazen als de verhouding inmiddels ruim 3:1 is.

Merkwaardig genoeg ben ik onder journalisten weleens het idee tegengekomen dat het dankzij hun inspanningen is dat er steeds meer voorlichters bij komen. Hun niet aflatende telefoontjes dwongen al die organisaties tot het stroomlijnen van communicatieprocessen.

De werkelijkheid ligt toch iets anders. De groei van het tal voorlichters komt zeker door de professionalisering van dat vak, maar dan vooral omdat het zo lonend is om strategisch met communicatie om te gaan. Steeds meer nieuws in de kranten, en op de radio en televisie, bestaat ook namelijk uit weinig meer dan een licht herschreven persbericht van een ander.

De juiste massage van die ene monopolist, het persbureau ANP, levert daarom met vrij minieme inspanningen maximale publiciteit op. Want bij het ANP zit nauwelijks vakkennis, of inhoudelijke expertise — of dan misschien nog net op de sportredactie. En sport is meestal slechts amusement.

Bij professionele communicatie gaat het er in hoofdzaak om zo veel van de controle als mogelijk in eigen handen te houden. Het is best als journalisten om informatie bellen, maar het liefst natuurlijk pas in reactie op nieuws dat zelf werd verspreid. Dit beperkt al vrij effectief de breedte en diepte aan vragen die er kunnen komen.

En er bestaan nog verschillende andere manieren om effectief de controle te blijven uitoefenen.

Een tweede belangrijke methode, vaak door Nederlandse ministeries toegepast, bestaat uit controle vanuit overmaat. Dan wordt er een rapport uitgebracht, maar in plaats dit in het persbericht samen te vatten, krijgen journalisten een tactisch gekleurd excerpt voorgezet. De kans dat de pers zelf zo’n rapport gaat lezen, en daarmee zelfstandig beoordeelt, is namelijk niet bijzonder groot.

Zo komt bijvoorbeeld regelmatig in het binnenlands nieuws dat Nederlandse scholieren uitmuntend presteren vergeleken met leeftijdsgenoten in andere landen. Terwijl uit het betreffende rapport altijd blijkt dat dit wel een zeer selectieve weergave van de onderzoeksresultaten is; maar dat gegeven komt dan alleen weer in de vakpers terug.

Zwijg ik nog over hoe de pers met het Verdrag van Lissabon is omgegaan, of de voorloper daarvan.

Een derde veel gebruikt controlemechanisme bestaat uit het uitoefenen van autoriteit. Al wordt daarbij sommig gezag aanzienlijk makkelijker geaccepteerd wordt dan ander. Journalisten reageren op politici bijvoorbeeld heel verschillend dan op wetenschappers. Omdat politici vaak ook maar nauwelijks ingevoerde generalisten zijn, en geen experts. En omdat politici meestal verantwoording hebben af te leggen. Terwijl journalisten nu juist geen wetenschappers zijn, en al evenmin denken als wetenschappers; en daarom betrekkelijk hulpeloos staan tegenover de autoriteit van de geleerde; ongeacht zijn of haar reputatie binnen het vak. Talloos zijn daarom de nieuwsberichten met de zinsnede ‘uit onderzoek blijkt’; waarbij de gevonden resultaten bovendien vaak stelliger werden gepresenteerd dan ze zijn; als die al niet volkomen verkeerd begrepen worden.

En een vierde effectief instrument is controle door schijnbaar exact te zijn. Op de wetenschapspers na, en een enkele kracht van de economieredacties, hebben journalisten namelijk een blind ontzag voor cijfers. Ze begrijpen vrijwel nooit waar cijfers voor staan. Noem éen getal in het persbericht of op de persconferentie, en dit komt altijd in de nieuwsberichten terug. Bij de weergave in het nieuws van enquêteresultaten is het in Nederland zelfs al een tref als de grootte van het onderzoekspanel genoemd wordt. Laat staan dat de relatieve meetfout erbij staat, zoals in sommige landen elders wel degelijk verplicht is.

Nu gaat het mij er niet om een compleet overzicht te bieden van welke controlemechanismen de communicatie-experts in hun routines benutten. Mijn bedoeling was wel om het principe achter hun tactieken te laten zien.

Bovendien zijn niet alleen voorlichters met dergelijke technieken bezig. Politici blinken bijvoorbeeld uit in nog weer een ander mechanisme; controle door exclusiviteit. Vriendjes worden bevoordeeld, al moeten ze wel op een ander moment een gunst teruggeven. Dit is alleen mogelijk omdat het de grootste eer is voor journalisten om iets als eerste te kunnen brengen. Eerste zijn, betekent scoren. En dit scoren is om éen of andere merkwaardige reden belangrijker dan een kwaliteit zoals nieuws het meest volledig brengen, of om ontwikkelingen het best in hun context te kunnen plaatsen.

Maar goed, dit gegeven gaat ook al in op de vraag waar journalisten nu het meest happig op zijn; en dat vergt nog een apart beschouwinkje.

Er bestaat trouwens wel degelijk weerstand bij journalisten, tegen al te grove manipulatie. Dus reken op tegenstand bij opmerkelijk nieuws, of een al te boude beschuldiging. Zij zullen zo’n feit of opinie dan altijd verifiëren bij een ander — die ook uw concurrent kan zijn, en dus een belang heeft uw nieuws te bagatelliseren.

En in interviews is verlies van controle helemaal een probleem. Dat flauwe grapje, om het ijs te breken, komt gauw in de weergave van het gesprek terug. Die ene naam waarover u zich terloops wat negatief uitliet, krijgt altijd een prominente plek. Het terzijde om de sympathie van de interviewer te winnen, kan voor hem of haar belangrijker zijn dan de ware woorden die u ook wel degelijk hebt uitgesproken. Want die worden toch zelden als zodanig herkend.

Over wat er kan gebeuren als journalisten, of programmamakers, zich hautain zo veel mogelijk aan controle toe-eigenen, schreef ik al eerder.

wordt binnenkort vervolgd


Help, ik moet met de media omgaan | 3

Wat is nieuws?

De vraag is in drie woorden te stellen, maar over het antwoord zijn bibliotheken vol te schrijven. Het meest opvallend aan wat ons dagelijks als nieuws wordt aangeboden, is namelijk dat wat nieuws heet bijvoorbeeld helemaal niet nieuw hoeft te zijn. Kranten leveren vooral wat gisteren al bekend was. Het avondjournaal somt nog eens op wat in de loop van de dag al dood gekauwd werd, voor wie een beetje oplette. En dan spreek ik nog niet eens over de inhoud, die ook al zo zelden uit iets helemaal nieuws bestaat.

Het lukt volgens mij niet om korte definitie van nieuws op te stellen zonder daarbij éen of andere paradox te introduceren [of zonder in het cynisme van Waugh te vervallen]. Ik strand gauw in een frase als:

Nieuws is al dat wat journalisten vinden dat nieuws is.

Of, als ik me iets preciezer uitdruk:
Nieuws is al dat waarvan journalisten menen dat hun publiek denkt dat het nieuws is.

Spelen daar nog twee andere parameters bij mee.

Het belang van bijna elk nieuwsfeit is relatief, want dit belang wordt altijd afgewogen tegen de rest van het nieuwsaanbod op dat moment. Toen 9/11 de media domineerde, hebben heel wat organisaties slechtnieuwsberichten naar buiten gebracht, die in rustiger tijden grote koppen en belangstelling hadden opgeleverd, maar nu helemaal niet opvielen. Omgekeerd zijn er altijd organisaties die de luwte tussen kerst en nieuwjaar gebruiken om meer belangstelling voor hun luttele nieuwtje te genereren dan ze in drukker tijden hadden gekregen.

