Help, ik moet met de media omgaan | 5
C. John Sommerville

[deze tekst verscheen met andere titel ook als het boeklogje van 09 ii 2010]

Toen ik geschiedenis ging studeren, werd tijdens de introductieweek een waarschuwing uitgesproken. Denk erom, zei iemand, de geschiedenisstudie maakt dat je heel straks anders tegen gebeurtenissen in het nieuws gaat aankijken dan anderen.

Die waarschuwing is profetisch gebleken.

Toen ik een jaar later journalistiek erbij ging doen, werd tijdens de introductie een belofte uitgesproken. Ons werd voorgehouden dat de media een grote behoefte hadden aan journalisten met een stevige basis aan kennis. Kwaliteit was meer dan ooit gevraagd.

Deze belofte is nooit gestand gedaan.

Bood ik aan om artikel te schrijven om een actuele ontwikkeling in de juiste context te zetten, dan werd geen redactie daar enthousiast over. Wilde ik werk kunnen verkopen, moest dat in de eerste plaats aansluiten op de verhalen die zij al brachten. Dus, dat doe je dan maar.

Nu kan deze conclusie heel aanmatigend klinken. Alsof ik hardwerkende mensen verwijt dat zij mijn briljante ideeën niet op waarde weten te schatten; wat toch echt meer zegt over mij, dan over hen. Maar ik leerde dus al snel dat het schrijven voor dag- en weekbladen vraagt dat je in sjablonen gaat denken. En zelfs dat je om een krantenstuk te schrijven vaak beter maar nauwelijks kennis kunt hebben over een onderwerp, dan er iets vanaf weten.

Omdat het minder goed gaat met kranten en opinietijdschriften dan in de jaren negentig, mag menig hoofdredacteur op het moment publiekelijk ideetjes opperen, die een betere toekomst zouden garanderen. En iedereen meldt dan steevast op meer kwaliteit te willen inzetten.

De oude belofte leeft dus nog. Al is die een mythe. Want, waarschijnlijk lenen de nieuwsmedia zich er helemaal niet voor om kwaliteit te brengen.

Tuurlijk, ook in Nederland of België kan het publiek kennis nemen van journalistieke producties van een hoog niveau. Laat ik dat toch ook eens benadrukken. Alleen zijn dat vrijwel altijd werken van een langere adem. Boeken. Documentaries. Series.

Projecten.

Er is namelijk iets in die dwang van nieuwsmedia om dagelijks, of wekelijks, actualiteiten te brengen, dat telkens enorm vertekent wat er nu werkelijk speelt. Zo ver was ik al gekomen met mijn gedachten. En de mediakritieken van anderen komen meestal ook niet verder dan deze conclusie. Die trouwens nogal voor de hand ligt. Want, pak eens een krant erbij van vijf jaar geleden, of tien. En kijk hoe weinig nieuws van toen er nog toe doet.

Pas in het boek How The News Makes Us Dumb uit 1999 las ik eens een auteur die uitgebreid inging op dit fenomeen alleen. Welke eigenschappen van de nieuwsmedia maken toch dat wat zij produceren een realiteit op zich is; die vaak opvallend weinig zegt over wat er echt gebeurt?

Volgens C. John Sommerville — vanzelfsprekend een historicus — komt dit onder meer doordat niet het nieuws van nu het product van de nieuwsmedia is, maar het nieuws van de komende dag. De verhalen die over de actualiteit gecreëerd worden, zijn als feuilletons. Nooit biedt een nieuwsartikel of -reportage het laatste woord, tegelijk maken ze altijd wel nieuwsgierig naar meer.

Nieuws is een product waar eeuwig vraag naar moet blijven. Anders zou geen krant dagelijks kunnen verschijnen, en hoefden al net zo min elke dag al die journaals uitgezonden te worden. Maar nieuws kan alleen maar zo’n verslavend product zijn als het aan bepaalde eigenschappen voldoet.

Sommerville verklaart aldus waarom ‘goed nieuws’ zo zelden de media haalt, en nieuws meestal zo’n negatieve toon heeft. Nieuwsberichten hebben namelijk opvallend vaak eenzelfde uitgangspunt. Er is een conflict, wat zijn de details? Er is een probleem, hoe erg is dat? En Sommerville’s punt hierbij is dat veel van die conflicten en problemen door de journalisten gecreëerd zijn, om zo vragen bij het publiek op te roepen, en een verlangen naar een beter antwoord.

Maar conflicten en problemen zijn vaak alleen te creëren door een nieuwsfeit te isoleren uit zijn context. Of door dit te overdrijven. Of door alle relativering uit te bannen. En de beroepsziekte van vele journalisten is dat zij al dit automatisch doen.