Een recenter fenomeen is dat de media steeds meer nieuws brengen dat op zijn best tot de categorie fait divers gerekend kan worden. Drew Curtis, van fark.com, wijt dit aan de opkomst van de nieuwszenders, die 24 per dag gingen uitzenden, maar op de meeste dagen niet genoeg materiaal hadden om al die tijd te vullen. Dus zijn verschillende soorten aan vulling bedacht. En toen bleken zulke vullers én makkelijk te produceren te zijn, en publiek te trekken; waarop de meeste andere media ze zijn gaan overnemen. Dus kwam ik ook vandaag weer op meerdere podia het non-nieuws tegen dat Paris Hilton een erg kort jurkje aanhad toen ze haar website introduceerde.

Maar wie zijn die journalisten dan, en hoe bepalen zij wat vandaag het nieuws wordt?

In Nederland komen journalisten tegenwoordig vrijwel altijd uit eenzelfde mal. Het zijn goed vergelijkbare mannen en vrouwen — blanke jongens en meisjes uit dezelfde maatschappelijke laag — met een vrijwel identieke scholing en kennis. Tegenwoordig wordt op redacties als opleiding vaak al universiteit gevraagd, maar dit betekent eerder dat de mensen die journalist worden nog meer als voorheen op elkaar lijken dan iets anders.

Mediawetenschapper Mark Deuze klaagt in zijn publicaties telkens dat er te weinig nazaten van immigranten op nieuwsredacties werken. Maar deze monocultuur is lang het enige probleem niet waardoor de journalistiek hier leidt aan beroepsblindheid. Dit komt ook door afspraken die nergens op papier staan, en toch door iedereen op dezelfde manier worden nageleefd.

Merkwaardig vind ik daarom dat er zo zelden discussie is over waar het de nieuwsmedia aan ontbreekt. Of omgekeerd, over welke mechanismen toch maken dat de journalisten vooral in meutes jagen; allemaal hetzelfde van belang lijken te vinden, en altijd eerst naar elkaar kijken om uit te maken wat groot als nieuws moet worden gebracht.

Nu goed, toen de LPF onverwacht even heel groot in de Tweede Kamer belandde, en de betekenis van wijlen Pim Fortuyn dus wel geëvalueerd moest worden, kwam er als mea culpaatje van enkele hoofdredacteuren dat ze toch te veel genegeerd hadden wat er in de oude wijken leefde. Maar dat ik dit excuus onthouden heb, tekent vooral dat zulke bezinning op het vak schaars is.

En dus haalt slechts een beperkt aantal onderwerpen het nieuws. Is wat dichtbij gebeurt altijd belangrijker dan veraf. Zelfs al wordt in politiek Den Haag opvallend vaak slechts gediscussieerd over wat anderhalf tot twee jaar eerder al in Brussel werd besloten. Volgens onze parlementaire pers is dit namelijk niet zo. Die journalisten denken ook niet in abstracties, zoals ideeën, of beleidsvragen. Voor hen zijn allereerst de poppetjes van belang, en wat deze hebben uitgekraamd; en of daardoor ruzie is ontstaan.

En dus gaan rampen en ongelukken boven alles. Want daarvan herkennen zelfs journalisten nog dat die afwijken van de status quo. Behalve dan als de ramp zich afspeelt in een gebied waar geen camera aanwezig is, zoals de Congo. Dan bestaat de gebeurtenis niet. En dus heeft elke behoorlijke krant weliswaar pagina’s met nieuws over economie, maar staan daar vooral beursberichten en productaankondigingen op, en wordt er nauwelijks objectief of met inzicht over het bedrijfsleven geschreven.

Daarom zou ik geen krant meer lezen als ik niet zelf ook nog weleens journalist was.

krijgt nog een afrondende beschouwing

[ deel 1 ][ deel 2 ]


Help, ik moet met de media omgaan | 4

De nieuwsmedia doen wat ze doen. Maar waarom hun werkmethoden toch zo merkwaardig uitpakken, is een complex verhaal.

Eén interessante uitleg hierover is ooit bedacht door Noam Chomsky en Edward Herman. Die stellen, onder meer in het boek Manufacturing Consent, dat massamedia alleen te begrijpen zijn door er vanuit te gaan dat alles wat ze brengen propaganda is.

Dit propagandamodel staat elders uitgebreid uitgelegd, dus is het misschien overbodig dit hier over te doen. Bovendien is het een Amerikaans model, dat me niet helemaal universeel geldig lijkt.

Zo beklemtonen Chomsky en Herman telkens nogal dat de media onder grote economische druk staan om nieuws weg te laten dat de machthebbers onwelgevallig is. En dit zal in de VS zeker opgaan, waar hele TV-kanalen en uitgeverijen in handen zijn van bedrijven uit het militair-industrieel complex. Maar in Nederland is zo’n verdachtmaking al gauw wat te paranoïde. Hier is er meestal gewoon sprake van pure incompetentie, en beroepsblindheid, als nieuws niet gezien wordt, in plaats van dat er censuur, of zelfcensuur speelt. En laat me daar toch een paar woorden aan wijden.

Economische druk op de nieuwsmedia om te doen zoals ze doen, bestaat ook in Nederland. Alleen komt die dan vooral voort uit de merkwaardige positie die de journalistiek inneemt. Journalisten mogen bijvoorbeeld niets doen dat lezers of kijkers wegjaagt. Media drijven nu eenmaal nog steeds op inkomsten uit advertenties; zelfs al verkopen ze allemaal de leugen dat het brengen van nieuws hun prioriteit is. En die reclame moest vanouds liefst bij een zo groot en stabiel publiek als mogelijk door de strot worden gedrukt. Hoe meer ogen, hoe hoger de advertentietarieven.

Vaker heb ik al uitgelegd waarom de claim van hoofdredacteuren mij zo ergert dat nu het slecht gaat met de kranten, dit nadelig is voor de democratie. Alle krantenconcerns hebben namelijk de democratische controle decennialang stelselmatig ondermijnt, door eerst al de zelfstandige plaatselijke en regionale bladen op te kopen, de redacties daarvan uit te kleden, en deze publicaties om te vormen tot advertentieblaadjes. Zo kregen ze lokaal, en niet zelden ook regionaal, een advertentiemonopolie dat de samenleving miljarden gekost heeft. Terwijl de aandacht voor kwesties waar gemeenteraden mee worstelen, of provinciale staten, of waterschappen, aantoonbaar minder is geworden.

Verder wordt in Nederland veel minder een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) dan in bevriende landen. Overheden hebben bovendien moeite om stukken vrij te geven, ondanks dat zij daartoe wettelijk verplicht zijn — wat ook tekent dat ze er geen routine in hebben. Dus als journalisten weer eens claimen het functioneren van overheden te bewaken, dan liegen ze.

En al te streng die overheden controleren kan ook niet. De nieuwsmedia samen functioneren als institutie niet anders als scholen, of andere overheidsinstanties zelve. Die hebben er helemaal geen belang bij om hun publiek of hun klanten wantrouwen bij te brengen tegen de status quo. Dat jaagt mensen maar weg. Media hebben er baat bij om allerlei mythes in stand te helpen houden, zoals het idee dat Nederland een democratie zou zijn. Die spelen het liefst handjeklap met bronnen die veel nieuws kunnen genereren; wees gul naar ons toe, dan zijn we even gul met onze belangstelling terug.

En zo kan bijvoorbeeld de waan ontstaan dat de standpunten van politieke partijen wezenlijk van elkaar verschillen, en dat zelfs in een parlementaire bureaucratie éen nieuwe man of vrouw onmiddellijk van doorslaggevende betekenis kan zijn.

En daarom kreeg zelfs in de Nederlandse media al in 2007 de hype vorm dat een stem op Obama de koers van de wereld zou veranderen. Werd zijn verkiezing vervolgens overmatig bejubeld. Maar is er thans de onvermijdelijke ontevredenheid in de media dat die stakker van een president de verwachtingen nog steeds niet heeft waargemaakt.

Hoe kon hij ook?

Eerst maak je in je onbenul iets groter dan het is, en vervolgens breek je het dus af. Met de werkelijkheid heeft dit allemaal werkelijk niets van doen, alleen vult het de pagina’s en de actualiteitenrubrieken, en zo houdt een non-onderwerp de journalisten en commentatoren jaren bezig. Da capo.

heb ik toch nog minstens éen volgende ronde nodig, ter afsluiting

[ deel 1 ][ deel 2 ][ deel 3 ]


Help, ik moet met de media omgaan | 5
C. John Sommerville

[deze tekst verscheen met andere titel ook als het boeklogje van 09 ii 2010]

Toen ik geschiedenis ging studeren, werd tijdens de introductieweek een waarschuwing uitgesproken. Denk erom, zei iemand, de geschiedenisstudie maakt dat je heel straks anders tegen gebeurtenissen in het nieuws gaat aankijken dan anderen.

Die waarschuwing is profetisch gebleken.

Toen ik een jaar later journalistiek erbij ging doen, werd tijdens de introductie een belofte uitgesproken. Ons werd voorgehouden dat de media een grote behoefte hadden aan journalisten met een stevige basis aan kennis. Kwaliteit was meer dan ooit gevraagd.

Deze belofte is nooit gestand gedaan.

Bood ik aan om artikel te schrijven om een actuele ontwikkeling in de juiste context te zetten, dan werd geen redactie daar enthousiast over. Wilde ik werk kunnen verkopen, moest dat in de eerste plaats aansluiten op de verhalen die zij al brachten. Dus, dat doe je dan maar.

Nu kan deze conclusie heel aanmatigend klinken. Alsof ik hardwerkende mensen verwijt dat zij mijn briljante ideeën niet op waarde weten te schatten; wat toch echt meer zegt over mij, dan over hen. Maar ik leerde dus al snel dat het schrijven voor dag- en weekbladen vraagt dat je in sjablonen gaat denken. En zelfs dat je om een krantenstuk te schrijven vaak beter maar nauwelijks kennis kunt hebben over een onderwerp, dan er iets vanaf weten.

Omdat het minder goed gaat met kranten en opinietijdschriften dan in de jaren negentig, mag menig hoofdredacteur op het moment publiekelijk ideetjes opperen, die een betere toekomst zouden garanderen. En iedereen meldt dan steevast op meer kwaliteit te willen inzetten.

De oude belofte leeft dus nog. Al is die een mythe. Want, waarschijnlijk lenen de nieuwsmedia zich er helemaal niet voor om kwaliteit te brengen.

Tuurlijk, ook in Nederland of België kan het publiek kennis nemen van journalistieke producties van een hoog niveau. Laat ik dat toch eens benadrukken. Alleen zijn dat vrijwel altijd werken van een langere adem. Boeken. Documentaries. Series.

Projecten.

Er is namelijk iets in die dwang van nieuwsmedia om dagelijks, of wekelijks, actualiteiten te brengen, dat telkens enorm vertekent wat er nu werkelijk speelt. Zo ver was ik al gekomen met mijn gedachten. En de mediakritieken van anderen komen meestal ook niet verder dan deze conclusie. Die trouwens nogal voor de hand ligt. Want, pak eens een krant erbij van vijf jaar geleden, of tien. En kijk hoe weinig nieuws van toen er nog toe doet.

Pas in het boek How The News Makes Us Dumb uit 1999 las ik eens een auteur die uitgebreid inging op dit fenomeen alleen. Welke eigenschappen van de nieuwsmedia maken toch dat wat zij produceren een realiteit op zich is; die vaak opvallend weinig zegt over wat er echt gebeurt?

Volgens C. John Sommerville — vanzelfsprekend een historicus — komt dit onder meer doordat niet het nieuws van nu het product van de nieuwsmedia is, maar het nieuws van de komende dag. De verhalen die over de actualiteit gecreëerd worden, zijn als feuilletons. Nooit biedt een nieuwsartikel of -reportage het laatste woord, tegelijk maken ze altijd wel nieuwsgierig naar meer.

Nieuws is een product waar eeuwig vraag naar moet blijven. Anders zou geen krant dagelijks kunnen verschijnen, en hoefden al net zo min elke dag al die journaals uitgezonden te worden. Maar nieuws kan alleen maar zo’n verslavend product zijn als het aan bepaalde eigenschappen voldoet.

Sommerville verklaart aldus waarom ‘goed nieuws’ zo zelden de media haalt, en nieuws meestal zo’n negatieve toon heeft. Nieuwsberichten hebben namelijk opvallend vaak eenzelfde uitgangspunt. Er is een conflict, wat zijn de details? Er is een probleem, hoe erg is dat? En Sommerville’s punt hierbij is dat veel van die conflicten en problemen door de journalisten gecreëerd zijn, om zo vragen bij het publiek op te roepen, en een verlangen naar een beter antwoord.

Maar conflicten en problemen zijn vaak alleen te creëren door een nieuwsfeit te isoleren uit zijn context. Of door dit te overdrijven. Of door alle relativering uit te bannen. En de beroepsziekte van vele journalisten is dat zij al dit automatisch doen.

Daarom ook denkt C. John Sommerville niet dat er verbetering mogelijk is. In het slothoofdstuk schrijft hij:

This is the point at which other media critics would make their recommendations on how the media should change its ways. But I have taken the view that the worst feature of the news is its essential feature–its timeliness. So really, it can’t be fixed. Periodical publication has tendencies that defeat the best intentions of editors. [141]

Het verbaast Sommerville daarom niet dat de nieuwsmedia steeds minder publiek trekken. En hij maakt zich daar ook nauwelijks druk over. Wat mist iemand nu echt, die geen kranten meer leest, of de journaals overslaat? Is de jeugd niet juist te prijzen die zo massaal geen krantenabonnement meer belieft?

Boeken zijn nuttiger. En boeken die iemand uitdagen in zijn zekerheden al helemaal.

En goed, dan toont Sommerville zich telkens religieus geïnspireerd, en kleurt dit zijn voorkeuren. De logica van zijn argumenten wordt daar niet minder om.

C. John Sommerville, How The News Makes Us Dumb
The Death of Wisdom in an Information Age

155 pagina’s
InterVarsity Press, 1999

[ deel 1 ][ deel 2 ][ deel 3 ][ deel 4 ]


Help, ik moet met de media omgaan | 6
Janet Malcolm

[deze tekst verscheen met andere titel ook als het boeklogje van 16 ii 2010]

Ik heb dit boek — of eigenlijk essay — in korte tijd twee maal gelezen, en begrijp er nog altijd weinig van.