Daarom ook denkt C. John Sommerville niet dat er verbetering mogelijk is. In het slothoofdstuk schrijft hij:

This is the point at which other media critics would make their recommendations on how the media should change its ways. But I have taken the view that the worst feature of the news is its essential feature–its timeliness. So really, it can’t be fixed. Periodical publication has tendencies that defeat the best intentions of editors. [141]

Het verbaast Sommerville daarom niet dat de nieuwsmedia steeds minder publiek trekken. En hij maakt zich daar ook nauwelijks druk over. Wat mist iemand nu echt, die geen kranten meer leest, of de journaals overslaat? Is de jeugd niet juist te prijzen die zo massaal geen krantenabonnement meer belieft?

Boeken zijn nuttiger. En boeken die iemand uitdagen in zijn zekerheden al helemaal.

En goed, dan toont Sommerville zich telkens religieus geïnspireerd, en kleurt dit zijn voorkeuren. De logica van zijn argumenten wordt daar niet minder om.

C. John Sommerville, How The News Makes Us Dumb
The Death of Wisdom in an Information Age

155 pagina’s
InterVarsity Press, 1999

[ deel 1 ][ deel 2 ][ deel 3 ][ deel 4 ]


Laat mij de voorspelbare grap dan maar maken

Hoge hakken kunnen bij vrouwen tot rugklachten en vermindering van hersenfuncties leiden.

Zoals altijd bij dit soort onderzoeken toch de vraag: wat is hier oorzaak, en wat gevolg? En worden die twee niet door elkaar gehaald?

[zij en ik over hoge hakken, en meer]


Mokmok

Nerd humor, waarvan de grap verloren gaat in de uitleg. Via Marco.org.

[Ontwerp Steven Frank, hier te koop]


Quote of the Day | 0208

young writers will have to swear off navel-gazing in favor of an outward glance onto a wrecked and lovely world worthy and in need of the attention of intelligent, sensitive writers. I’m not calling for more pundits—God knows we’ve got plenty. I’m saying that writers need to venture out from under the protective wing of academia, to put themselves and their work on the line. Stop being so damned dainty and polite. Treat writing like your lifeblood instead of your livelihood. And for Christ’s sake, write something we might want to read.

Ted Genoways, ‘The Death of Fiction?


08. Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak
W.J.M. Davids (vz.)




Deze eeuw is mijn verzameling aan e-boeken vooral uitgebreid met teksten die ik in boekvorm niet gauw zou kopen. Rapporten bijvoorbeeld, of overheidspublicaties. Dissertaties ook. Teksten die meestal eerder als naslagwerk dienst doen dan als leesboek.

Maar geen bibliotheek ook bestaat er voor het leuk alleen.

Het mooie is dat zulke teksten tegenwoordig automatisch online komen te staan. Voorheen moest ik daar nog vaak achteraan bellen; wat allemaal zo weinig met internet te maken had. Dus zat ik op 12 januari al in het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak te lezen, terwijl de persconferentie daarover nog beginnen moest.

En zo hoort het ook. Samenvattingen, en persconferenties, concentreren zich doorgaans toch maar een of twee aspecten van een verhaal. Zelden zijn dat de meest wezenlijke aspecten.

Bovendien bleek dat de inhoud van het rapport al ogenblikkelijk tot tamelijk voorspelbaar politiek theater leidde. Waarop de aandacht van de pers, zoals gebruikelijk, zich vervolgens daar geheel op richtte. En dit allemaal pijnlijk weinig had te maken met de systeemrot die de Commissie Davids had aangetroffen.

Al denk ik zelf dat het allemaal nog erger is dan in het rapport staat; maakt me niet of dit nu door incompetentie komt, of door iets anders.

boeklog 8 ii 2010

[lees de hele serie over e-boeken in de praktijk]


‘Het is bijzonder dat de taal er nog is. Dus is de taal bijzonder.’

Is het mogelijk om een aardig en informatief televisieprogramma te maken over het Fries, en de toekomst van die taal?

In theorie zeker. Al moet daar dan wel een stevige redactie achter staan. De kans is anders groot dat vooral sprekers opgevoerd worden die om carrière of inkomsten afhankelijk zijn van het Fries. Of anders wel mensen met andere gevestigde belangen; zoals de schrijvers die jaren van hun leven investeerden om de taal en zijn literatuur te doorgronden — terwijl het Fries nauwelijks lezers trekt.

Is het mogelijk op televisie een interessante discussie te voeren over het Fries, en de toekomst van die taal?

Dat lijkt me bijna uitgesloten. Omdat ratio daarbij al te gauw botst met emotie. Waarbij de emotie meestal wint, omdat het medium televisie zo werkt.