The Journalist and the Murderer is opgenomen in de Modern Library van essentiële non-fictie uit de twintigste eeuw. Het zou een klassieker zijn over journalistieke ethiek.

Maar ik las slechts een poging tot reconstructie van wat éen journalist had mispeuterd, in éen specifiek geval eind jaren tachtig. Zij het dat in de daarop volgende rechtszaak aan de orde kwam dat journalisten ook weleens liegen om de sympathie van een mogelijke bron te krijgen. Of dat ze iemand uren gezelschap kunnen houden, al vervelen zij zich daarbij dood, enkel om zo vertrouwen te winnen.

Misschien dat het boek merkwaardig op me overkwam, omdat ik niet zo’n soort journalist ben. In Europa woon bovendien; en in de VS zijn journalisten veel gespitster op ‘human interest’. Als ik met iemand praat, hoop ik daar toch ook een volgende keer nog terecht te kunnen. Mij is de scoringsdrang vreemd, die alle vernietigingslust vergoelijkt, en zo bij het métier schijnt te horen. Ik wil allereerst informeren; en dan natuurlijk het liefst over wat niemand anders al beschreven heeft. En het is nog betrekkelijk simpel ook om zo goed werk af te leveren. Leef niet enkel bij de waan van de dag en alleen dat valt al op.

De journalist in The Journalist and the Murderer heet Joe McGinniss. Een dan in de VS redelijk bekend auteur, met al een bestseller op zijn naam over hoe politiek verkocht wordt tijdens de presidentsverkiezingen. McGinnis werd uitgenodigd om te schrijven over beide kanten van een moordrechtszaak, door het advocatenteam dat een arts moest verdedigen. Deze werd van een gruwelmoord verdacht, op diens vrouw en kinderen. De dokter heet Jeffrey MacDonald.

En McGinnis praatte veel met MacDonald. Ze wisselden brieven uit. MacDonald ging zelfs zo ver om in de gevangenis zijn levensgeschiedenis op cassette in te spreken, en via zijn moeder naar McGinnis te smokkelen. Alles in de hoop om het boek over de zaak beter te maken.

Alleen was McGinnis al vrij snel overtuigd dat MacDonald schuldig was aan de moord.

En toch bleef hij doen of de verdachte vriendelijk gezind was.

Vervolgens bedreef hij nogal wat amateurpsychologie, om zo in het boek Fatal Vision karaktermoord op MacDonald te kunnen plegen.

Dit boek werd een bestseller. Er is bovendien een succesvolle miniserie van gemaakt, voor televisie.

Jaren nadien klaagde MacDonald de journalist aan, omdat deze zich tijdens het contact met hem anders had voorgedaan dan hij was. En hier begint ook mijn probleem met het boek. Want MacDonald wist dat McGinnis een journalist was; zijn advocaten hadden hem nota bene voor vrij veel geld ingehuurd. Dus op welke grond is McGinnis dan voor de rechter te slepen? Om wanprestatie? Om smaad, of laster? Of ging het er alleen om een vrolijke schadevergoeding te krijgen, zoals zo vaak in de VS?

Het moment dat Janet Malcolm geïnteresseerd raakte, is toen die tweede rechtszaak ineens mogelijke consequenties voor het hele vak dreigde te krijgen. Er werd namelijk geen uitspraak gedaan. De jury was niet tot een eenduidig oordeel gekomen. Maar een jurylid uitte naderhand wel openlijk de bedenking dat als journalisten zo durfden te liegen, daar toch eigenlijk een straf op zou moeten kunnen staan.

En vervolgens ging Malcolm reconstrueren wat er nu eigenlijk voorgevallen was tussen McGillis en MacDonald. Waarbij haar sympathie niet bij haar beroepsgenoot lag.

Dus begint dit boek:

Every journalist who is not too stupid or too full of himself to notice what is going on knows that what he does is morally indefensible. He is a kind of confidence man, preying on people’s vanity, ignorance or loneliness, gaining their trust and betraying them without remorse. Like the credulous widow who wakes up one day to find the charming young man and all her savings gone, so the consenting subject of a piece of nonfiction learns—when the article or book appears—his hard lesson. Journalists justify their treachery in various ways according to their temperaments. The more pompous talk about freedom of speech and “the public’s right to know”; the least talented talk about Art; the seemliest murmur about earning a living.

Terwijl ik nog altijd denk: de onverschilligheid van journalisten voor de grote lijnen van wat er in de wereld gebeurt, brengt de samenleving toch werkelijk oneindig veel meer schade toe.

En daar gaat het nu helemaal nooit over in lessen ethiek en journalistiek.

Janet Malcolm, The Journalist and the Murderer
145 pagina’s
Papermac 1998, oorspronkelijk 1990

[ deel 1 ][ deel 2 ][ deel 3 ][ deel 4 ][ deel 5 ]


Help, ik moet met de media omgaan | intermezzo

Veel ook in het werk van de nieuwsmedia wordt gedicteerd vanuit vorm. Sjablonen. Of clichés, zo u wilt. Die maken dat wat er te vertellen is, altijd op eenzelfde manier gebracht wordt, zonder dat het de journalisten direct opvalt op welke manieren zij zich daar mee beperken.

Maar mededelingen die te lang zijn voor het sjabloon, omdat er bijvoorbeeld achtergrondkennis voor nodig is, worden vaak al niet meer gebracht. En zo verdwijnt langzamerhand alle abstractie, en dus feitelijke informatie, uit het nieuws.

Charlie Brooker ontleedde het standuppertje, in zijn onvolprezen Newswipe. En het journaal kijken zal vanaf nu nooit meer hetzelfde zijn.


Help, ik moet met de media omgaan | intermezzo

Vele erenamen heeft de journalistiek zich in de loop der tijden aangemeten. Waakhond van de democratie. Koningin der aarde. De vierde macht. En wat je ook nog altijd hoort: secondewijzer van de geschiedenis.

Of erger nog: kranten zijn de secondewijzer van de geschiedenis, zoals Schopenhauer al zei.

Elders liet ik al eens zien, dat dit Schopenhauer-citaat een wel erg selectieve weergave is van wat hij werkelijk schreef:

De dagbladen zijn de secondenwijzer van de geschiedenis. Deze is meestal niet alleen van een onedeler metaal dan de beide andere wijzers, maar loopt ook zelden juist.

Maar journalisten verwijten dat die selectief citeren? Nee, dat zouden ze natuurlijk nooit doen…


Help, ik moet met de media omgaan | intermezzo

Precies nu mijn reeksje over de eigenschappen van de nieuwsmedia loopt, zendt BBC 4 Newswipe uit. Waarin Charlie Brooker het nieuws van de afgelopen week ontleedt. En er ook altijd wel éen tijdloos item in zit.

Deze week een film van documentairemaker Adam Curtis, over de samenzwering om ons angst aan te jagen. En hoe de media tegelijk de politiek hebben gecastreerd.

[Adam Curtis op eamelje.net]
[Anatomie van de angst]


Help, ik moet met de media omgaan | intermezzo

De onvermijdelijke Charlie Brooker bespotte ditmaal in Newswipe het eeuwige tekort aan nuttige beelden voor nieuwsmedia, en de oplossing om dan maar de camera op hun eigen mensen te zetten.


Hoe lees ik de krant?

Op de website van NRC-Handelsblad weer eens het domme idee dat de EU een wereldmacht is omdat de landen in verhouding zo veel medailles winnen bij wereldkampioenschappen en Olympische spelen.

Nog afgezien van het gegeven dat de Winterspelen vooral een speeltje zijn van rijke en zeer ontwikkelde landen, zit er éen fundamentele denkfout in deze redenering, van in dit geval Herbert Blankesteijn.

De VS kan drie à vier atleten opstellen per onderdeel, net als China, maar de EU, in theorie, 81 à 104. De VS kan éen team opstellen in een teamsport, net als China. Maar de EU 27.

Wie levert hiermee dan de meest opvallende prestatie?

NRC-Handelsblad, dat is vanaf nu de enige krant die zeker weet dat de EU telkens het Europees kampioenschap voetbal won, behalve dan in 1960 en 1976.


Hoe lees ik de krant?

Vervelend aan opinie-onderzoekjes in het nieuws is dat zo zelden erbij verteld wordt hoeveel mensen er ondervraagd zijn. Maar dat is wel belangrijk. Want, zelfs als er een representatieve steekproef onder zo’n duizend mensen gehouden wordt, leert de statistiek dat er nog een onzekerheidsmarge is. Bij een N = 1000 is voor 90% zeker dat het ene percentage dat in het nieuws komt, ook 2 – 2,5% hoger of lager kan zijn, en waarschijnlijk dus ergens binnen een gebied ligt.

Maar vooral in verkiezingstijd wordt er ontstellend vaak groot nieuws gemaakt van verschuivingen in kiezersgunst die kleiner zijn dan die onzekerheidsmarge.

Alleen stelt promovendus Yfke Ongena dat het nog veel erger is. Deelnemers worden in enquêtes naar antwoorden toegepraat door de interviewers, waardoor er een afwijking van 25% – 40% insluipt.

Het grootste probleem is dat ondervraagd publiek vaak antwoorden geeft die niet voorkomen in de antwoordalternatieven die de interviewers voor zich hebben. Interviewers komen daarop zelf vaak met een suggestie op de proppen. Respondenten zijn geneigd in te stemmen met dergelijke suggesties, en dat verstoort de onderzoeksresultaten aanzienlijk, aldus Ongena.

persbericht VU [.doc]


Mooi Lullen

Hoe erg is het nu echt dat de journalistiek een crisis doormaakt; dat de pers hier niet zo goed functioneert?

Verwijs je naar Minsky? Marvin Minsky zei: “stel je eens voor wat het zou betekenen als televisie echt goed was. Dat zou het einde betekenen van alles wat we nu kennen.” Een beroemde quote is dat.

Zoiets. Laat ik het als stelling poneren. Geen democratie – misschien zelfs wel geen enkel politiek systeem – heeft ooit blijvend kunnen functioneren zonder elite. Een elite die weliswaar altijd de steun moet hebben van een dom tevreden middenklasse, maar zich tegelijkertijd ook helemaal niets van die middenklasse hoeft aan te trekken. Zolang het volk daar maar niets van merkt en fijn belasting blijft betalen. En een lekker onnozele pers is dan het perfecte middel om ook het grauw dom te houden.

Dat beweren bijvoorbeeld Noam Chomsky en Edward Herman ook, in het boek Manufactering Consent. Zij zeggen dat de slechte politieke verslaggeving in de Verenigde Staten alleen valt te begrijpen als je er vanuit gaat dat alles dat de Amerikaanse journalistiek aan nieuws brengt propaganda is. Propaganda in dienst van het grootkapitaal die de belangen van die grote bedrijven het beste dient.

Ik vind dat een te extreem idee. Ook al heeft de wapenindustrie werkelijk mediabedrijven in bezit in de VS. Maar het propagandamodel toont tegelijkertijd ook de wanhoop aan bij al diegenen die de functies van de media onderzoeken. Het is nooit lekker onder éen noemer te krijgen, dat vreemde mengsel aan kwaliteitskranten, roddelbladen, televisie, radio, en noem maar op. Laat staan de effecten die dat allegaartje op het publiek heeft. Als er al zoiets als “het publiek” bestaat.

Toch zit er wel degelijk iets in hun idee. Want, draai het eens om dan. Als we het over massamedia hebben, gaat het steeds over bedrijven, lijkt me. Bedrijven die gewoon omzet moeten halen, om voort te kunnen staan. Dus moeten ze adverteerders te vriend houden. Dus kunnen ze het zich niet veroorloven hun publiek van zich te vervreemden. Bovendien moeten ze toegang blijven houden tot de bronnen van het nieuws. Per definitie kunnen zulke bedrijven niets anders dan gedienstige middenstanders zijn. Nooit te betrappen op een echte mening, tenzij het toevallig geen kwaad kan.

“Wij waarschuwen China voor de laatste maal,” zoals de Volkskrant placht te schrijven in zijn hoofdredactionele commentaren, volgens de overlevering.

En alle kranten hier waren fout in de oorlog, op het Friesch Dagblad na dan. Allemaal gingen ze Nazi-propaganda afdrukken, om te kunnen blijven verschijnen.

Maar iedereen in het publiek wist dat, en daarom werden er verzetskranten opgericht.

Dit levert misschien wel een goede parallel op trouwens. Kijk, ieder dictatoriaal regime moet perfect zijn. Want er is geen alternatieve regeringsvorm voorhanden. En zodra te zien valt dat het regime niet perfect is, kan eenieder begrijpen dat wat er aan goeds over verteld wordt gewoon niet klopt.

Wij leven in een democratie, dus worden ons automatisch de verworvenheden van die democratie als hoogste goed voorgeschoteld. Misschien zijn er wel heel succesvolle dictaturen geweest, die werkelijk een tijdje perfect waren.

Daar gaat het nu niet om, het gaat erom dat de grootste verdienste van democratie is dat er wel altijd een alternatief voorhanden lijkt te zijn voor een falende regering. En dat alternatief bestaat dan uit de partijen die in de oppositie zitten. Alleen is op dit moment de grote vraag of dit in Nederland nog wel opgaat. Of het iets uitmaakt welke partijen er in de regering zitten, of niet.

Lijkt me wel. Als je naar het beleid van dit kabinet kijkt.

En mij juist niet. Kijk, het zou iets uit kunnen maken als de regering helemaal zelf beleid kon maken. Maar dat is niet zo. Sowieso komt zeker zeventig procent van alle nieuwe wetgeving uit Brussel, en op ministeries zoals landbouw is dat zelfs meer dan negentig procent. Vervolgens wordt over de invulling van die Europese eisen beslist door een onoverzichtelijk leger aan adviesraden en zelfstandige bestuursorganen. Vergeet ook de ambtenaren op de verschillende departementen niet. Daarbij maakt het vrijwel niet uit welke partijen er toevallig aan de macht zijn. Dat laat wel heel weinig aan zelfstandige beslissingsruimte over voor al die politici. Ook al komen juist alleen zij steeds met hun hoofdjes op televisie, en worden zij daarmee het gezicht van het beleid.

Kijk, wat de huidige plannen van dit kabinet betreft: die bijna hebben allemaal hun oorsprong in Lissabon, eind vorige eeuw. Toen een vorige regering daar met alle andere landen afsprak van de EU de meest dynamische economie in de wereld te gaan maken, voor 2010. Daar is alles al op hoofdlijnen vastgelegd, van het betaalbaar houden van de pensioenen, tot het terugbrengen van de kosten van de zorg…

Hoe kwamen we hier trouwens op?