Misschien dat televisiemakers daarom zo veel houden van dit soort contrasten. Helaas. Laatst nog moest historicus Maarten van Rossem zijn beargumenteerde standpunt over Afghanistan — weg uit dat land — verdedigen tegenover ouders van daar gesneuvelde soldaten. Die natuurlijk niet willen dat hun kind om niets gestorven is.

Meer dan nogal grove kijkersmanipulatie levert zo’n confrontatie niet op. Nu ja, ik verlies weer eens tijdelijk de wil tot leven.

Van zo veel cynisme beschuldig ik Omrop Fryslân niet. Maar onhandig was de discussie gisteravond [WMV] wel, over de toekomst van het Fries. Twee mensen met gevestigde belangen in de taal, en éen met een emotioneel belang, zaten daar aan tafel met een kritische maar geïnformeerde buitenstaander.

Tot een vruchtbare uitwisseling van gedachten kwam het dus niet. Wat te voorspellen viel.

Wel kwamen weer veel bekende stokpaardjes voorbij kreupelen.

Zo zou het Fries erbij gebaat zijn als de kwaliteit van wat verschijnt hoger wordt. En dit zou dan een stevig literatuurbeleid vergen.

En zo’n oplossing klinkt misschien logisch, en sympathiek, maar is dat toch helemaal niet. Want, zou het stelletje dat zich nu actief weert in de taal met wat geld werkelijk tot zo veel meer in staat zijn? Als het nu al niet uit hun zelf komt? Zelfs als dit zo is, zullen zij buitenstaanders nog vervelender bejegenen dan op het moment; wat elk normaal mens afschrikt, maar de vijver om geld uit te vissen wel overzichtelijk dun bevolkt houdt.

En zou een steviger literatuurbeleid nu werkelijk getalenteerde nachwuchs kunnen verleiden om te blijven? Friesland verbant zijn intelligentste kinderen namelijk, zodra ze meerderjarig worden. En door een gebrek aan banen op niveau in de provincie komen ze, eenmaal afgestudeerd, vrijwel zeker niet meer terug. Dit geldt al decennia voor velen die actief het Fries hadden kunnen gaan gebruiken, in de media, of anderszins. Want, zo veel meer mensen zijn professionele taalgebruikers dan romanschrijvers en dichters alleen.

Juist die vervelende nadruk op het Fries als literaire taal altijd, maakt dat hele domeinen aan normaal taalgebruik braak zijn blijven liggen.

Taalbeleid lijkt me zowiezo niet los te koppelen van economisch beleid. Waarin een provincie wel keuzes kan maken, maar tegelijk nauwelijks iets over te zeggen heeft.

Maar discussies over het Fries blijven altijd rond een beperkt tal ideeën gaan. Waarbij er dus ook altijd éen partij is die een logische denkfout maakt; de reductio ad absurdum.

Het is bijzonder dat de taal er nog is, weten zij. Dus is de taal bijzonder.


07. Little Book in C Major
H.L. Mencken







Ik verzamel elektronische boeken sinds 1992 of ‘93. En de voornaamste bron van digitale teksten toen, Project Gutenberg, bestaat al sinds 1971. Vandaar dat ik het wat onzinnig vind om me bij het onderwerp e-boeken te focussen op de waan van de dag, zoals een nieuw gadget dat toevallig overdreven veel pers krijgt.

Er zijn twee belangrijke verschuivingen in het maken van elektronische boeken sinds 1971.

De eerste is de manier waarop bestaande teksten worden gedigitaliseerd. Het zou me niet verbazen als de eerste e-boeken gewoon nog door vrijwilligers zijn overgetypt uit de papieren uitgaven. Tegenwoordig zijn er machines te koop die een boek volautomatisch scannen, zo’n afbeelding dan lezen met optische karakterherkenning (OCR), en omzetten naar een tekstdocument.

En toch is daarna altijd nog een proeflezer nodig om zo’n gedigitaliseerde tekst te corrigeren.

Hoe schoon de teksten zijn die Project Gutenberg oplevert, blijkt eigenlijk pas bij het bekijken van e-boeken die wel zijn ingescand, maar niet nog eens door een menselijk oog bekeken. Zonder kan eigenlijk niet.

De tweede belangrijke verschuiving is dat digitaliseren ineens niet alleen het werk meer is van vrijwilligers, of zonderlingen. Hele bedrijven zijn er brood in gaan zien; nog afgezien van alle overheden die hun erfgoed gingen veiligstellen. Maar, hoe ambitieus de projecten van Google en Microsoft ook zijn, of waren — zij wilden alle menselijke kennis uit boeken digitaal ontsluiten — het blijft nog steeds een crime om een elektronisch boek te lezen dat slechts door een machine is aangevat.

Wat de grootschalige scanprogramma’s, zoals Google Books, en Microsoft Live Search Books, wel al hebben opgeleverd, is dat er steeds meer facsimile’s online zijn komen staan van papieren boeken. Dus is zelfs een ongecorrigeerd boek dan nog altijd goed leesbaar. Het menselijke oog heeft nog altijd veel minder moeite om de juiste letters en worden op een afbeelding te zien dan elektronische tekstherkenning. [De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren laat de oude boeken dan ook overtypen, in een lagelonenland; waar geen van de typisten of typistes de taal kent].

Vind ik PDF in de praktijk wel een rampzalig onhandig formaat voor facsimilé’s. Zijn me gewone plaatjes, of Djvu-toepassingen liever.

En in de browser, middels de plaatjes van Djvu, las ik Mencken’s Little Book in C Major.

boeklog 7 ii 2010

[lees de hele serie over e-boeken in de praktijk]


American Gothic

Het schilderij ‘American Gothic‘ van Grant Wood uit 1938 is een van meest geparodieerde schilderijen uit de 20e eeuw.

Zelfs Google Image Search biedt nog geen fractie van de varianten en persiflages die ik in de loop der jaren heb gezien. En toch, dat is nu het vreemde, schokte het mij om onderstaande foto te zien. Waarop de beide modellen — de zuster van de schilder, en diens tandarts — poseren naast het schilderij.

Ontheiligender beeld zag ik niet eerder.


Reis naar Tulum
Milo Manara

[...] In 1965 kreeg de Italiaanse filmregisseur Federico Fellini het idee voor een film. De werktitel had hij al. De reis van G. Mastorna. En de film zou gaan over de cellist Giuseppe Mastorna, van wie het vliegtuig lijkt te verongelukken, tot het toch veilig landt, op een plein in een onbekende stad. [...]

boeklog 6 ii 2010


06. De odyssee van Giuseppe Bergman
Milo Manara








Een correspondent vraagt me of ik nog aandacht ga schenken aan al de andere dingen die weleens e-boek genoemd worden. De Kindle’s, iPad’s, Iliad’s, of hoe de e-readers ook maar heten die op het moment telkens even te veel publiciteit halen.

Het antwoord op die vraag is kortweg nee.

Ten eerste zijn die apparaten nog te primitief. Ten tweede zijn het nicheproducten, en is de kans niet groot dat e-lezers als zelfstandig apparaat blijven bestaan. En ten derde is het niet heel interessant om een brede en ingrijpende culturele ontwikkeling te beschrijven aan de hand van iets dat toevallig nu even op de markt is. Zelfs al denken sommige mensen persoonlijkheid te kunnen ontlenen aan het bezit van zo’n ding. [En veel geluk daarmee].

Een fundamentele verandering die wel aandacht vraagt, is de opmars van technologie om boeken af te kunnen sluiten van anderen, of van normaal gebruik. Zowel de Kindle, als de Apple iPad, leggen grote beperkingen op aan de boekenkoper. Gaat het me nog niet eens om de gedwongen winkelnering alleen.

Geen mens zou van een normale boekhandel accepteren als die zei: u moet eerst een harde houten keukenstoel bij ons aanschaffen, om dit boek te mogen kopen. En na de koop mag u dit boek alleen lezen als u op die keukenstoel zit. Op elke andere stoel of in bed gaat het boek namelijk niet open.

Toch leggen veel e-readers vergelijkbare beperkingen op.

Mede daarom verwacht ik veel meer van e-readers als middel van kranten of tijdschriften om abonnees te binden, dan als concurrent van het papieren boek.

Is er toch nog wel iets te zeggen over het lezen van een beeldscherm. Omdat er wel degelijk boekformaten zijn die al aantrekkelijker zijn geworden in elektronisch formaat. De kijkboeken. Zoals de fotoboeken, kunstboeken, en stripalbums. De afbeeldingen daarin profiteren nogal van het licht dat door ze heen straalt. En de pixels van een monitor of leesapparaat doen aan beeld meer recht dan de rasters van een kleurenpers ooit konden.

De toekomst van het stripverhaal is een digitale toekomst. Ik lees ze nu al liever van een scherm. Beeldvullend. Met software als CDisplay bijvoorbeeld.

En opvallend genoeg kan dat ook. Er is opvallend veel aan ingescand materiaal te vinden online. Tot zeer unieke uitgaven uit het begin van de twintigste eeuw aan toe. Alleen komt dat materiaal niet van uitgevers, omdat ook in deze geen enkele vernieuwing te verwachten is van uitgevers.

Zal het beeld helemaal mooi worden als stripmakers de mogelijkheden van het nieuwe publicatiekanaal gaan uitproberen.

boeklog 6 ii 2010

[lees de hele serie over e-boeken in de praktijk]


Help, ik moet met de media omgaan | intermezzo

Vele erenamen heeft de journalistiek zich in de loop der tijden aangemeten. Waakhond van de democratie. Koningin der aarde. De vierde macht. En wat je ook nog altijd hoort: secondewijzer van de geschiedenis.