Het slechte functioneren van de media, daar ging het om.

Kijk, in een volmaakte democratie zou er transparantie zijn over wat politieke partijen en die hele constellatie daarom heen willen en doen. Maar bij ons ontbreekt dat. Hier is het zelfs zo dat het enige dat met zekerheid over de verkiezingsprogramma’s van een politieke partij gezegd kan worden, is dat die volkomen genegeerd worden zodra de partij aan de macht komt.

Hoe is zo’n systeem te veranderen? Alleen van buitenaf, ben ik bang. Waarin de media dan weer een rol spelen.

Moeten spelen. Dit vinden al die journalisten van zichzelf toch ook? Daarom noemen ze zichzelf toch ook de waakhonden van onze democratie?

Ach ja.

Maar, zoals ik al zei, de democratie is misschien wel het best te bewaken door het volk juist niet te informeren. Blijft alles lekker koest.

Of de onvrede woekert ondergronds voort als in een veenbrand.

Er is hier vrijheid van drukpers, en vrijheid van meningsuiting. Iedereen mag zich bovendien journalist noemen die dat maar wil. Wat er interessant is aan de mediageschiedenis in Nederland zijn al die krantjes die in de negentiende eeuw opgericht werden. Bij een hele hoop was dat om hun eigen standpuntjes beter te kunnen verdedigen. Maar dat uitgangspunt is verwaterd.

De media kunnen heel winstgevend zijn.

Die nieuwe investeerders in de dagbladenuitgever PCM kunnen rustig een rendement van vijfentwintig procent van hun kranten eisen. Dat is in een boel andere sectoren van de economie nooit te halen. Maar op het moment dat er vooral in termen van winst gedacht wordt, verandert het karakter van zo’n medium.

Dat zei ik net ook al. Een conclusie kan dus simpelweg zijn dat het niet loont om als journalist je publiek een geweten te schoppen, omdat je vooral moet vermijden dat mensen zelf gaan nadenken.

Er spelen ook nog andere dingen op het moment. Zoals de enorme invloed van televisie op het gedrukte woord.

Kijk, televisie is een ongelukkig medium. Als er goede beelden zijn, wordt elke tekst daarbij in feite overbodig. Dat bewijst iedere rechtstreeks uitgezonden voetbalwedstrijd. Maar meestal zijn er geen goede beelden, en is televisie heel erg dure radio met nutteloze plaatjes, die eigenlijk alleen maar afleiden.

Ik bedoel, als het stormt zetten ze iemand buiten neer met een zuidwester op, om niet alleen uit te leggen dat het waait, maar het ook nog eens te laten zien. En dat vindt iedereen nog normaal ook.

Maar een abstracter onderwerp, zoals de meeste politiek, is nauwelijks goed in beeld te brengen door de televisie. Sterker nog, het wordt ook niet eens geprobeerd. Nee, wat gebeurt er wel. De mannetjes en vrouwtjes die politiek bedrijven zijn ineens belangrijker dan de ideeën waar ze voor staan, zoals ik al zei. Want die poppetjes zijn wel leuk in beeld te krijgen, en ze praten zelfs terug als je er een microfoon tegenaan duwt.

Maar praten is een erg trage vorm van informatieoverdracht. Bovendien kun je al pratend maar een beperkte hoeveelheid informatie kwijt, voordat je publiek verdwaasd afhaakt. Dus waar leidt dit toe? Versimpeling om het begrijpelijk te houden, en vergroving om de boodschap lekker over te laten komen.

Bekijk gewoon eens hoeveel tekst het journaal brengt? Dat is in een half uur misschien net een kwart krantenpagina.

Maar merkwaardig genoeg is de schrijvende pers hier meegegaan in deze trend. Voor hen zijn ineens ook de poppetjes en hun emoties het belangrijkst geworden.

Is dat niet wat overdreven?

Let er maar eens op. Zelfs in een lang nieuwsbericht in een krant staan zelden alleen nog puur de beschrijvingen van de ontwikkelingen. Nee, ook daarin wordt een poppenkast opgevoerd, omdat al die poppetjes zo leuk een mening hebben.

Ondertussen is er nauwelijks ruimte meer voor enige abstractie gebleven. Ik ken te veel voorbeelden van wetenschappers die jaren en jaren voor publieksbladen hebben geschreven, en nu ineens hun analyses daar niet meer kwijt kunnen.

De meeste wetenschappers kunnen niet zo vlot en leesbaar schrijven, dus zo vreemd is dat niet, lijkt me.

Dat is toch te simpel gedacht.

Nee, als er iets over Nederland is op te merken, dan wel dat er nooit echt een publieke debatcultuur bestaan heeft. Alles is te lang verzuild geweest, te veel media hebben steeds alleen voor eigen parochie hoeven preken. Met een paar kleurloze uitzonderingen zoals de AVRO daar dan weer buiten. Goed, in de jaren zeventig verdween dat dan, maar dat heeft niet betekend dat het daarmee wel ineens mogelijk werd op normale toon van gedachten te wisselen met elkaar.

De publieke intellectuelen in dit land zijn journalisten, terwijl die mensen nauwelijks iets uit eigen ondervinding weten. Laat staan dat ze zelf onderzoek doen. Dus is het noodzaak dat ook mensen met werkelijk verstand van zaken hun genuanceerde opinies kwijt kunnen.

Maar de ruimte voor het daarbij noodzakelijke abstractieniveau verdwijnt.

Even terug op wat jij zei. Die hele verzuiling was toch ook en vooral een beheersmechanisme? Laat iedereen binnen de eigen groep emanciperen, maar belet alle contact naar buiten. Verdeel en heers, dat is wel zo veilig.

Je komt nu dus weer terug naar je uitgangspunt. Het idee dat we vooral niet te optimistisch moeten zijn over onze democratie. Dat een elite er misschien lippendienst aan bewijst, maar alleen om het volk dom te houden.

En jij zei daarop zelf dat we in Nederland toch ook echt democratie ontberen.

Kijk, een gebrek van onze media is ook dat ze altijd net doen of er democratie is, om vanuit dat standpunt de ontwikkelingen te bekijken. Terwijl, als je van politieke voorstellen beoordeelt of ze de democratie bevorderen of niet, je een heel andere journalistiek zou krijgen.

Waar waarschijnlijk niemand op te wachten zit.

Je kunt niemand verwijten dat die niet mist wat er nooit geweest is.

En toch, er is nu Internet. Er zijn zo hier en daar een paar mensen die nog weleens iets zinnigs opschrijven, zonder daarvoor grote kosten te hoeven maken. Voor het eerst is er weer zo iets als die golf in de negentiende eeuw dat iedereen zijn eigen krantjes ging oprichten.

Ik zeg niet dat daarmee het democratisch tekort zo maar op te heffen is. Maar het is absoluut een positieve ontwikkeling dat het primaat voor de interpretatie van alles wat er gebeurt niet persé meer bij die kaste van beroepsjournalisten ligt. Ook al omdat de onderwerpskeuze van de reguliere pers op het moment zo verschrikkelijk beperkt is, en uitwerking altijd volgens hetzelfde stramien verloopt.