Of erger nog: kranten zijn de secondewijzer van de geschiedenis, zoals Schopenhauer al zei.

Elders liet ik al eens zien, dat dit Schopenhauer-citaat een wel erg selectieve weergave is van wat hij werkelijk schreef:

De dagbladen zijn de secondenwijzer van de geschiedenis. Deze is meestal niet alleen van een onedeler metaal dan de beide andere wijzers, maar loopt ook zelden juist.

Maar journalisten verwijten dat die selectief citeren? Nee, dat zouden ze natuurlijk nooit doen…


05. De alwetende eenling
Thomas van Aalten






Een prikkelende vraag die het e-boek nu al oproept, is: wat wordt de rol van de uitgevers in de toekomst?

De afgelopen weken werd onder meer nieuws dat de schrijver Ian McEwan de elektronische versies van zijn oude boeken rechtstreeks via Amazon.com gaat verkopen — buiten de uitgever om. Zo ontvangt hij voortaan 50% van de verkoopprijs, in plaats van maximaal 25%. [Bij papieren boeken ligt het percentage aan royalty's doorgaan tussen de 7% en 15%].

Ook Leon de Winter kondigt aan een eigen webwinkel te beginnen met elektronische titels.

Op dit moment vervullen uitgevers nog meerdere rollen. Zo zijn zij het die in beginnende schrijvers investeren, door een boek van hen uit te geven. Waarbij op dit moment geldt dat het de uitgave door een echte uitgever, helemaal als die enige naam bezit, een kwaliteitskeurmerk is. [Ik geef toe, hier stond eerst: zou horen te zijn].

Tegelijk verdienen de meeste uitgevers niets aan beginnende schrijvers, en halen zij voornamelijk inkomsten uit zaken als dieetgidsen, kalenders, en een heel enkele bestsellerauteur.

Dus wat gebeurt er als bestsellerauteurs er op gaan vertrouwen ook op eigen naam wel te kunnen verkopen? Iedereen verdient op dit moment aan hun boeken, maar zij zelf toch het minst…

En waarom zou je als beginnende auteur nog een uitgever opzoeken, als internet je zo makkelijk in staat stelt je werk als e-boek te verspreiden? Of om zelf een handel in papieren boeken te beginnen, bij een print-on-demand dienst, zoals Lulu.com?

Thomas van Aalten — die overigens enige romans op zijn naam heeft — verzamelde de artikelen die hij vorig jaar schreef voor sargasso.nl in een PDF-bestand. En aan dat bestand is nog wel wat te verbeteren om het een echt e-boek te laten zijn.

Maar zijn idee intrigeert me; ook al omdat geen uitgever zich daar ooit aan zal wagen. Weblogs zijn een merkwaardig vluchtig medium. Toch verdienen sommige woorden het wel degelijk om nogmaals onder de aandacht gebracht te worden.

boeklog 5 ii 2010

[lees de hele serie over e-boeken in de praktijk]


Citaat van de dag | 0204

Om makkelijk in “Science” of “Nature” te kunnen publiceren moet je in vele kleuren òf de ondergang van de wereld voorspellen (klimaat, biodiversiteit) of het walhalla van de nieuwe technologie aankondigen (nanotechnologie). De wetenschappelijke onderbouwing van het verhaal is van secundair belang.

Ad Lagendijk, ‘IPCC-structuur deugt niet

Primeur! Er staat iets op De Joop dat ik de moeite van het lezen waard vond!


Zij en ik | beperkt houdbaar, revisited

 

ik: Je krijgt steeds meer gelijk met je idee dat porno nogal wat invloed heeft op hoe vrouwen er uit moeten zien.
zij: Wat heb je nu weer gezien dan?
ik: Een bedrijf dat adverteert met een middel om je daaronder weer jeugdig fris roze te kleuren.
zij: Sodemieter op.
ik: My New Pink Button. Al geef ik meteen toe dat button in die naam niet helemaal te begrijpen.
zij: Is dat de link? Ja, ze hadden het misschien beter gewoon lippenstift kunnen noemen of zo. En dan dat ‘lippenstift’ tussen aanhalingstekens. Ieuw, het is niet eens een grap. ‘A Genital Cosmetic Colorant’. Bah.
ik: Je zou toch maar vrouw zijn, en je daar onzeker over maken.
zij: Ik ben vrouw, en heb wel wat beters te doen. En ik begrijp ook niet dat als je je daar wel voor schaamt, je niet eerst gewoon al die tl-lampen uit de slaapkamer weghaalt. Maarre, hoe weet jij hiervan?
ik: Er zijn dappere webloggers geweest, die het spul hebben uitgeprobeerd. Daar wordt dan over gepraat, online.
zij: Én?
ik: De verf is niet zo onschuldig als lippenstift. Die brandt. Een Amerikaanse consumentensite raadt het spul daarom af.
zij: Ieuw ieuw ieuw.
ik: Er schijnt wel kaneel in te zitten, misschien is dat nog een pré.
zij: Ach ja, waarom dan niet meteen de geur van appeltaart, concurreer je in éen moeite door met die andere oplichters, van de kutdeodorant.
ik: Ik heb alleen nog nergens gelezen of dat spul licht geeft in het donker. Dat is misschien nog wel een grappige toepassing.
zij: Wat denk jij. Is dit een oplossing voor een probleem dat er nog niet was, of andersom?
ik: Het schijnt niet zo goed te gaan met de porno-industrie. Dus misschien dat een hofleverancier naar een nieuwe markt zoekt.
zij: Vreemde manier om van onderwerp te veranderen, trouwens. Om me hiermee te laten merken dat je niet over Geert Wilders wilt praten.

04. Free Culture
Laurence Lessig








 

Internet heeft éen vooralsnog onoplosbare paradox opgeleverd.

Aan de ene kant stelt deze infrastructuur nu iedereen in staat zonder kosten informatie, en andere vormen van digitale content, te verspreiden. En internetgebruikers hoeven vaak niets te betalen om daarvan kennis te nemen. [Later in deze serie aandacht voor de meer directe gevolgen van dit fenomeen].

Tegelijkertijd is inhoud, diezelfde digitale content, nu meer waard dan ooit. Maar dit geldt dan alleen voor enkele grote bedrijven, en reeksen aan non-gouvernementele organisaties belast met het innen van auteursrechten en andere licenties.

Op dit moment hebben deze laatste twee groepen verreweg de overhand. Alleen hun al zo gevestigde belangen worden door de politiek bediend.

Het boek Free Culture van de rechtsgeleerde Laurence Lessig gaat over dit fenomeen, en de negatieve gevolgen die dat voor de hele cultuur heeft. Ook voor de niet-internetgebruikers. Maar dit boek, dat in een elektronische versie gratis online is te vinden, stamt uit 2004. En Lessig heeft ondanks al zijn somberheid van toen niet voorzien tot welke uitwassen de auteursrechtenmafia, met de wet in de hand, in staat is gebleken.

In de VS hebben sindsdien een aantal mensen miljoenenboetes opgelegd gekregen, vanwege de schade die zij volgens de muziekindustrie veroorzaakten door een stuk of wat liedjes online te zetten.

Frankrijk kent nu de wet Hadopi, die bepaalt dat iedereen die drie keer betrapt wordt op illegale handelingen online een jaar geen internettoegang meer mag hebben. Loopt het abonnement bij de provider ondertussen wel gewoon door.

Het Verenigd Koninkrijk werkt aan eenzelfde wet, ook al gaat die tegen het universele mensenrecht in dat iedereen toegang tot informatie moet kunnen krijgen.

En Nederlandse politici overwegen in hun blinde kippendrift deep packet inspection van alle internetverkeer te verplichten. [Dit is ook de technische methode waarmee in Frankrijk waarschijnlijk de wet Hadopi gehandhaafd zal worden].

Terwijl het toch andersom zou moeten zijn. Principieel. Juridisch gezien. Als zo veel mensen zo makkelijk en zo vaak zonder het te weten een wet overtreden, dan moet die wet worden herzien. Of zelfs helemaal worden afgeschaft. Overal. Omdat internet zich niets van grenzen aantrekt.

En daarom zijn mensen als Laurence Lessig zo vreselijk nodig. Die vertolken als vrijwel enige nog een stem van rede, in een wereld zo vol van stomme dwaasheid.

boeklog 3 ii 2010

[lees de hele serie over e-boeken in de praktijk]


Quote of the Day | 0203

The symbiotic relationship between the press and the power elite worked for nearly a century. It worked as long as our power elite, no matter how ruthless or insensitive, was competent. But once our power elite became incompetent and morally bankrupt, the press, along with the power elite, lost its final vestige of credibility. The press became, as seen in the Iraq war and the aftermath of the financial upheavals, a class of courtiers. The press, which has always written and spoken from presuppositions and principles that reflect the elite consensus, now peddles a consensus that is flagrantly artificial. [...]

Chris Hedges, ‘The Creed of Objectivity Killed the News


03. Ueber die Dummheit
Robert Musil








Het e-boek zet op vele terreinen van alles in beweging. Zo kunt u al door het hebben van een elektronisch boek een misdadiger zijn zonder dit te weten. Zelfs door een tekst uit het publieke domein te downloaden, is er kans dat u een economisch delict pleegt; omdat er een groot verschil kan bestaan tussen het moment waarop de auteursrechten in het ene land vervallen, of in het andere land.