En dus krijg je een nieuwe verzuiling. Kijk naar Amerika, waar iedereen alleen de weblogs leest die hun politieke standpunten ondersteunen. Je kunt mooi lullen, maar ondertussen blijft mijn these overeind staan. Wees blij dat de journalistiek zo slecht functioneert, zou ik zeggen. Dat houdt de boel tenminste nog wat bij elkaar. Laat ze maar hypen over onschuldige onderwerpen als Idols, of het huwelijk van een onbeduidend prinsesje. Dat maakt toch allemaal niets uit, en waait vanzelf over.

Jouw stelling heeft de onwrikbare kille schoonheid van een betonnen bunker. Je kunt prachtig schieten vanuit die positie, maar je hebt jezelf tegelijkertijd immuun gemaakt voor kritiek.

Vergeet nou eens niet dat democratie betekent dat al die politici en al die overheid bij ons in dienst is. Voor ons horen te werken in plaats van andersom. Dat is het sociale contract dat wij burgers hebben afgedwongen in de negentiende en twintigste eeuw.

En jij ben een idealist. Dat is mooi hoor, maar wees niet verbaasd daarin teleurgesteld te worden.

We komen hier nog weleens op terug.


Quote of the Day | 0124

The product of the news business is change, not wisdom. Wisdom has to do with seeing things in their largest context, whereas news is structured in a way that destroys the larger context. You have to do certain things to information if you want to sell it on a daily basis. You have to make each day’s report seem important. And you do that by reducing the importance of its context.

Joe Carter quotes C. John Sommerville in:, The “Now, This…” Culture: Daily news and the death of wisdom


Quote of the Day | 0203

The symbiotic relationship between the press and the power elite worked for nearly a century. It worked as long as our power elite, no matter how ruthless or insensitive, was competent. But once our power elite became incompetent and morally bankrupt, the press, along with the power elite, lost its final vestige of credibility. The press became, as seen in the Iraq war and the aftermath of the financial upheavals, a class of courtiers. The press, which has always written and spoken from presuppositions and principles that reflect the elite consensus, now peddles a consensus that is flagrantly artificial. [...]

Chris Hedges, ‘The Creed of Objectivity Killed the News


Quote of the Day | 0218

[T]oday’s system of news delivery is an enterprise whose procedures, protocols, and underlying assumptions all but guarantee that it cannot succeed at its self described mission. Broadcast journalism in particular is flawed in such a fundamental way that its utility as a tool for illuminating life, let alone interpreting it, is almost nil.

Steve Salerno, ‘Journalist-Bites-Reality!’


Quote of the Day | 0301

News is what somebody somewhere wants to suppress; all the rest is advertising.

Lord Northcliffe, once the owner of The Observer
quoted here


Wie, of wat, maakt ons dom?

te snel geschreven, om aan het verzoek van een lezer te voldoen

Verwijzingen naar het artikel duiken al een paar weken op, overal. Toch heb ik hier tot nu toe geen aandacht besteed aan Nicholas Carr, en de vraag die hij opwerpt, in zijn omslagverhaal van de Atlantic Monthly. Is Google making us stupid? De redenen daarvoor zijn simpel. Ik vond het een niet zo goed verhaal.

Het leek me eerder een samenvatting van een groter stuk, dan een op zichzelf staand essay. Anders kan ik niet verklaren waarom Carr in het tweede deel van het betoog zo veel cliché’s aanriep, uit de geschiedenis van het denken over technologie. Ik zie bijvoorbeeld niet in wat het noemen van Taylor en diens ‘time studies’ ook maar zou kunnen vertellen over mijn gebruik van de computer nu. Taylor ging met zijn stopwatch na of er een optimale manier was om zaken te kunnen produceren. Zijn doel was het om overbodige handelingen te signaleren, en daardoor weg te kunnen nemen. Maar mijn gebruik van Google, of mijn rondsurfen op het web, hebben zelden iets te maken met de optimale benutting van mijn tijd.

Uiteindelijk roept Carr maar éen nieuwe vraag op, zonder dat hij die vraag sluitend formuleert. Carr heeft opgemerkt dat zijn computergebruik gedragsveranderingen veroorzaakt, bij hem en wat vrienden. Alleen komt hij vervolgens met niet meer dan wat anekdotisch bewijs.

Een kennis van hem zou het nu niet meer lukken om Oorlog en vrede te lezen. Door zijn computergebruik is zijn vermogen om zich voor langere tijd te concentreren ernstig afgenomen.

Wat de mogelijke invloed van computergebruik op hersenfuncties betreft, heb ik hier onlangs wel verwezen naar een veel interessanter artikel. Al was ik daar toen meer van onder de indruk dan nu, in tweede instantie.

Susan Greenfield, hersenwetenschapper te Oxford, waarschuwt in een nieuw boek dat al die uren voor de computer en de televisie extra hoge doses dopamine helpen produceren in het brein. Mediaconsumptie levert grote kicks op. Een uitwerking daarvan kan zijn dat mensen naar die opwinding blijven zoeken, en daardoor niet meer in staat zijn tot taken zonder zo’n grote directe beloning.

Dit effect kan onder meer verklaren waarom kinderen zo veel minder braaf zijn op school, zo haalt Greenfield een gedragspsycholoog aan.

Op dat moment in haar betoog had mijn bullshit-meter naar het rood moeten uitslaan. Veranderingen in het menselijk gedrag verklaren uit éen enkele oorzaak, vind ik namelijk onnozel, zo niet gevaarlijk.

Zo kan ik bijvoorbeeld ook, uit de losse pols, betogen dat kinderen minder braaf zijn als vroeger, omdat hun omgeving zo veel minder hard voor hen is. Want, dat begint al in de luiers. Wilde mijn generatie nog zo snel mogelijk zindelijk worden, gaan de kleuters tegenwoordig nog rustig in de luier naar de basisschool. Voor ons was het onplezierig in een natgezeken katoenen luier rond te moeten lopen, want dat schuurde. Maar die straf bestaat er nu niet meer, dankzij de vochtopnemende laagjes, de absorberende gels, en alle andere hoogtechnische vondsten.

To pamper, is het Engelse werkwoord voor verwennen.

Aldus heb ook ik heel eenvoudig een maatschappelijke verandering weten te verklaren. Twee gelijk optredende ontwikkelingen werden simpel met elkaar in verband gebracht. Maar wetenschap begint er nu net mee zulke voor de hand liggende verbanden te wantrouwen.

En wat dit betreft, verkeert het hersenonderzoek nog in een uiterst primitief stadium. Wat op het moment bewezen wordt, is telkens vooral een bevestiging van effecten die al bekend waren.

Iedereen weet dat het spelen van Tetris of Patience op de computer verslavend kan zijn.

Tetris is zo verslavend omdat het spelen dopaminestoten kan oproepen die de hersenactiviteiten in de prefrontale cortex verminderen. Dit maakt dat mensen minder verstandig gaan handelen.

Het verschil tussen beide uitspraken hierboven is miljoenen euro’s aan investeringen en honderden manjaren aan research. En toch wordt hersenonderzoek pas echt interessant als er een moeilijke vervolgstap genomen wordt. Zodra het nuttige kennis oplevert om verslavingen te beëindigen, bijvoorbeeld.

TV-producenten weten al een tijd dat ze abrupte beeldwisselingen moeten inzetten om hun kijkers telkens opnieuw bij de uitzending te betrekken. Zelfs in het televisienieuws kijkt de journaallezer om de zo veel tellen ineens in een andere camera, om het publiek thuis wakker te houden. Het is niet zo vreselijk interessant om dit effect te verklaren door het optreden van dopaminestoten of veranderingen in hersengolven. Dat de ervaring heeft geleerd dat iets werkt, is doorgaans kennis genoeg. De meeste ingenieurs werken vanuit dit elementaire principe.