Van George Orwell, die stierf in 1950, zijn bijvoorbeeld vele teksten digitaal online gezet in Australië. Dat mag in dat land ook. Maar Britten, andere Europeanen, of Amerikanen, mogen toch niet aan die elektronische teksten komen. Ook al staan deze bestanden bij een respectabele organisatie als het Project Gutenberg. Sterker nog, zelfs er naar linken kan al als een misdaad gelden, volgens de huidige Nederlandse jurisprudentie [deze website wordt in de VS gehost, ik link hierboven niet uit provocatie].

En bij elk e-boek geldt voortaan ook de vraag: is het boek wel uw bezit? Ondanks het geld eraan besteed? Of hebt u slechts een licentie verkregen om het de digitale tekst op uw apparatuur te bewaren, en alleen daarop in te kijken? Gaat dit laatste op, dan is het u doorgaans verboden het e-boek aan een ander cadeau te doen, en doorverkopen mag al helemaal niet. De uitgevers kopiëren alleen zo wel blind éen op éen zakenmodellen waarvan de muziekindustrie al bewezen heeft dat die niet werken.

Tegelijk gaat elke harde schijf een keer kapot, verandert de software voor rechtenbeheer van jaar tot jaar. Niet te tellen waren de CD-Roms en CDi’s uit de jaren negentig in mijn bezit waarmee op een gegeven moment niets meer was aan te vangen. De sleutel om ze te gebruiken bestond niet meer; en de eigenaar verdween, of die bekommert zich niet langer om zijn oude klanten.

Terwijl een papieren boek wel heel slecht moet worden opgeslagen, wil dat over dertig jaar minder goed leesbaar zijn als nu.

De exact zelfde uitgave als ik las van Musil’s essay Über die Dummheit is in PDF-formaat heel makkelijk online te vinden. Ik heb begin deze eeuw nog de papieren versie aangeschaft, kreeg van de uitgever wat later het e-boek voor een kleinigheid cadeau, en zie nu dat ook andere exclusieve aanbiedingen uit die tijd inmiddels gewoon gratis op internet te vinden zijn.

Ergerlijker is evenwel dat op de PDF’s online geen kopieerbeveiliging meer zit, en op mijn oer-exemplaar uit 2001 wel. En toch weet ik een illegale daad te begaan door zo’n onbeveiligde versie op mijn harde schijf te zetten; zelfs al is die nuttiger in gebruik.

Kortom, het papieren boekje van Musil is een rijk bezit. De onbeveiligde PDF is handig om er tekstgedeelten uit te kopiëren; of om de tekst altijd bij me te hebben, mocht ik daar voor voelen. Beide versies hebben zo hun voordelen. Slechts éen versie bezit nu wel erg veel nadelen.

boeklog 3 ii 2010

[lees de hele reeks]


Vroeger was ik jonger

Ik lees momenteel mijzelf van vroeger, en opvallend genoeg zonder daar heel misselijk van te worden. De jaren 1992 en 1993 zijn inmiddels lang geleden genoeg om me te laten denken dat ik een ander lees.

Indertijd voerde ik elke dag een schrijfexercitie uit. Die mocht per se geen dagboekpassage zijn, moest eigen en ongecensureerde waarnemingen bevatten, en diende minstens 250 woorden te tellen. Vingeroefeningen waren het, omdat ik schrijfkilometers wilde maken; omdat training bij het aanleren van elke discipline hoort. Omdat discipline bij het aanleren van elke discipline hoort.

Hadden weblogs indertijd al bestaan, dan had ik er misschien dagelijks een weblog mee gevuld. Nu zijn het slechts onbetekenende digitale tekstjes gebleven; trouw bewaarde bits en bytes, ergens onopvallend in een hoekje geparkeerd. Misschien had ik ze niet eens gemist, als ze inmiddels gewist waren.

Hij lijkt me wel een aardige jongen, die ik nu lees. Zonder dat er nu meteen een verlangen groeit om hem te willen ontmoeten. Hij verveelde zich wat al te makkelijk. Hij had ook wel erg veel dédain voor de studie die hij volgde. Van te veel opdrachten leerde hij al niets meer, naar zijn idee.

scheiding

Referaten

F. begon elke zin met de climax. Eerst spuugde hij met geweld een lettergreep uit, waarna metalig de rest nog eens kwam. Zijn betoog een staccato van nauwelijks verstaanbare klanken. Zijn spraak teruggebracht tot het irritantste gedeelte van zijn normale stemgeluid.