Nicholas Carr, om op hem terug te komen, doet goed beschouwd ook iets raars in zijn betoog. Hij stelt onder meer dat een actie waarin hij voortdurend de controle heeft — en wat is rondsurfen anders — het hem steeds moeilijker maakt om zich over te geven aan wat een ander dicteert — het lezen van een lange tekst.

Hij roept zelf dopaminestoten op door te handelen, en klaagt vervolgens dat de kicks uitblijven als hij zijn hersenen op een ander manier gebruiken moet.

Dat er verschil is tussen een actief mediagebruik en een passieve consumptie, lijkt me daarmee een open deur.

Neem nu het passiefste aller media, de televisie. TV staat mijns inziens voor de afkorting traag vermaak. Of tijd verspild. Ik kan er slecht tegen dat televisieprogramma’s zo langzaam zijn; en zelden meer dan radio met plaatjes bieden. Maar ik merk tegenwoordig vaker televisie te kijken dan jaren terug, omdat de techniek me een controlemiddel heeft aangereikt. Ik kijk tegenwoordig alleen nog [het einde van] sportwedstrijden in real time. Alle andere TV wordt opgenomen, en bekeken op een moment dat mij uitkomt. Daarbij is de grootste winst dat ik door de programma’s vooruit kan springen met éen druk op de knop. Programma’s die anders een uur duren, kunnen zo makkelijk in tien minuten bekeken worden.

Ik merk bij mijzelf een geheel omgekeerde ontwikkeling op, dan Carr signaleert. Juist mijn afkeer van het aanbod op TV, met zijn soundbites, en zijn andere belachelijk korte tekstjes, heeft een allergie opgeleverd tegen alles wat kort kort snel snel moet. Daarom ook interesseren kranten me steeds minder.

Krantenredacties willen nog altijd een compleet beeld brengen van wat er speelt. Ik ben in maar een gering deel van dat alles geïnteresseerd. Dus als kranten al iets brengen dat me boeit, geven ze door hun oppervlakkigheid per definitie nooit genoeg.

Er zijn goede redenen voor dat ik weleens een boek lees. Al is het tegelijk zo dat ik vroeger meer las, aan boeken. Tegenwoordig is mijn dosis lering en vermaak goeddeels online te verkrijgen. Juist in de lange artikelen die Nicholas Carr zo onleesbaar vindt.

Het is wat flauw om mijn ervaringen [n=1] rechtstreeks tegenover die van Carr [n=<10] te plaatsen. Want ik denk wel dat hij een interessant onderwerp te pakken heeft. Alleen zijn bij Carr’s uitwerking zulke grote vraagtekens te plaatsen.

De digitale revolutie maakt dat eeuwig nieuwsgierige mensen, zoals ik, zich beter kunnen informeren dan ooit. Tegelijk weet ik heel goed dat uitzonderlijk te zijn in die eeuwige zucht naar kennis. Zowiezo al delen maar weinig mensen mijn wantrouwen tegenover de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek.

De digitale revolutie maakt ook dat entertainment en andere vormen van verstrooiing makkelijker voor handen zijn dan ooit. Of dat trivia wereldwijd nieuws worden; alleen omdat het brengen van trivia aanzienlijk eenvoudiger is dan ontwikkelingen in de wereld uit te leggen aan een onwetend publiek. Dat publiek deelt steeds minder aan kennis en ervaring, behalve dan dat het de namen van wat Amerikaanse ’sterren’ kent. En waarom zou dat publiek hartige snacks niet verkiezen boven een mediamaal dat enig kauwen vereist? De beloning is er groot genoeg voor, die dopamine golft wel weer. Dat nadenken ook weleens een beloning geeft, wordt daarmee oninteressant.

Klink ik ineens wel Huxleyiaans.

Maar alle omgang met nieuwe media vraagt gewenning. We staan nog maar aan het begin. Voor een groot deel zal de digitale revolutie trends versterken die allang bestaan. Zij die de inspanning willen leveren om te zoeken, worden beloond. Zij die passief blijven, zullen zich minder hoeven vermoeien dan ooit.

En ik weet welke groep mensen groter is.

Zo iets ons dommer maakt, dan zijn wij dat nog altijd zelf.


Zomergasten ix

Interviewen is verschrikkelijk moeilijk. En toch brengen bijna alle media iedere dag tal van vraaggesprekken. Dat komt omdat interviewen heel erg makkelijk lijkt. Stel een vraag, laat een bandje meelopen voor het antwoord, en zend of typ dat uit.

De goede vraag op het juiste moment stellen, vraagt ervaring, tact en kennis, en bovenal het vermogen om te luisteren. Dat eist nogal wat inspanning van de journalist. Het is daarom een heel stuk makkelijker om met een vooropgezet plan een vraaggesprek aan te gaan. Wat vaak gebeurt, is dat de journalist de antwoorden van tevoren zelf al bedenkt, en alleen nog de intonatie en woordkeus van de gesprekspartner als variabele nodig heeft.

En soms zelfs dat niet eens.

Mijn doorgaans zo negatieve oordeel over het niveau van de Nederlandse journalistiek is mede gebaseerd op de ervaringen die ik opdeed met de slachtoffers. Nogal wat mensen willen niet meer geïnterviewd worden, omdat hun woorden eerder al eens verkeerd zijn weergegeven of eenvoudigweg niet eens begrepen werden.

Maar goed, niet zelden is het ook omgekeerd. Dan heeft de journalist zich wel voorbereid en moet die verbijsterd merken dat de gesprekspartner alleen maar holle clichés weet te spuien.

Misschien was dat voor mij wel de meest ingrijpende ervaring die ik opdeed in de journalistiek. Om mee te maken dat diegene die tegenover mij zat weliswaar soms verbluffend goed met woorden om kon gaan, maar dat vooral deed om te verbergen niets te zeggen te hebben. Al was het maar door een elementair gebrek aan kennis.


click image to play. 2.05 minutes

Nogal wat politici ontmaskerden zichzelf zo in een vraaggesprek met mij.

Leon de Winter is ook zo’n hol daverend vat gebleken. Dit weet nu mede dankzij de uitzending van ‘Zomergasten‘ gisteravond.

Gastheer Joris Luyendijk stelde na zo’n anderhalf uur in de uitzending, toen de geestelijke vermoeidheid aan beide kanten had toegeslagen, een nogal hondse vraag. De verwoording was aanzienlijk beschaafder, maar eigenlijk vroeg hij: wie ben jij dan wel dat je zo zeker weet wat je allemaal stelt in je polemische stukken?

De Winter maakte de fout daarop in te gaan, en toen hij besefte nooit een goed antwoord te kunnen geven een blufferige tegenaanval in te zetten.

Nu weet ik niet hoe hij zich hier wel uit had kunnen redden. Misschien had alleen een cynisch grapje gewerkt. ‘Ja Joris, we weten allebei dat je het makkelijkst meningen formuleert over waar je het minst van af weet.’

Toch beving me gisteravond weer de bijna existentiële paniek die zich opdringt als ik weer een nietswetende politicus interview. Is dit werkelijk alles wat er nodig is? Wat handigheid met taal en een onwrikbaar dom vertrouwen in het eigen gelijk?