En F.’s handen trilden. Eerst niet eens echt opvallend. Maar hij pakte plots een pen vast. Toen viel extra op hoe het referaat hem bezig hield.

Ik moest het wel zien omdat zijn betoog zo moeilijk te volgen was.

De rechterhand van C. trilde ook tijdens haar voordracht. Ze merkte dat op en balde een vuist om de tremor te stoppen. Aan haar stem was niets te horen. Haar ogen veilig op het blad waar haar verhaal stond uitgeschreven.

Ik moest het wel zien omdat haar verhaal me niet interesseerde.

M. was gewoon M.. Haar gebrek aan voorbereiding verbloemde ze niet. Van iedere uitspraak die ze aanhalen moest, was duidelijk hoe ze erover dacht. Kaartjes kan ze niet lezen. Tabellen zijn cijfers op een rijtje, waar anderen vast nuttige informatie uit kunnen halen. M. studeert een taal, vraag haar niet meer.

Ik moest het wel zien omdat ik het al vaker zag.

D. was er weer eens niet. En om haar was het college nog wel verplaatst naar een voor mij onmogelijke tijd.

Ik merkte het op omdat D. privileges als hoofdvakstudent me ook benadelen als ze er niet is.

En ik?

Ik had de voorbereiding van mijn referaat weer eens zo lang uitgesteld dat ik al praatte voordat alle stof was doorgenomen. Werkcollege moet toch ergens spannend door worden.

1993

[Namen zijn geanonimiseerd, om de onschuldigen te beschermen]


Vertrouwen
Van Schilfgaarde en Nooteboom

[...] Waarop de voornaamste conclusie is die deze uitgave oplevert dat zelfs lezingen bij de KNAW met de beperking kampen van alle lezingen. Hoe hooggeleerd het publiek ook is, als dit tot niet de vakbroeders behoort, moet de spreker zich al gauw tot algemeenheden beperken. [...]

boeklog 2 ii 2010 bis


Quote of the Day | 0202

It turns out, multitaskers are terrible at every aspect of multitasking. They’re terrible at ignoring irrelevant information. They’re terrible at keeping information in their heads nice and neatly organized, and they’re terrible at switching from one task to the other.

Cliff Nass, as quoted by Douglad Rushkoff,
in: ‘The Decade Google Made You Stupid


02. Bloedsomloop van de samenleving
E.J. van Asselt e.a.






PDF, het Portable Document Format, is tegenwoordig het standaardformaat om elektronische documenten in aan te maken waaraan niets meer veranderd hoeft te worden. De inhoud ziet er op elke computer, of na elke printer hetzelfde uit. Iedereen gebruikt het. Archieven zetten tegenwoordig PDF in om bestanden over twintig jaar nog te kunnen lezen. En wie in Nederland elektronisch belastingaangifte doet, vult de velden in van een PDF-formulier.

Deze laatste functie, die interactiviteit biedt, is meteen ook een behoorlijk zwakke plek. Er zwerven tal van geprepareerde PDF’s rond op internet, die, eenmaal geopend, kwaadwillenden via een javascriptje in staat stellen om malware op uw computer te plaatsen.

Dit levert dan weer als probleem op dat de standaardsoftware om PDF’s te lezen, Adobe Acrobat Reader, telkens bijgepleisterd moet worden. Terwijl het al zo’n onbruikbaar obees programma is.

Pas de laatste jaren dienen zich redelijke en gratis alternatieven aan voor de Acrobat Reader, zoals Foxit, of Sumatra.

En ook aan de andere kant, bij het aanmaken van de PDF’s, is het vaak nog armoe. Neem nu zo’n tekst als dit rapport van het Wetenschappelijk bureau van het CDA. Daarvan is de PDF online niet meer dan een toevallig bijproduct van de PDF die de drukker ontving, om een boek van te maken. En dat is een kwaal waar nogal wat PDF’s aan lijden die ook e-boeken hadden kunnen zijn.

Weinig is simpeler dan om automatisch een inhoudsopgave te genereren bij het aanmaken van een PDF, bijvoorbeeld. Meestal vereist dat niets meer dan om aan éen opmaakkenmerk, zoals de stijl die voor de hoofdstuktitels gebruikt wordt, toe te voegen dat die moet meetellen in een TOC [Table of Contents].

Maar nee, zelfs die moeite is vrijwel meteen al te veel. Vrijwel geen PDF is een elektronisch document, met interne hyperlinks, of aanclickbare paginanummers in de inhoudsopgave.

Een PDF als dit rapport is nog net éen stap beter dan een ingescande versie, omdat de tekst geselecteerd kan worden, om naar elders te kopiëren. Verder niets. En een elektronische tekst die misschien beter uitgeprint kan worden, is nauwelijks een elektronische tekst te noemen.

boeklog 2 ii 2010